De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 46

Chapter 463,349 wordsPublic domain

§ 158. Het gebied onzer nederlandsche taal is niet naukeurig besloten binnen de staatkundige grenzen van Noord- en Zuid-Nederland. Langs de oostelike grenzen van Noord-Nederland, en langs de westelike grenzen van Zuid-Nederland strekken zich eenige gouen uit, waar de dageliksche volksspreektaal nog nederlandsch is. Men spreekt daar natuurlik volstrekt niet de geijkte algemeen-nederlandsche boeketaal, maar men spreekt er goed-nederlandsche gouspraken, die in hooftsaak in het geheel niet, en in byzaken slechts weinig verschillen van de gouspraken welke in onze nederlandsche gewesten, langs (binnen) onze noordoostelike en zuidwestelike grenzen gesproken worden. Oost-Friesland, Benthem, het westelike gedeelte van Westfalen, dat men Munsterland noemt, en Neder-Rijnland zijn die grens-gewesten langs onze oostelike palen. En Fransch-Vlaanderen, dat is 't arrondissement Duinkerke van het Département du Nord in Frankrijk, formt daarmede die buitenlandsche landstreken met eene nederlandsch sprekende bevolking.--In Oost-Friesland en Benthem was nog tot voor eenige jaren de nederlandsche taal kerk- en schooltaal, althans by de herformde bevolking dier gewesten. Zelfs is zy daar, als zoodanig, nog niet volkomen verdreven. Maar by 't einde dezer eeu zal de hoogduitsche taal, die het Nederduitsch en Nederlandsch al verder noord- en westwaarts verdrijft, ook daar wel reeds eene volkomene zege behaald hebben. De Duitschers erkennen de gouspraken in bovengenoemde duitsche gewesten niet als Nederlandsch, maar noemen die gewestelike spreektaal, 't zy ze dan Friesch, Saksisch of Frankisch is, Platduitsch. En wijl by hen Platduitsch het zelfde is als Nederduitsch, zoo is deze benaming, ofschoon misschien minder gepast, toch niet onjuist. Men vergete daar by ook niet, dat de nederlandsche taal eene nederduitsche is. Het Nederlandsch in de duitsche gewesten langs onze grenzen gaat by middel van andere nederduitsche, platduitsche gouspraken langzamerhand en geleidelik over in het Midden- en Hoogduitsch dat hoogerop in Duitschland gesproken wordt. Door die geleidelike overgang neemt de vermenging van dat Nederlandsch met het Hoogduitsch hoe langer hoe grooter verhoudingen aan. In een niet ver verwyderd tijdstip zal het Nederduitsch in 't algemeen, en het Nederlandsch in het byzonder, als spreektaal uit die gewesten verdreven zijn door den infloed der hoogduitsche kerk- en schooltaal.

Anders liggen de zaken in het bovengenoemde gedeelte van Frankrijk, waar het Nederlandsch, en wel eene schoone, oorspronkelik zuiver-nederlandsche, thans ook al door het Fransch verbasterde vlaamsche gouspraak de dageliksche volksspreektaal is. Het Fransch en het Nederlandsch zijn twee talen van geheel verschillenden oorsprong, van geheel anderen aard. En zoo kan er geen sprake zijn van eene vermenging dier talen, van eenen geleideliken overgang van de eene in de andere. Dies is het Vlaamsch van Frankrijk, wil het zich staande houden, genoodzaakt steun te zoeken by het Vlaamsch van Zuid-Nederland, by het Nederlandsch in 't algemeen. En dit is de reden waarom het Vlaamsch van Frankrijk, al bloeit het niet en al kwijnt het zelfs onder den druk van het Fransch, toch zuiverder, oorbeeldiger Nederlandsch is dan de duitsche gouspraken langs onze oostelike grenzen, heden ten dage nog nederlandsch zijn. (Ik zeg niet nederduitsch in dezen zin, want nederduitsch blyven die gouspraken, voorloopig althans, toch, ook al zijn ze hoe langer hoe minder nederlandsch geworden.)

Maar de geslachtsnamen, eigen aan de oorspronkelike, ingezetene bevolking dier gewesten, zijn daar en blyven daar onveranderd, als getuigen van de aloude, volkseigene taal. Immers zijn de geslachtsnamen onmiddellik ontstaan uit de volksspreektaal, en vertoonen dikwijls de byzondere eigenaardigheden, juist van de volksspreektaal--en niet van de geijkte schrijftaal, gelijk in de vorige bladzyden is aangetoond.

