De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 41

Chapter 413,689 wordsPublic domain

Half aan misverstand, half aan eene uiting van speelsch vernuft heeft de naam Olivijf, in Friesland inheemsch, zijn bestaan te danken. In sommige nederlandsche maagschappen is de mansvóórnaam Olivier in gebruik. Deze naam, die vroeger minder zeldzaam was als heden ten dage, en die ook aan de geslachtsnamen Olivierse en Olleviers oorsprong gegeven heeft, is waarschijnlik wel uit Frankrijk of uit Engelland (ten tyde van Olivier Cromwel?) by ons ingeburgerd. Is Olivier niet eene verwaalsching van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulfhari, Olfer? Een oude naam, die by ons nog voortleeft in de geslachtsnamen Olfers, Olfersma en Ulffers. Als een tegenhanger van dezen naam Olivier, nog heden in Friesland ook als geslachtsnaam voorkomende, liet iemand die geen eigen geslachtsnaam nog had, zich in 1811 als Olivijf in de boeken van den burgerliken stand inschryven. »Heet Gy Olivier?" zoo vroeg hy aan den man die even vóór hem zich onder dien naam, die reeds lang de vaste geslachtsnaam was van zyne maagschap, had laten inschryven--»heet Gy Olivier?--Wel! dan wil ik Olivijf heeten!" En men moest den man, met deze zyne goedkoope woordspeling, zynen zin geven. Ik meen dat dit voorval te Sneek heeft plaats gegrepen. [245]

Te Leeuwarden komt de geslachtsnaam Zeekats voor. En dezen naam zoude men, even als Kievits, Snoeks, enz., op bl. 188 vermeld, kunnen houden voor eenen oneigenliken vadersnaam, voor eenen tweeden naamval van den geslachtsnaam Zeekat, die my in Holland voorgekomen is. Of ook, men zoude gevoegelik kunnen aannemen dat Zeekats eene halve verdietsching ware van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Seekatze. Maar dit is zoo niet. Het eene zoo min als het andere. Ook deze naam Zeekats heeft eenen zonderlingen oorsprong, op de wyze als de voorgaande naam. In het begin dezer eeu namelik leefde er te Leeuwarden een gering man, die geen geslachtsnaam had, even als zoo velen van zynen stand in die plaats en in die dagen. 'S mans vóórnaam begon met de letter C; denkelik heette hy dus Cornelis of Christiaan. Even als ieder ander Nederlander, moest onze man in 1811 ten raadhuize van zyne woonplaats zich onder eenen vasten geslachtsnaam inschryven laten. Hy ging daartoe dan ook naar het stadhuis; maar hy kwam daar geheel onbeslagen ten ijs, want hy had zich nog geen geslachtsnaam uitgedacht. Hy nam de geheele zaak trouens zeer luchtig op, zoo als velen zyner tijdgenooten. Zoo kwam hy »voor de heeren." Een van die heeren, die P. Cats heette, zeggen wy b. v. P(ieter) of P(aulus) Cats, en die in de wandeling, ter onderscheiding van anderen, welke den zelfden geslachtsnaam voerden (zoo als dit nu ook nog wel gebruikelik is) gewoonlik P. Cats (Pee-Cats) genoemd werd, vroeg onzen man: »Wel, Kees! wat fan nimstou an?" (Wel, Cornelis! welken geslachtsnaam neemt Gy aan?)

Kees. »Ik weet it ferdomd niet, koopman!"

De heer C. »Ja, mar dou muste nou doch 'n fan angeve,--»dat helpt niet!"

Kees. »Hoe hiete jou dan, koopman?"

De heer C. »Wel! P. Cats."

Kees. »Nou, skriif my dan mar op foor C. Cats!"

De heer Cats had daar misschien nog al wat op tegen, en de schryver of de ambtenaar van den burgerliken stand ook. Maar er was niet aan te doen--Kees bleef op zijn stuk staan. Natuurlik, hoe meer »de heeren" zich daar tegen verzetten, hoe meer pret Kees in het geval kreeg. En zoo kreeg de man ten slotte zynen zin. De schryver kon den zonderlingen geslachtsnaam C. Cats wel niet anders te boek stellen dan als Seecats of als Zeekats. En zóó geschiedde het. Aldus werd Cornelis Zeekats de stamvader van dit nog te Leeuwarden bestaande geslacht. [246]

Raad eens, lezer! wat beteekent de geslachtsnaam Roosenik? Iemand uwer zal misschien gissen dat de i uit e bedorven is, dat het eigenlik Roosenek of Roseneck zal moeten wezen, en zynen atlas opslaan om by eene bocht van den Rijn of eene andere rivier van Duitschland te zoeken naar eene plaats die zoo heet. Een ander zal, op den uitgang lettende, vermoeden dat het een poolsche of hongaarsche naam is. Alles mis. Ik zal het u vertellen. In 1811 was er onder de velen die nog geenen geslachtsnaam hadden en er daarom eenen moesten kiezen, iemand die deze gelegenheid wilde waarnemen, om den naam van zyne lieve vrou te vereenigen. Zy heette Roosje. Maar daar hy begreep dat in den geslachtsnaam, dien zy beide van nu af aan dragen zouden, beide ook moesten vermeld worden, noemde hy zich Roos en ik. Zoo is de naam Roosenik ontstaan. 't Was eene onschuldige aardigheid, waar wy vrede meê zouden hebben, ware 't niet dat men met zulke aardigheden van anderen wel eens wat nutteloos hoofdbreken vergt. [247]

Hartsuyker is een geslachtsnaam, die iedereen aan de woorden hard en suiker, aan een hard klontje suiker zal doen denken. En toch is de oorsprong en de beteekenis van dezen naam een geheel andere. Hartsuyker is namelik eene quasi-verhollandsching van den oorspronkeliken form, waaronder deze naam reeds oudtijds voorkwam; te weten van Hartsoeker. Ook nog heden is deze naam, in laatstgenoemden zuiveren form, aan eene byzondere maagschap eigen. In de noordoostelike Nederlanden, ik meen in Drente, is de form Hartsuyker ontstaan. Daar wordt, in de friesche en friso-saksische gouspraken, het woord suiker als sûker (met hoogduitsche u, dus ongeveer als soeker), en ook wel als süker uitgesproken. Men schijnt gemeend te hebben dat in den geslachtsnaam Hartsoeker dit woord soeker, sûker voorkwam, en verhollandschte dien naam dus, in geschrifte, tot Hartsuyker, al bleef men des niet te min steeds Hartsoeker uitspreken. De geslachtsnaam Hartsuyker is nog heden in de noordoostelike Nederlanden inheemsch, evenals de oorspronkelike form Hartsoeker in Holland. Wat nu echter de beteekenis van dit woord hartsoeker (hart- of hardzoeker?) is, moet ik bekennen niet te weten. Is het misschien de naam van een oud wapentuich? van eenen hart-zoeker, of harts-vanger?

Viergever en Fürbringer zijn nog twee geslachtsnamen, die ik te zamen vermelde, omdat in beiden het woord vuur (vier, für) voorkomt, en de beteekenis van beiden niet veel onderscheid oplevert. Hoe deze namen ontstaan zijn, kan ik niet verklaren. Zijn vuurgever en vuurbrenger misschien oude benamingen van eenen man, belast met het aanleggen, het aanmaken of aanboeten van vuur? Zie op bl. 469 den geslachtsnaam Bütefür.

Smakelooze, ja, zeer leelike geslachtsnamen, een last voor wie ze moeten dragen, zijn Paardebek en Paardehaar, Kalfsvel en Kattestaart. Aan duidelikheid van beteekenis laten deze namen niets te wenschen over. Maar hoe deze en gene man er toe gekomen is, zulk eenen naam als zynen geslachtsnaam te aanveerden, is minder duidelik.

Minder ergerlik dan de voorgaande namen, ofschoon dan altijd nog leelik genoeg, zijn de geslachtsnamen Vogelpoot, Arenspoot, Beerepoot, Tot den Berenclauw, enz. Het schijnt dat oorzaken van heraldischen aard (byzondere figuren op geslachtswapenschilden voorkomende) aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan dezer namen. Als zoodanig zijn zy dan ook reeds op bl. 364 door my vermeld, even als de geslachtsnamen Iserbyt en Minnebo, die ook tot de zonderlinge namen gerekend worden moeten, reeds op bl. 346 en 317 genoemd zijn. Aangaande den zonderlingen geslachtsnaam Met den Ancxt verwijs ik naar bl. 256.

Boerendans is zekerlik ook al een zonderlinge geslachtsnaam. Een gehucht Boerendans ligt er by het overijsselsche dorp Batmen. De geslachtsnaam zal wel aan den plaatsnaam ontleend zijn. Maar hoe komt dan nog die plaats aan zulken dwazen naam? Is het de naam geweest van eene herberg waar de boeren wel kwamen dansen? Te Brugge toch draagt nog heden eene herberg dezen naam. Of stond daar »De Boerendans" op een uithangbord afgebeeld, gelijk elders wel »De Kalverendans" en »De Apendans"?

Duyvendak. Beteekent deze maagschapsnaam een huis, kenbaar aan de vele duiven die er in den regel op het dak zitten--het huis dus van eenen duive-liefhebber? En is deze naam dan van het huis op den bewoner overgegaan?

Deze opsomming van zeer byzondere en zonderlinge geslachtsnamen zoude te recht onvolledig genoemd worden, ware 't dat de naam Duivenbode daar by niet genoemd en werd. Deze naam, die ook als Duyvenbode en Duyvenboode, en zelfs als Van Duivenbode en Van Duyvenbooden voorkomt (ook in samenstellingen: Van Leeuwen van Duyvenbode, Van Renesse van Duivenbode, Van Duivenbode Varkevisser)--deze naam heeft eenen merkweerdigen, geschiedkundigen oorsprong. Immers in de bange dagen van Leidens vermaard beleg door de Spanjaarden ten jare 1574, maakten drie burgers dier zoo zwaar benarde maar ook zoo roemrijk verdedigde veste zich zeer verdienstelik door hunne duiven, die tydingen van het leger dat tot ontzet van Leiden opdaagde, aan de haast vertwyfelende burgery binnen de wallen brachten. Die drie mannen waren drie broeders en heetten Ulrik, Willem en Jan Cornelisz. Niettegenstaande er, tegen het einde van het beleg nagenoeg geene spyze meer in de stad was, en niettegenstaande de drie gebroeders ongetwyfeld ook honger leedden, zoo lieten zy toch hunne duiven in leven, en maakten er, tot troost hunner benaude stadgenooten, zoo schoon gebruik van. Ter belooning van, en in herinnering aan deze vaderlandslievende daad, verleende het stedelik bestuur van Leiden in 1578 aan Willem Cornelisz, waarschijnlik ook aan Ulrik en Jan, de vergunning, met recht van overgang op zyne nakomelingen, om voortaan den naam Duivenbode als geslachtsnaam te voeren. Het geslacht dat Willem Cornelisz Duivenbode tot stamvader had, is, volgens het gene Pars in zyne Katwijksche Oudheden mededeelt, thans sinds meer dan anderhalve eeu uitgestorven. Hoochst waarschijnlik stammen dus de maagschappen die thans den naam Duivenbode in de verschillende boven vermelde formen dragen, af van Ulrik en van Jan.--Ter herinnering aan deze vermaarde duiven, die als liefelike en gezegende boden zoo zoete troost en hoop brachten binnen de belegerde en uitgehongerde stad, leest men nog in het huis waar Willem Cornelisz gewoond heeft, op het Rapenburg te Leiden, onder het eigenaardige wapenschild dat aan hem verleend werd, dit min of meer onduidelik kreupelrijm:

Dat God gewrocht Die va Duiveboode, Doe God tot Boden Duiven schikte, Ontzet voor Leydens Stad aanblikte. [248]

Elenbaas. Deze geslachtsnaam is my langen tijd onverklaarbaar gebleven, tot dat ik in Oudemans' Bijdrage tot een Middel- en Oud-nederlandsch Woordenboek vond dat »elenbaas" een oud-hollandsch woord is, het welk nog in de geschriften van den oud-amsterdamschen blyspeldichter Bredero (1585-1618) als een vleiwoordeken voorkomt, in de beduidenis van »brave borst, knappe baas, nobele kerel, beste vriend." Het is eene inkrimping van den vollen form edele baas, even als men oudtijds ook sprak van »eleman" en »elegeest" voor edele man of edelman, edele geest, enz.

Een zonderling voorkomen heeft ook de maagschapsnaam Doodkorte. Ik heb echter goede redenen om met groote waarschijnlikheid te durven beweren dat deze naam Doodkorte eene misspelling, en dat de oorspronkelike form van dezen naam Doodkotte is. Hy zoude dan met Exterkotte, Haverkotte en anderen tot de kotte-namen behooren; zie bl. 266. De naam Exterkotte is my ook wel eens, by misspelling, als Exterkorte voorgekomen, en op deze misspelling grondde E. Laurillard [249] zyne bewering dat deze naam zoude beduiden: de extra korte, de byzonder, buitengewoon korte of kleine man.

Vier zonderlinge geslachtsnamen zijn my bekend, allen in de zuidelike gewesten inheemsch, en waar van er twee goed-latynsche en twee quasi-latynsche formen vertoonen. Oculorum en Sanctorum zijn maagschapsnamen van zuiver-latynschen, Springorum, met Stekelorum en Stikkelorum van nagebootst-latynschen form. Wat aanleiding kan gegeven hebben tot het ontstaan dezer in der daad zonderlinge, ja, wat de drie laatsten aangaat, onzinnige namen, is my onbekend gebleven. Eenen latynschen form vertoont ook nog de geslachtsnaam Ego (het latynsche woord voor »ik"), die reeds van oude, zestiende-eeusche dagteekening schijnt te zijn; zie § 151.

Als tegenhangers van deze vijf of zes zonderlinge namen noem ik hier nog de maagschapsnamen Oremus (laat ons bidden!) en Amen. Ongepaste en dwaze scherts is misschien wel de oorzaak van het ontstaan dezer namen. De geslachtsnamen Genesis en Leviticus, eigenlik de namen van het eerste en derde bybelboek, mogen hier ook genoemd worden.

Wat den geslachtsnaam Amen betreft, deze zoude nog kunnen geduid worden als een vadersnaam, op de wyze der namen in § 40 behandeld, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ame, die door Förstemann wordt vermeld, en die nu en dan nog by de Friesen in gebruik is, gelijk hy dan ook in Leendertz's naamlijst als Ame voorkomt. De geslachtsnaam † Amama is een byzonder-friesch patronymikon, en Amesz een nieu patronymikon van dezen mansvóórnaam, die ook deel uitmaakt van den aardrijkskundigen geslachtsnaam Ameshoff, het hof, de hoeve, van Ame. Nau verwant met dezen naam Ame (misschien oorspronkelik wel een en de zelfde naam) is de oud-germaansche, ook heden ten dage nog friesche mansvóórnaam Ammo, Amme, waarvan de geslachtsnamen Ammema, Amming, Ammen en Amshoff afkomstig zijn.

Moet al de oorsprong der bovengenoemde latynsche en quasi-latynsche namen duister worden geacht, geenszins duister voor den ingewyde zijn de volgende geslachtsnamen. Namelik wat de omstandigheid betreft, die aanleiding gaf tot hun ontstaan, en wat de wyze aangaat, waarop zy geformd zijn. En echter, ieder oningewyde zal my moeten toegeven dat de geslachtsnamen Snitsevorg, Rhemrev, Ednenov, Kijdsmeir, Reeb niet slechts een hoochst zonderling, maar tevens een alles behalven nederlandsch voorkomen vertoonen. Het zijn eenvoudig omgekeerde namen, namen die achterste-voor zijn gezet, namen waarvan de laatste letter het eerst geschreven staat, en zoo vervolgens in geregelde verplaatsing, tot de eerste letter van den oorspronkeliken de laatste letter van den omgezetten naam geworden is. Snitsevorg is dus anders niet als eene omzetting, van achteren naar voren, van den geslachtsnaam (Van) Grovestins, even als Kijdsmeir van Riemsdijk, Reeb van Beer, Rhemrev van Vermehr en Ednenov van Von Ende. Deze zonderlinge geslachtsnamen zijn ontstaan onder de Europeërs in de nederlandsche oost-indische bezittingen, en zijn door de vaders gegeven aan hunne zoogenoemde natuurlike kinderen, die zy buiten wettig huwelik, by inlandsche vrouen hadden verwekt. [250] Op zulk eene wyze is eveneens de geslachtsnaam Vodegel in Oost-Indie ontstaan. By de forming echter van dezen geslachtsnaam heeft men niet alle letters van den oorspronkeliken vadersnaam omgezet. Integendeel, men heeft de eerste lettergreep van dien oorspronkeliken naam--te weten De Vogel--eenvoudig tusschen de tweede en derde lettergreep geplaatst, en er Vodegel van gemaakt.

De geslachtsnamen Efdee en Erbee kunnen evenmin als de voorgaanden verklaard worden, tenzy men hunnen oorsprong kenne. En deze oorsprong is niet minder zonderling. Deze geslachtsnamen toch zijn oorspronkelik anders niet als de enkele letters F. D. en R. B. Iemand die b. v. Frederik heette, en die geen vasten geslachtsnaam had, maar zich Frederik Dirkszoon noemde, of by inkorting, Frederik Dirks, omdat zijn vader den voornaam Dirk droeg, heeft zich in 1811 dezen naam toegelegd, naar de eerste letters van zynen naam en van zijn patronymikon F(rederik) D(irks). Of misschien ook Feike Douwes of Foppe Doedes; want deze zonderlinge naam is in Friesland ontstaan--ik meen te Sneek. En zoo is het ook met Erbee, dat is R. B., R(obert) B(arends) of R(inse) B(erends). De enkele letters F. D. en R. B. kon men toch niet als geslachtsnamen voeren. Zoo maakte men daar Efdee en Erbee van.

Nog een paar enkele letters zijn my als geslachtsnamen voorgekomen; te weten Aa en O. Om de wille der byzonderheid vermeld ik hier deze namen, waarvan ik de eerste te Amsterdam, de tweede te Brussel vond. Of nu de geslachtsnaam O werkelik tot de oorspronkelik nederlandsche behoort, dan wel of hy van vreemden (waalschen?) oorsprong is, en wat of de beteekenis van deze twee namen is, ook wat aanleiding gaf tot hun ontstaan--dit alles is my onbekend gebleven. Ik meen echter dat by den geslachtsnaam Aa niet gedacht moet worden aan het oud-nederlandsche woord a of aa, water, dat in de geslachtsnamen Van der Aa en Traa voorkomt, en op bl. 216 en 281 reeds besproken is.

§ 149. Was by het grootste getal der bovengenoemde zonderlinge namen nog eene verklaring mogelik, en kon de oorsprong by velen worden aangegeven, dit is niet het geval by de volgende namen, welke ik eveneens tot de zonderlinge namen reken, maar die ik niet verklaren kan. Ik verdeel dezen nog weer in twee groepen, welke my wel beiden even onverklaarbaar zijn, maar waarvan de namen, die de eerste groep samenstellen, toch uit duidelik nederlandsche woorden en letterverbindingen zijn geformd. Maar de namen van de tweede groep vertoonen buitendien nog een vreemd voorkomen. Zy zijn oogenschijnlik van vreemden oorsprong.

Als voorbeelden van geslachtsnamen, die ik tot deze eerste ondergroep brenge, noem ik Hoenderdos, Regenplomp, Missoorten. Laatstgenoemde naam, in de zuidoostelike gewesten, meest in zuid- en noord-nederlandsch Limburg verspreid, komt daar ook in de eenigszins afwykende formen Missooten en Missotten voor. De verschillende woorden of lettergrepen waaruit de bovengenoemde namen zijn samengesteld, zijn op zich zelven genomen wel nederlandsche woorden en nederlandsche lettergrepen (regen en plomp, dos en soorten, hoenders en mis), maar in hunne samenstelling tot éénen naam formen zy geene redelike woorden noch namen. Zy brengen anders niet als onzin te weeg. En dit is eveneens het geval met de geslachtsnamen Eigenraam en Diepraam, Vuylsteke, enz. [251]

Als voorbeelden van geslachtsnamen die by hunne zonderlingheid en onverklaarbaarheid (voor my althans), ook nog een vreemd, onnederlandsch voorkomen vertoonen, noem ik hier Pabbruwe, Vizjevène, Leffef, enz. [252] Met deze namen weet ik weinig of niets aan te vangen. Kan Vizjevène samenhangen met de maagschapsnamen Vizevene, Vigeveno en Vigevano? En zijn alle vier deze namen slechts afwykende spellingen van eenen en den zelfden geslachtsnaam? In allen gevalle hebben wy hier toch met namen van vreemden oorsprong te doen. