De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 44
Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Holland vele namen voor die, op d'eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d'omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die op a uitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra, Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form op s eindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, als Igesz, Douwes, Tates, Stammes, Sieuwerts en Sievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen: Nan, Rem, Kos, [265] enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in 't eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamen welke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voor Willem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamen Nan, Rem, Bon, Top (zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamen Nanne, Remme (Remmert), Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen, Nanne, Remme en Bonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog: Nanninga en Nannenga, Nannes en Nannen, Nanning en Nannings, in verkleinformen Nankes en Nantjes, ook Nennen en Nentjes (op 't eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. Verder Remminga, Remmen en Rems, met Remmington in Engelland, en nog Remkema van den verkleinform Remke. Eindelik Bonninga en Bonnenga (zie bl. 74), Bonning in Engelland en Bonnink in de saksische gouen van ons land, Bonnema, Bonsma en Bonsema (zie bl. 134), Bonnen, Bons en Bonzen, misschien ook Bonny (zie bl. 74), Bontjema, Bontjes en Bontkes van de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.
Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen. [266]
Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam is Luttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaam Liets. Zie bl. 480. Even als Liets, zoo beteekent ook Luttik klein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den form Lutke of Lutje nog deel uitmaakt van menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamen Lutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen form luttik in den plaatsnaam Luttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.
Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoord den voor zich, die in 't overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v. Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.
§ 155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die op se eindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in § 35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v. Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D'Hondt, D'Hert, Verhaegen.
De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn het oorspronkelik de zelfde namen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke in Noord-Brabant inheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die op mans (man in den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in 't algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy: Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.
Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in 't algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in 't andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen op ynk (ynck, ynckx) uitgaande, die reeds in § 17 nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoord des, beginnen. Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigd zijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen § 51.
C. GESLACHTSNAMEN, DIE KENMERKEN VAN NEDERLANDSCHE GOUSPRAKEN VERTOONEN.
§ 156. De nederlandsche taal is rijk aan een zeer groot aantal verschillende gouspraken of streek- en stadsspraken, zoogenoemde tongvallen. Deze gouspraken worden overal, in Holland zoo wel als in Brabant, in Vlaanderen niet minder als in Friesland, door het volk, ja in meerdere of mindere mate door iederen Nederlander, algemeen in het dageliksche leven gesproken. Geen wonder dus dat vele nederlandsche geslachtsnamen, die toch onmiddellik uit de spreektaal ontstaan zijn, menigvuldige kenmerken der verschillende gouspraken vertoonen, en dit zoo wel door de uitspraak, aangeduid door de spelwyze, als door byzondere woorden en formen waaruit deze namen zijn samengesteld.
De uitspraak der tweeklank ui als enkele, lange u, en der (hollandsche) klank ij als zuivere, lange i is zeer algemeen verspreid en aan nagenoeg alle nederlandsche gouspraken eigen, zoo men de byzonder-hollandsche en brabantsche (met de oost-vlaamsche), en dezen nog niet eens allen, uitzondert. En toch komt juist dit kenmerk, deze byzondere uitspraak, weinig in geslachtsnamen voor; minder dan menig ander byzonder kenmerk, dat toch niet zoo algemeen verspreid is als juist dit. De oorzaak van dit verschijnsel is dat oudtijds en nog algemeen in het begin der 17de eeu, alle Nederlanders, ook de Hollanders en Brabanders, de klanken ui (uy) en ij (dat is de dubbele i) als u en i uitspraken, ook al schreven ze ui of uy en ij. Toen dus de uitspraak dezer klanken in Holland en Brabant verliep tot ui (zelfs oi) en ei (zelfs ai), toen hield men toch in andere nederlandsche gewesten, waar men op zuivere, oude wyze u en i bleef uitspreken, de schrijfwyzen uy of ui, en ij by, in de spelling. Immers had men in die gewesten geen reden om de spelling te veranderen, al was het dat de Hollanders en Brabanders de uitspraak veranderden. De andere Nederlanders toch bleven de zelfden in spelling en uitspraak hunner taal; zy schreven den bekenden geslachtsnaam Buytendijk, voor en na aldus, en bleven dien zeer te recht uitspreken als Butendiik. Dies komt de spelling met enkele of dubbele u, waar de geijkte nederlandsche taal tegenwoordig ui eischt, slechts uiterst weinig in geslachtsnamen voor, niettegenstaande de uitspraak als u zoo algemeen is. My zijn geen andere namen bekend, die deze byzonderheid vertoonen, dan: De Cupere en Kupers, anders De Kuiper en Kuipers; Kluun en Stuut (zie bl. 488), Muus, Hardevuust, Rahusen, Garmhusen, en Uut het Hooghuis ten deele. Ook nog de geslachtsnaam (Mulert) Van de Leemcule. In sommige tongvallen, vooral langs onze oostelike grenzen, spreekt men dit woord kule, kuul uit met de hoogduitsche u, in klank overeenkomende met het fransche ou en ten naasten by met het nederlandsche oe. Die byzondere uitspraak van dit woord heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van de geslachtsnamen Koelstra en Leemkoel, die ook als Lemkuhl en Lehmkuhl voorkomt, en van Savelcouls, als patronymikon van savelcoul, dat is savelkule of zandkuil; zie bl. 256 en 289.
De enkele i werd oudtijds, vooral ook in geslachts- en plaatsnamen, en althans als deze letter lang, gerekt, uitgesproken werd, gewoonlik als y geschreven. In het hedendaagsche geijkte Nederlandsch bestaat er eene schromelike verwarring tusschen die enkele y (geen y-grec, maar een goed-nederduitsche letter, de zoogenoemde steert-i onzer grootouders) en de dubbele i, anders gezeid de ij. De hedendaagsche Nederlanders grootendeels kennen geen onderscheid tusschen deze twee letterteekens. Van daar de algemeen-gevolgde spelling met ij, b. v. in de geslachtsnamen Van Yperen, De Mey, Meynders, Rykens, enz. die meestal met ij (Van IJperen, De Meij) geheel verkeerd worden geschreven, en ten deele ook verkeerd uitgesproken als Van Eiperen, Reikens, in plaats van Van Iperen, Rikens, enz. Ten einde te beletten dat men de y als ij = ei uitspreke, verlengen sommige ontaalkundigen en die geen zuiver gehoor hebben, de enkele i wel met eene e, tot ie. Maar ie = ia is toch een tweeklank, al spreken de Hollanders dien klank tegenwoordig verkeerdelik als eene enkele, lange i uit; dienen = dînen, di-nen. Zoo is men er ook toe gekomen om die eigenlik onredelike ie te schryven in een paar namen die oorspronkelik den enkelen i-klank hebben; enkel maar om de verkeerde uitspraak als hollandsche ij = ei te beletten. Die namen zijn Schriever (de zuivere form Schryver komt ook voor), Kriegsman (Krijgsman), Snieders (Snyders), enz.
De verwisseling van a en e vóor eene r is in alle nederlandsche tongvallen, ja in alle germaansche talen, zeer algemeen. Ster en star, hert en hart, smert en smart, bermhertig en barmhartig zijn reeds van ouds her wisselformen, ook in de schrijftaal. Verder is het neder- en hoogduitsche ver en fern in het Engelsch far, en het nederlandsche sterk in het Hoogduitsch stark, enz. Die verwisseling treffen wy ook in enkele geslachtsnamen aan: Varwer en De Varver nevens Verwer en De Verwer; Stark nevens Sterk; De Starke, en zelfs gerekt De Staercke, nevens De Sterke. Verder Kerremans (de zoon van den karreman, een oorbeeldig brabantsche naam), Garritzen nevens Gerritsen, Karkemeyer, Dannenbargh, enz. En omgekeerd Ligthert nevens Ligthart, De Swert nevens De Swart, Wermenbol (zie bl. 421), enz.
De Temmerman, De Smet en De Smedt met Selversmet vertegenwoordigen de uitspraak van sommige zuid-nederlandsche gouspraken in de woorden timmerman, smid, zilver. Deze geslachtsnamen zijn dan ook in Zuid-Nederland inheemsch. Tegenover deze verheldering van de onvolkomene i tot onvolkomene e staat eene verdoffing tot onvolkomene u, die aan andere gouspraken, in Friesland, Noord-Holland en West-Vlaanderen, eigen is. Deze byzondere uitspraak heeft de volgende geslachtsnamen doen ontstaan: Durksz, in Friesland, nevens Dirks, en nevens Derks in de saksische gouen; Zulver, in Noord-Holland, nevens Zilver (zie bl. 412); Wullems en Wulmkes (zie bl. 109), patronymika van den mansvóórnaam Willem; Van der Wurff nevens Van der Werff; De Rudder, in West-Vlaanderen, elders De Ridder, enz. Het omgekeerde komt ook voor, namelik de verheldering van de doffe u der geijkte nederlandsche taal tot eene onvolkomene i. Te weten in den maagschapsnaam Van de Pitte, nevens Van de Putte. Deze naam is in Zeeland en Vlaanderen inheemsch, en in deze gewesten wordt ook het woord put als pit uitgesproken.
Sommige nederlandsche gouspraken laten eene onvolkomene doffe u hooren in plaats van de geijkt-nederlandsche o in de woorden boter, storm, gestorven, enz. Deze uitspraak heeft de geslachtsnamen Sturm, Butter, Wurkum, enz. doen ontstaan. De beide laatste namen zijn in noordelik Noord-Holland inheemsch, en de eerste vond ik in Zeeland. De geslachtsnaam Wurkum is oorspronkelik de naam van de friesche stad Workum, en hy maakt de weêrga uit van den maagschapsnaam Van Burkum (zie bl. 223). Burkum en Wurkum, zoo kan men nog van ouderwetsche Leeuwarders den naam der stad Workum en dien van het eiland Borkum hooren uitspreken.