Natuurlik draagt de vlaamsch-sprekende bevolking in Frankrijk ook vlaamsche geslachtsnamen, even als de namen der steden en dorpen in dat gewest (Duinkerke, Hazebroek, Hondschoten, Grevelingen, Mardijk, enz.) ook allen zuiver nederlandsch zijn. Onder die geslachtsnamen zijn er velen van hoogen ouderdom, omdat juist van alle nederlandsche gewesten, de geslachtsnamen in de westelike gouen van de oude graafschap Vlaanderen het eerst in gebruik kwamen, betrekkelik vroeg in de middeleeuen. Die namen sluiten zich, over het geheel genomen, ten nausten aan de geslachtsnamen van het zuid-nederlandsche gewest West-Vlaanderen, zoo wel wat hunne spelling aangaat, die gedeeltelik zeer ouderwetsch en middeleeusch, gedeeltelik ook zeer oorbeeldig vlaamsch is, als in andere opzichten. Zie hier eenige geslachtsnamen uit Fransch-Vlaanderen, die grootendeels geenen naderen uitleg vereischen. De Swaen, Haentjens (zie bl. 397), De Baecker (zie bl. 310), Van Hecke, De Coussemaecker en De Coussemaker, Hardeman, [267] enz. Onder deze namen zijn er eenigen die aan Fransch-Vlaanderen byzonder eigen zijn, die my althans in andere nederlandsche gewesten niet voorgekomen zyn, 't en zy dan eene enkele maal (by inwyking?) in West-Vlaanderen. Als zoodanigen noem ik: Ghiselin (zie bl. 176), Corenhuyse, Zouter (zoutzieder? als Zeper = zeepzieder, zie bl. 316), Sluyper, Modewijck, Droomers, Vervlaken, Verleene, Rooryck (zie bl. 177), Cogge (zie bl. 447), enz. Enkele namen zijn ook in dit gewest inheemsch, die ik niet versta, al zijn zy van voorkomen goed nederlandsch. Dat zijn: De Spautere, gewoonlik op fransche wyze en half verfranscht als Despautère geschreven; Ellebode, De Kijspotter, Tamakers, Mespelbole, enz. Ontaalkundige namen komen hier ook al voor. Trouens daarover heeft men zich hier allerminst te verwonderen. B. v. Van Houtte, Van de Weghe, Van de Kerckove, Van der Beker, Van der Berghe, Winibroot (zie bl. 452); Van Hende (Van Ende? zie bl. 505)? Van den Helle, enz.

Ook in die streken van noordelik Frankrijk, die aan het vlaamsche taalgebied grenzen, of die oorspronkelik tot dit gebied behooren, al zijn ze nu geheel of ten deele verwaalscht en verfranscht, zijn onder de hedendaagsche ingezetene bevolking oud-nederlandsche maagschapsnamen geenszins zeldzaam. De adresboeken der steden Atrecht, Douay, Kamerijk, Kales, St.-Omaars, Rijssel, Ter Wanen enz. leveren vele voorbeelden daarvan, om van de namen der dorpelingen in die gouen te zwygen.

§ 159. In die streken van Neder-Rijnland of de pruissische Rijnprovincie, welke zich uitstrekken langs onze limburgsche en geldersche grenzen, in de omstreken van Gulik, Gelder en Goch alzoo, van Kleef en Emmerik, en ook den Rijn opwaarts tot Wesel toe, komen onder de landseigene, ingezetene bevolking vele echt nederlandsche geslachtsnamen voor. Velen daarvan stemmen met de eigenaardig limburgsche overeen. Ook zijn de geslachtsnamen, met ingen en angen beginnende (zie § 97), meest oorspronkelik in deze gewesten te huis. De geslachtsnamen Jansen, Janssen, Janssens, enz. zoo oorbeeldig nederlandsch, zijn vooral in zeer grooten getale in deze gewesten inheemsch. Onbekendheid in die gouen heeft my verhinderd de nederlandsche namen, aldaar inheemsch, te verzamelen. Zie hier echter eenige weinigen: Van Ackeren, De Haas, Van Eicken, Van Gils, Verbeek, Verhoeven, Lachnit (zie bl. 469), Van Dorp, Hartoch, Op den Hoff, Te Cock, Van der Zypen, De Leeuw, Van Hauten, Van de Bongardt, die geen van allen naderen uitleg eischen.

