De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 43
Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden: Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer; sûpe, men spreke soepe ongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggen suup; zie bl. 302 en 422. Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302. Nydam, de nieue dam, Nyhoff en andere namen met het friesche ny, nieu, samengesteld. Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform op ke vertoonen, als Beerske, baarsje, enz. Nylan en Oudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpen Nyland en Oude-Boorn, geschreven volgens de eigene friesche uitspraak. Schroor, eigenlik in zuiver friesche spelling skroar, samen getrokken uit het oud-friesche skrodar, kleêrmaker; zie bl. 312. Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woord lîts, dat is: klein. Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), en Bouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer. De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich); Stykel, het friesche woord voor distel; Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui--zie bl. 411; Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlik skrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ook Stind, zie bl. 384. Gorter en Meelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form is moolker. Schoegje, eigenlik skoegje, skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427. Schriemer, eigenlik skriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt, in het Friesch skriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaam Schreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook in Weener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener--zie bl. 212. Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132. Tosch, eigenlik Tosk, is het friesche woord voor tand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in 't oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nog Byker, iemand die byen houdt--zie bl. 186 op den naam Bykersma; Kooiker en Kooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ook Pypker, Tjoelker, Duinker en Duintjer, Blesker en Bilkert (zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is een pypker of pîpker iemand die aan eene pîp (pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. Een Tjoelker is iemand, afkomstig van, of t'huis behoorende in het gehucht De Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. Een Blesker is een man uit het gehucht De Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen als Hoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster (zie bl. 273), Hoogstins en Burenstins, Rollingswier en Noordewier zijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamen Oudeboon, Boonstra en Boonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eene r gesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naam Oudeboon is op de vorige bladzyde reeds verklaard. Boonstra staat in de plaats van Boornstra of Van Boorn; zie bl. 245. En Boonemmer is oorspronkelik Boornemmer of Bornemmer, de emmer waar mede men naar de boorn, born of bron, naar de bornput of welput gaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ook borne, boarne, en bornamers (boornemmers) zijn by alle friesche boeren te vinden.--Het stadje Ylst wordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, als Der Ylst, by samentrekking Drîlst of Drylst (ik gean nei Drîlst), in misspelling Drielst. Van daar de maagschapsnaam Van Drielst, even als Drielsma.
§ 153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over 't algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die op a eindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in 't oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke op sema (in enkele namen verkeerdelik als zema geschreven) uitgaan; b. v. Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In § 49 zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die op stra eindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.
Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen op s, en, ens eindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen op n (en) en ns (ens) eindigende, meer in Groningerland (en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eene gemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder de zuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkele s (es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.
Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika op s, n, en ns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn--al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor--en die aan de groningsche geslachtsnamen in 't algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog: Benes, Brongers (zie bl. 118 en 128), Brons en Bronts (zie bl. 51), [259] enz. Dan, op n eindigende (zie bl. 99): Fekken, Heiken (zie bl. 107), Holken en Hölken, [260] enz. En eindelik, op ns uitgaande--en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen: Addens, Alkens, Deddens, [261] enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.
Hemme, Hemmo is de oud-friesche mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam Hemmes ten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen by Förstemann vermeld, is Hemmo nog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aan Hemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamen Hemminga, Hemminge (in Drente, zie bl. 34); aan het versletene Hemmie (zie bl. 72) in Butjadingerland; aan Hemmingson in Engelland; aan het uitgestorvene Hemmema en aan Hemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillende Hemminga- en Hemmema-staten in Friesland; aan Hemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aan Hemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aan Hemmingen en Hemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aan Hemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.--Tjapkes beteekent: (zoon) van Tjapke of Tjapco, beter Tjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaam Tjabbe (Thiabbo) of Tjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en als Tjepke, Tjepco (Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nog Tjabben en Tjabbens--beiden ook in Groningerland inheemsch; † Thiabbana, Tjebbes en Tjebbens, Tjebken en Tjebkes, Tjepkema, Tjeppema en Tjepma, misschien ook Tjibbes, enz.
Uunkes is, even als Uniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaam Uunke, Uneke, Unico, een verkleinform van Uno of Oene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikon Uninga, met de versletene, nog levende formen Unia in Friesland (zie § 29), Uninge in Drente (zie bl. 34); verder Unink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.
In Holken en Hölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamen Holkema en Van Holkema, Holkes en Holkens vinden wy den mansvóórnaam Holke (Holco), in Friesland in gebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naam Holle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamen Hollinga en Van Hollinga, Hollenga, Hollema en Holma, Holling en Hollen oorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen. Luxen is afkomstig van Luuks, een groningsche form van den bybelschen naam Lucas; zie bl. 180. In Toppen, even als in de geslachtsnamen Toppinga en Topma schuilt de friesche mansvóórnaam Toppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinform Topke, in de naamlijst van Brons nog vermeld wordt.