Aan eenige nederlandsche gouspraken, bepaaldelik aan de frankische in 't algemeen, aan de hollandsche in het byzonder, is eigen dat men de slot-n der woorden in d'uitspraak achter wege laat. Aan deze uitspraak, welke aan de Nederlanders die van frieschen en saksischen stam zijn, zoo zonderbaar in d'ooren klinkt, danken geslachtsnamen als Tiggeloove (tichel-oven), Jansse, Van Heusde, Van Ake, Van Campe, Van Emde, Minde, Van Vuure (Vuren is de naam van een geldersch dorp), hun ontstaan. De gerekte en lymige uitspraak aan de meeste byzonder-hollandsche gouspraken eigen, vindt men afgebeeld in den geslachtsnaam Van Mouwerik. Deze naam, afgeleid van den gelderschen dorpsnaam Maurik komt ook als Van Mourik voor (omdat de Hollanders in hunne uitspraak ou en au niet onderscheiden); tevens ook in den goeden form als Van Maurik.--Blom, in plaats van bloem, is aan de volkspraak van vele nederlandsche gewesten eigen. Deze form komt voor in de geslachtsnamen Blom, Blommendaal, Van Blommenstein, enz.
In de zuiver-saksische en in de friso-saksische gouen, in de noordoostelike Nederlanden dus, komt in geslachtsnamen zoo wel als in plaatsnamen menigvuldig ol voor, waar het geijkte Nederlandsch ou heeft, overeenkomstig de volksspreektaal in die streken. Zulke geslachtsnamen, in die gewesten oorspronkelik inheemsch, maar die ook elders wel voorkomen, zijn: Boekholt, Eekholt, Nieholt, Niewoldt, Olthoff, Groenewold, Swartwoldt, Ten Wolde, Op 't Holt, De Olde, Oldenboom, Coldewyn, Deurholt, Tinholt, Holvast (zie bl. 468), enz. In de geslachtsnamen Van Oldenaller en Van Ouwenaller, beiden ongetwyfeld aan eenen en den zelfden plaatsnaam ontleend, kan men ook den infloed bemerken van den hollandschen tongval in den laatsten, van den saksischen in den eersten naam. Bovengenoemde geslachtsnamen Boekholt, Eekholt, Groenewold, enz. vinden hunne tegenhangers in de maagschapsnamen Boekhout en Buekenhout, Eechout, Groenewoud, De Oude, Den Ouwen, enz. in andere gewesten inheemsch. Het woord old, oud, verliest in de saksische tongvallen ook wel de d, en wordt dan, hier meer, daar minder gerekt uitgesproken, als ol en ool. Deze form komt voor in de geslachtsnamen Ool-Bekkink (zie bl. 50), Oolbroer (zie bl. 434) en Oljans (zie bl. 171). De tweeklank oe wordt in sommige nederlandsche streekspraken vervangen door eu. Van daar de geslachtsnamen Jongebreur en Bestebreur (zie bl. 434). In andere tongvallen weêr laat men den eu-klank hooren, waar het geijkte Nederlandsch eene o heeft. Deze uitspraak is afgebeeld in de geslachtsnamen Keuning en De Ceuninck, die nevens Koning en De Coninck voorkomen. Verder in Neuteboom nevens Noteboom, in Van der Neut nevens Van der Noot, enz. Het woord molen vooral wordt veelvuldig als meulen uitgesproken. Van daar dat ook in geslachtsnamen meer meulen wordt geschreven en gesproken dan molen. Zoo is allereerst de naam Van der Meulen en Vermeulen veel meer algemeen als Van der Molen, en daar by aan zeer veel verschillende maagschappen eigen. Verder Meulebrouck, Van der Oudermeulen nevens Molenbroek, enz. Deze klank eu wordt, door hoogduitschen infloed, ook wel als ö geschreven, en komt als zoodanig voor in de geslachtsnamen Rörink, Höpink (zie bl. 40), Frankemölle, enz. De zuiver nederlandsche form van dezen laatsten naam, Frankemolen, is aan eene andere maagschap eigen. In de geslachtsnamen Homulle en Kattemulle (zie bl. 314) wordt dit woord molen, meulen, mölen, möle weêr op eene andere wyze geschreven. Deze naam Homulle vertoont wel drie afwykingen, volgens de volksuitspraak, van het geijkte Nederlandsch. Immers behalven den form mulle voor molen, is ook de n achter 't oorspronkelike mullen weg gesleten, en is tevens hoog tot ho afgesleten. Want de volle form van dezen naam is Hoogemolen, welke form ook als geslachtsnaam voorkomt. Hoog tot Ho verkort vinden wy ook in de geslachtsnamen Van den Hoonacker (van den Hoogenakker), Homeyer, (Hoogmeier, in tegenoverstelling van Niermeyer, Niedermeier, Nedermeier) en Van Hoboken. Deze laatste naam is ontleend aan dien van het dorp Hoboken by Antwerpen, en beteekent: hooge beuken. De verwisseling van o en eu neemt men ook waar in den naam der stad Leuven, die door de Zuid-Nederlanders Loven genoemd wordt. Beide formen komen in geslachtsnamen voor; zie bl. 474.