Uit het kleine gedeelte van Munsterland (Westfalen) dat aan onze geldersche en twentsche grenzen paalt, by Winterswijk, Enschede en Oldenzaal, en dat verder langs de zuidoostelike grenzen van Groningerland (Westerwolde) zich uitstrekt, de omstreken van Meppen en Lingen namelik, kan ik geene byzondere nederlandsche namen hier mededeelen, ofschoon zy ook daar wel voorkomen. Byzonderlik de saksische vadersnamen op ink (zie § 16), in de aangrenzende streken van den gelderschen Achterhoek en van Twente zoo algemeen en zoo eigenaardig, zijn ook in grooten getale vertegenwoordigd onder de volkseigene geslachtsnamen in die gouen. En eveneens zeer vele namen die op meyer eindigen. Bovendien nog vertoonen eenige maagschapsnamen in deze gouen inheemsch, de nederlandsche saamgetrokkene voorvoechsels ten, ter, te (zie bl. 260). Maar omdat de ingezetene bevolking van Munsterland trou den Roomsch-Katholyken godsdienst aanhangt, zoo heeft zy zich, sedert de kerkherforming, steeds tot Munster gewend en van de Nederlanden afgekeerd. Vandaar dat de nederlandsche taal hier sedert die herforming veel verloor, en uit geschriften geweerd werd--'t welk ongetwyfeld aan de geslachtsnamen, hier inheemsch, moet kunnen worden bemerkt.

Anders is het gesteld met de graafschap Benthem (de stad Benthem, met Gilhuis, Schutterop, Noordhoorn, Nienhuis en omstreken). Dit kleine landje, tusschen Munsterland, Twente en Drente ingesloten, heeft eene grootendeels herformde bevolking, die tot op de helft dezer eeu de nederlandsche taal als kerk- en schooltaal gebruikte. By sommige Oud-Gereformeerde gemeenten aldaar, te Emmelenkamp en te Veldhuizen b. v., is dit nog heden ten dage het geval. Buitendien is de nederduitsche volksspreektaal van de graafschap Benthem zoo sterk nederlandsch gekleurd, dat zy veeleer tot de nederlandsche dan tot de duitsche gouspraken moet gerekend worden. De Benthemers onderhielden dan ook steeds (vroeger meer dan thans) de nauste betrekkingen met de Nederlanders, vooral met de ingezetenen van Twente en Drente. En die naue nederlandsche verwantschap blijkt ook nog ten duideliksten uit de geslachtsnamen der Benthemers. Zie hier eenigen daarvan, als voor de hand opgenomen, uit de verschillende plaatsen der graafschap: Arendsen, Bakker, Broekhuis, [268] enz. Al deze namen eischen geenen naderen uitleg. By Van der Schwaag, een tegenhanger van Van der Zwaag (zie bl. 270), is in die schw, in plaats van sw of zw, de infloed van het Hoogduitsch merkbaar.

§ 160. In de friesche gewesten beoosten Eems (in Oost-Friesland, Harlingerland, Jeverland, Butjadingerland, enz.), maar vooral in het eigenlike Oost-Friesland, en daar nog wel meest in de westelikste gouen, in Emsigerland (de zoogenoemde Krummhörn) en Reiderland, treden by de ingezetenen des lands de nederlandsche geslachtsnamen nog veel meer op den voorgrond als in eenig ander gewest buiten onze staatkundige grenzen gelegen. En geen wonder! In de middeleeuen, van de oudste tyden af, was natuurlik de friesche taal de eenige volksspreektaal dezer ooster-eemsche Friesen. Reeds in de laatste middeleeuen echter begon de nederduitsche taal, het Nedersaksisch of zoogenoemde Platduitsch, met het Friesch in deze gouen aan de Eems en de Weser te verdringen. Eerst in de steden, later ook ten platten lande. Sedert de kerkherforming vooral begon het Nederduitsch algemeen de zege te behalen op het Friesch, welke laatste taal in de 17de eeu aldaar nog slechts door enkele oude lieden en in eenige afgelegene landstreken werd gesproken. Thans is het Friesch er nagenoeg geheel uitgestorven als afsonderlike taal, al heeft het natuurlik op de hedendaagsche nederduitsche volksspreektaal nog duidelik zynen stempel gedrukt. Heden ten dage leeft het Friesch nog, als afsonderlike taal, in het Sagelterland, eene kleine, zeer afgelegene landstreek in het groothertogdom Oldenburg, aan de oostfriesche grenzen. Tot omstreeks de jaren 1850 en 1860 was het Friesch ook nog de spreektaal der bewoners van het eiland Wangeroog in de Noordzee, aan Oldenburg behoorende. Sedert de kerkherforming, en ook reeds een paar eeuen vroeger, werd het Nederduitsch de kerk- en schrijftaal der Oost-Friesen, welk Nederduitsch in den loop der zeventiende eeu by hen die den Lutherschen godsdienst beleden door het Hoogduitsch, en by hen die de Herformde (Gereformeerde) geloofsbelydenis aanhingen, door het Nederlandsch werd vervangen. Eerstgenoemden hadden in de oostelikste gouen de overhand; laatstgenoemden formden in de westelikste streken de meerderheid der bevolking. En deze verhouding bestaat aldus nog heden ten dage. Sedert het begin dezer eeu, sedert Oost-Friesland een deel uitmaakte van het koninkrijk Hanover, en nog meer sedert de helft dezer eeu, en vooral sedert Oost-Friesland by Pruissen werd ingelijfd, werd by de Gereformeerden het Nederlandsch ook door het Hoogduitsch verdrongen, al bleef dan zelfs in de grootste oostfriesche stad, in Emden, nog tot voor weinige jaren, de nederlandsche taal nevens de hoogduitsche by de openbare godsdienstoefeningen in gebruik, en als is die taal daar nog niet volkomen uit de kerken verdwenen. In de zeventiende en achttiende eeu was het Nederlandsch by de meeste Oost-Friesen, vooral te Emden, Norden, Leer en Weener, en in de omstreken dier plaatsen, hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, de geijkte schrijftaal. De dageliksche spreektaal was daar steeds, sedert de 16de eeu, en nog heden, een sterk nederlandsch gekleurd Nederduitsch, dat ook nog talryke sporen van de friesche taal vertoont, en oorspronkelik geheel de zelfde friso-saksische gouspraak is die ook eigen is aan de groningerlandsche gouen. Heden ten dage echter slijt het nederlandsche bestanddeel hoe langer hoe meer uit de oost-friesche volksspreektaal, en komt er hoe langer hoe meer hoogduitsch in.

Het is hier de plaats niet om den strijd en de wisseling tusschen de friesche en nederduitsche volkstalen, tusschen de nederlandsche en hoogduitsche schrijftalen, in Oost-Friesland, nader te behandelen. Het weinige, hier boven vermeld, is voldoende om te verklaren hoe het komt dat de Oost-Friesen zoo algemeen nederlandsche (ook byzonder-friesche) geslachtsnamen dragen.

In de eerste plaats trekken onder de oostfriesche geslachtsnamen die namen onze byzondere aandacht, welke het byzonder friesche karakter, den uitgang op a vertoonen. Deze namen zijn grootendeels, zoo niet allen, van hoogen ouderdom, dagteekenen nog uit de middeleeuen, uit den tijd toen de friesche taal in de oostfriesche gouen nog de heerschende was. Zy zijn aan de Eems niet zoo talrijk vertegenwoordigd als tusschen Eems en Lauers, en veel minder nog als tusschen Fli en Lauers. De oorzaak daarvan is dat zulke namen in 1811, toen de fransche overheerschers ook de Oost-Friesen dwongen, gelijk met de Nederlanders, om vaste geslachtsnamen aan te nemen--dat zulke namen op a toen door de Oost-Friesen niet op nieu werden gesmeed, gelijk de nederlandsche Friesen zulks wel deden. En de friesche anamen, sedert de middeleeuen onder hen bestaande, waren tot op betrekkelik weinigen samengesmolten, meest door uitsterving der oude geslachten die deze namen droegen, soms ook door verwaarloozing en verbastering. In het westen des lands komen zulke anamen nog het meeste voor, al ontbreken zy in het oosten ook niet en strekken zy zelfs tot aan en in de Weser-gouen zich uit. Zie hier eenigen er van: Ronda, Seba, Weerda [269], enz. Velen dezer namen komen evenzeer in de andere, in de nederlandsch-friesche gewesten voor, en zijn ten deele reeds in dit werk vermeld en verklaard. Anderen weêr schynen uitsluitend den Oost-Friesen eigen te zijn. Zy zijn my althans onder de nederlandsche Friesen niet voorgekomen. Zulke namen zijn: Bartela, Buska, Dirringa, Boyunga en Bojunga (elders ook als Boyenga, Booienga, Bojenga voorkomende), Hayunga en Hajunga, Onja, Brinckama en Brinkema, Brockema, Adena, Bogena, Dikena en Diekena, Reemtsma, enz. De namen op na eindigende, zijn oorbeeldig oostfriesch; zie § 46. Zy komen dan ook in de nederlandsch-friesche gouen slechts weinig voor.

Al deze namen (behalven de drie op stra eindigende, zie bl. 517), zijn oud-friesche vadersnamen. En het zijn allen oud-friesche, grootendeels nog gebruikelike mansvóórnamen (Sebe, Weert, Haio, Epke of Epco, Age, Tamme, Bartele, Boye, enz.) die er aan ten grondslag liggen. Slechts een paar er van kunnen wy hier wat nader beschouen. Seba is de oud-friesche tweede-naamvals-form van den oud-frieschen mansvóórnaam Sebe, Sebo, die heden nog, in Oost-Friesland meer als bewesten Eems, in volle gebruik is. By misspelling voert een afsonderlik geslacht dezen zelfden naam ook als Seeba. Deze naam is ook, als zoo menig andere oostfriesche (zie § 83), naar Holland gekomen. De beroemde natuurkundige Albertus Seba, oorspronkelik een Fries en in het oostfriesche dorp Etzel geboren, was in den tijd apotheker te Amsterdam. Heden ten dage komt zijn naam, tot Zeeba verhollandscht en verbasterd, nog te Amsterdam als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamen Sebes, Seebesz en Seebens, allen in Nederland inheemsch, zijn ook van den mansvóórnaam Sebe afgeleid, en beteekenen naukeurig het zelfde als Seba (zie ook bl. 91).--Agena is eveneens een oud-friesche tweede-naamvalsform, en wel van den mansvóórnaam Age, die nog heden in onze friesche gouen in volle gebruik is, en door Förstemann ook als een oud-germaansche mansvóórnaam, Ago, vermeld wordt. Tegenover den byzonder-oostfrieschen tweeden-naamvalsform Agena staat de nederlandsch-friesche form Agema, die ook als geslachtsnaam voorkomt, en met de geslachtsnamen Agesma, Agesz en Agen eene reeks patronymika formt, die allen »(zoon) van Age" beteekenen.--De lettergreep brinck in den oud-frieschen geslachtsnaam Brinckama heeft met het nederduitsche woord brink, dat zoo veelvuldig in nederlandsche plaats- en geslachtsnamen voorkomt (zie bl. 289), niets te maken. Immers dit is, als Brinke, een friesche mansvóórnaam, en wel een verkleinform van den oorspronkeliken naam Brinne, Brinno, welke door Tacitus reeds vermeld wordt als aan eenen Kaninefaat eigen te zijn. Van dien zelfden form Brinke, Brink, die ons ook voorkomt in den samengestelden mansvóórnaam Brinkmar (een friesche edelman uit de groninger Ommelanden, in de 13de eeu levende, heette Brinkmar Haigienga), zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Brinksma en Brinks, beiden vadersnamen, en de plaatsnaam Brinkum (Brinka-heim = woonplaats van Brinke), die aan twee dorpen eigen is, één in Oost-Friesland en één in Hoya (Hanover). De oorspronkelike, onverkleinde form van dezen naam Brinno bestaat nog in den engelschen plaatsnaam Brinnington (in Derbyshire by Chesterfield), welke plaatsnaam in Engelland ook als geslachtsnaam voorkomt.

Zeer talrijk zijn in Oost-Friesland ook die geslachtsnamen, welke ten deele uit byzonder-friesche, ten deele uit algemeen-germaansche mansvóórnamen (maar deze laatsten dan meest in byzonder-nederlandschen form) bestaan, in den tweeden-naamval, op s, en en ens eindigende; volkomen als in de friesche gewesten van Nederland, ja volkomen als in geheel Nederland. Als voorbeelden noemen wy Dethmers, Brongers, Folkerts, Helmers, Hilderts, Aben, Bennen, Bolen, Eden, Addens, Ebbens, Feddens, Harrens. Velen komen evenzeer in Oost-Friesland als in de Nederlanden voor: Dirken, Janssen en Jansen, Freerks, Hommes, enz. Vooral de namen op en eindigende (zie § 40) zyn byzonder talrijk onder de oostfriesche geslachtsnamen vertegenwoordigd: Jellen, Itzen, Mammen, Mellen, Onnen, en honderd anderen. Deze namen formen de nederduitsche tegenhangers van de byzonder-friesche namen op ena (zie § 46). In Oost-Friesland komen die beide formen dan ook wel naast elkanderen voor, als na-verwante patronymika van eenen en den zelfden mansvóórnaam afgeleid; b. v. Adena en Aden, Agena en Agen, Allena en Allen, Dikena en Dyken, Habbena en Habben, Ukena en Uken, enz. Habbena en Habben worden in het nederlandsche Friesland vervangen door den geslachtsnaam Habbema, en deze drie namen zijn, met Habbinga en Habbynck (in West-Vlaanderen, zie bl. 123), louter patronymika van den frieschen mansvóórnaam Habbe, Habbo, door Förstemann reeds als oud-germaansch (Habo) vermeld.