Adde, Addo is de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaam Addens, zoo ook aan Addinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Adden oorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaam Addena (zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamen Addington en Addisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.
In Dekens zit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaam Deke, die eene samentrekking is van Dedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Dede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en door Förstemann vermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gaven Dede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorvene Dekama, en het nog levende Dekema met Dekena en Deekena, Dekinga en Dekenga, Dekens en Deekens, Deeken, Deking en Deeking, Dekkinga en Dekking, enz.--Wibbe eindelik, waarvan de geslachtsnaam Wibbens een patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaam Wibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform van Wibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkje onder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.
By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgang ker een oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene of andere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem--de klei b. v. in Friesland, het veen, het duin, enz.--en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen: Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook als Bosscher en Busscher in Groningerland voorkomt. Zylker, van het friesche woord sîl, verhollandscht tot zijl (sluis), en Boomker behooren al mede tot deze groep van namen, zoo mede Rasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. De k en de tj zijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, friesch tjerke; karn, friesch tjerne, enz.). Zoo komt ook de k van ker wel als tj voor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaam Woltjer, in het westerlauersche friesch waldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangen ker en tjer in der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamen Tuinker en Tuintjer, Veenker en Veentjer, Duinker en Duintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook als Düntjer en Dünker voor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.
Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreep ker, tjer (jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamen Moesker, kweeker van keukengroenten; Zaatjer, zaadkoopman; Kooltjer, kweeker van koolsoorten; Muirker, van het woord muur, in oud-groningerlandsche spelling muir (zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar; Hoetjer hoedemaker; Glaasker en Glasker, glazemaker; Potjer en Panjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt; Korfker, in Holland mandemaker genoemd, Snitjer en Snitker, een houtsnyder; deze naam komt in Oost-Friesland ook als Snitger voor, en verder op in Duitschland als Schnittger. Verder Kofker (kofschipper), en eindelik nog Bontjer (in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ook Buntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt. Meelker (meelkoopman--in het Friesch moolker genoemd), en Imker, zoo als men (ook ymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van 't oud-friesche woord ima, by.
Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die op huis uitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen: Beekhuis, Berghuis, Bolhuis, [262] enz.
Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn. Wiersum en Hoeksum met Hoexum zijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamen Wiersema en Hoeksema, die in het westerlauersche Friesland als Wiersma en Hoeksma voorkomen, en (zoon) van Wier (Wierd, Wiard), en (zoon) van Hoeke beteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamen Hoeksema en Hoeksma geenszins met het nederlandsche woord hoek te doen hebben (dat wel aan den geslachtsnaam Hoekstra [zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamen Hoekinga en Hoekenga met Hoekema, en de plaatsnamen Hoekaart (Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, en Hoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaam Hoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz vermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaam Houke, die, ook als vrouenaam Houkje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamen Houkema en Houkes oorsprong gaf.
Verder Hoogheem (in Friesland Hooghiemstra en Hooghiemster, zie bl. 481 en 273); Woltil, dat is wold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigen bosch-brug beduidende; Hamster, iemand van het dorp De Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig; Tilbusscher (zie Busscher, Bosker op bl. 486); Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ook Boneschansker, iemand te huis behoorende in de Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. Verder Uuldershof en Aldershoff (Uulder, Uuldrik, Ulrik en Alder, Aldert zijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamen Uuldersma, Uildersma (en Ullersma?), met Aldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. Vervolgens Moltmaker; molt is de friso-saksische form van het hollandsche woord mout, hoogduitsch Malz; zie bl. 184. Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424); Buurke en Schuurke; Koiter en Stoit, in andere gewesten Kuiter en Stuit. Stuit, stuut, stüte, stûte of stoete, stoet is de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in 't algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamen Stuit in Friesland, Stuut in Drente, en Stoete, elders voorkomende, zijn met het groningsche Stoit aan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerland zijn ook eenige geslachtsnamen waar in de u door i verlengd is, en niet door u, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen: Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.
§ 154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen op inge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in § 13 en § 28 reeds uitvoerig besproken zijn.
De geslachtsnamen van Overijssel in 't algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechsel ten, ter en te voor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die op ink eindigen. Die namen, vooral ook d' eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in 't algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral de ink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In § 98 en § 15 en 16 zijn die namen met ten, ter en te beginnende, en die op ink eindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld: Ten Kate en Ten Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa [263]; Addink, Hiddink, Hissink. [264]
Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woord belt zijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor als aschbelt, vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namen bol, bult (ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125), De Bilt en Het Bilt in Utrecht en Friesland, hangt dit woord belt samen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamen van den Belt en Beltman, Kieftenbelt en Kyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, Vossebelt en Zunnebelt. Vooral Kieftenbelt, Meulenbelt en Zunnebelt zijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen; kieft, meulen en zunne zijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naam Vossebelt komt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.
Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d'andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.