De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 42
Zie hier een lijstje van de imperativische namen, die nog heden in de Nederlanden als geslachtsnamen voorkomen: Makeblyde (maak blyde, vroolik), Breekpot, ook in de formen Breecpot, Breckpot en Brecpot voorkomende, Stavast, Zitvast en Hautvast, dat is: houd vast, in zuid-brabantschen en limburgschen form; de naam is dan ook in Limburg inheemsch. Tevens in Groningerland, als Holvast (hold vast), volgens het taaleigen van dat gewest. Verder Halover (haal over), Kiekepoos (kiik eene poos, kijk een oogenblik), Schuddeboom en Schuddebeurs, Grijptenduit en Zuipetuit, boven reeds vermeld; Schepop, Scheiuit, Leguit en Loopuyt, Houtrouw (houd troue, wees getrou), Schafraad en de tegenhanger van dezen naam Raadgep, dat is eene verbastering van den hoogduitschen form Rathgeb, welke ook in Nederland voorkomt, en raad geef, anders gezeid: geef raad, (ver)schaf raad beteekent. Dan nog Vliegop, Plukhooy, Schenkbier, Snydewind, Leeflang, Snydoodt en Sladoot, Schuddemat, Bytebier en Slokkenbier (bijt het bier en sluk het bier), Scheurleer, Smytegelt (smijt het geld), Stortenbeeker en Sturtewaegen. De beide laatst genoemde namen, die men zeer wel als imperativen, stort den beker (om), en stort den wagen (om) kan verklaren, kunnen evenwel oorspronkelik ook de namen zijn van eene byzondere soort van beker en van wagen, en misschien by wege van huisnamen tot geslachtsnamen geworden. Immers vinden wy onder het drinkgetuich onzer voorouders byzondere bekers, waaruit iemand die »het loopje" daarvan niet en kende, niet drinken kon zonder te »storten", onder den naam »stortebekers" genoemd. En een »stortewagen" zal wel de naam zijn van eenen byzonderen wagen of kar, dien men, door eene eigenaardige inrichting, kan laten wippen of kippen, zoo dat zijn inhoud uitgestort wordt, gelijk onze boeren wel by 't vervoer van eerde, mest, enz. gebruiken. Treur en Treurniet, Kreukniet (ver)kreuk(el) niet--, Wijkniet en Lachniet, Keereweer, Koopal en Maakal, zijn nog imperativische namen wier beteekenis duidelik is. Keerwolf kan als keer den wolf worden geduid, maar het kan ook een oud-germaansche mansvóórnaam zijn; immers Kjerulf vinden we als zoodanig in Skandinavien. Bütefür is een nederduitsche (platduitsche) form, en wil zeggen: zet het vuur aan. Vuur aanboeten, vuur aanbüten wordt nog door het volk in onze noordoostelike gewesten gezegd. De Franschen hebben dit oud-germaansche woord ook nog in hunne taal. Het fransche woord boute-feu, zoo als men (te 's Gravenhage! liefst) den man noemt, die belast is met het vuur aanzetten of vuur aanboeten, bediedt in alle opzichten het zelfde als deze nederduitsche geslachtsnaam Bütefür; zie bl. 460.
Twee van de imperativische geslachtsnamen, ja drie, zijn zelfs uit kleinere volzinnen samengesteld. Het zijn Kijk-in-de-Vegt en Kom-te-Bed met het vragende Sijn-je-wel (zie je wel?), zie bl. 449. Kijk-in-de-Vegt is oorspronkelik waarschijnlik een huisnaam, aan zulk een huis eigen, waar men uit de vensters in de rivier de Vecht kon kyken. Zekerlik wel in de overijsselsche Vecht, en niet in de hollandsche; want de geslachtsnaam Kijk-in-de-Vegt is in Overijssel inheemsch. Dergelyke namen zijn meer door de volksgeestigheid gegeven aan huizen, burchten, schansen, enz., van waar men in of naar eene andere plaats kon zien. De oorsprong van het zonderlinge Kom-te-Bed is denkelik wel in eenen uit scherts gegevenen bynaam te zoeken.--De kwist- en spaarnamen, op bl. 454 vermeld, kan men ook tot de imperativische geslachtsnamen rekenen.
IV.
GESLACHTSNAMEN VOLGENS HUNNE AARDRIJKSKUNDIGE VERDEELING.
§ 151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: de nederlandsche geslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan de vreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.
Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:
A. DE NOORD- EN DE ZUID-NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN.
Oorspronkelik en von Haus aus, om met de Hoogduitschers te spreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers de schrijftaal is de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen--noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.
Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,--in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16de eeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in 't algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. In De Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en die dan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten: De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van Zoetendaal en De Haan. Eveneens in Van den Driessche (en het versletene Van den Dries), Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D'Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden in Van den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, Kleermaker of Snyder, De Looyer, enz.
Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken--maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16de eeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15de en 16de eeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het gros der bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18de eeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16de eeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van het onwezenlike onderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.
Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd: Van Eerdewegh en Van den Eertweg (Van den Aardweg), Vermeire (Vermeere, Vermeeren en Van der Meer), Keersmaekers, [256] enz.
Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ook Mispelters, Notelteirs, D'Haseleire, enz. En eveneens D'Haeiere en Coorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoord haaien (haeyen) voorkomt, in de beteekenis van halen, ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegen Kerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewesten de haaier, in oude spelwyze d'haeyere. [257] Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naam D'Haeiere.
De wikken, verschillende soorten van planten uit het geslacht Ervum, en die wel, vooral Ervum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam van vitsen, vitse--door de verwisseling van k en ts, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt: kerk = tsjerke, karn = tsjerne, enz. De wikke of vitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemde E. tetraspermum, noemt men dus de koornvitse of korenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch tot coirvèse verbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, tot Coorevitse geworden.
Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen op ynck, inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, op a eindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechts Bockma en Dykstra te Brussel, slechts Sinia te Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierin te zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering--verbetering--in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamen Joenkema en Jariga voerde, en die in het begin der 16de eeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabant die aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundige Rembert) het verlatynschte patronymikon Dodonaeus (dat is Doedes) aan. [258] Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16de eeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by 't schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaam Van den Eertwegh heden ten dage te Haarlem voor als Van den Aardweg; de oud-vlaamsche naam Tydgaet eveneens te Haarlem als Tijdgaat. Verder De Rynck en Van der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland als De Ring en Van der Goot, enz.
Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16de en 17de eeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namen Tijdgaat en Van den Aardweg vinden wy als zoodanig te Haarlem: Smissaert (ook in Vlaanderen), Kokkelkoorn (in Vlaanderen Kokelkoorn), Strybos (ook te Antwerpen), Malefijt (als Malefeyt en Maelfeyt ook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland), Verkruysen (als Vercruysse in Vlaanderen niet zeldzaam), Wijkhuizen (in Vlaanderen Wyckhuyse), De Laat (in Vlaanderen De Laet), De Breuk (te Brugge De Breuck), Ego (ook te Kortrijk), Rybrouk (als Rybrouck, ook als Reybroeck en Van Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch); Lodder (te Haarlem) en De Loddere (te Kortrijk), Van der Elst (te Brussel zeer algemeen), Van der Smissen (ook te Brussel), Proot (te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen), Muylaert (in de zuidelike gewesten niet zeldzaam), Overbeek (Van Overbeke in Vlaanderen), De Hoog (D'Hooghe in Vlaanderen), Hazevoet (Haesevoet in Vlaanderen), Steenkist (Van de Steenkiste in Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het Noorden De Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenover De Rynck, Van der Ghote met het saamgetrokkene Vergote, Van der Plaetse en het saamgetrokkene Verplaetse en Corthals in het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.
B. DE GESLACHTSNAMEN DER VERSCHILLENDE NEDERLANDSCHE GEWESTEN.
§ 152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen--Friesen, Saksen, Franken--die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d' oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.
Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang op a, in verschillende formen: a, inga, ma, sma, stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat--dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie § 22-27, 29, 44-51, 71, 91, 93 en 101-104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,--terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.
Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan op s, sz, n, ns (es, esz, en, ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens. Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformen van de byzonder-friesche mansvóórnamen Sikke (Sicco), Doede (Dodo), Meine, Ate, Been (Beernd? Bernard?), Fekke, Feike (Feico), Boelke (verkleinform van Boele), Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.