Al deze geslachtsnamen, met nog honderden en honderden soortgelyken zijn in de friesche gewesten tusschen Eems en Weser uit der mate talrijk, en velen er van aan verschillende geslachten eigen, zoo als dit by vadersnamen in het algemeen veelvuldig voorkomt. Vooral ook de Jansen's en Janssen's zijn in deze gewesten zeer talrijk (zie bl. 156), nog meer als in het eigenlike Nederland.

Sluiten al deze meer byzonder-friesche namen en naamsformen de oostfriesche geslachtsnamen ten nausten aan die van de nederlandsch-friesche gewesten, er komen in Oost-Friesland ook honderden geslachtsnamen voor, die een meer algemeen-nederlandsch voorkomen vertoonen. In der daad, zulke namen zijn zoo algemeen den Oost-Friesen eigen, vooral in het westen des lands, dat men, het adresboek van Emden inziende, of een nieusblad uit Reiderland, Overledingerland of Emsigerland (Weener, Leer, Emden, Norden), zich niet kan voorstellen de namen te lezen van ingezetenen uit duitsche gewesten. Zie hier een aantal oostfriesche geslachtsnamen, zoowel byzondere als algemeene, maar die allen echt-nederlandsch zijn, en grootendeels de zelfden die ook binnen onze grenzen voorkomen: Duintjer (zie bl. 416), De Ruiter, Van Senden [270], enz. Sommigen van deze maagschapsnamen komen in het byzonder overeen met die welke aan de groningsche Ommelanden eigen zijn; b. v. de talryke huisnamen (zie bl. 487): Bolhuis, Dijkhuis, Groothuis, Kleinhuis, Kloosterhuis, Leemhuis, Veenhuis, enz. Verder Scheepker, Buttjer (van butt of bot, zekere visch; dus Buttjer = Botvanger of Botman [zie bl. 299] in Nederland); Feenders, Glaasker en Glasker (zie bl. 310), Metjer, Hitjer, Snitger, enz. Dan nog Varver (dat is: verwer; zie De Varver in West-Vlaanderen, op bl. 497 vermeld), Fisker (zie Visker op bl. 488), Gerriets (ook in het nederlandsche Friesland spreekt men veelal Gerriet voor Gerrit, Geert, Gerhard), enz. vertoonen allen spelwyzen en formen die in de friesche volksspraak hunnen oorsprong vinden. Görtemaker (ook te Leeuwarden zegt men gortmaker voor grutter), De Buhr in plaats van De Boer, Sielmann in plaats van Sylman of in het byzonder-hollandsch Zijlman; Von Scharrel (Scharl of Scharrel, zoo heeten twee friesche dorpen, een bij Staveren en een in het Sagelterland); Von Zwoll, Von Loh, vertoonen weer hoogduitsche spelwyzen en formen.

In de 16de eeu vluchtten er ook vele protestantsche Vlamingen zoowel naar Oost-Friesland, als naar de eigenlike noord-nederlandsche gewesten, en bleven daar wonen; zie bl. 476. De maagschapsnamen De Pottere (zie bl. 315), en De Wingene (eene verfransching van Van Wingene,--Wyngene is een dorp in West-Vlaanderen), nog heden in Oost-Friesland inheemsch, herinneren aan deze uitwykelingen, en zijn van hen afkomstig.

Verder oostwaarts op, langs den geheelen duitschen kust der Noordzee en aan de mondingen der rivieren Weser, Elve en Eider, in al de friesche en friso-saksische gouen van Oldenburg, Hanover en Sleeswijk-Holstein, komen nederlandsche maagschapsnamen, zoo wel in byzonder-frieschen als in algemeen-nederlandschen en nederduitschen form veelvuldig voor. En dit zijn geenszins namen die daar door Nederlanders zijn ingevoerd! Integendeel, die namen zijn er eigen aan ingezetene geslachten, aan landzaten van ouds her.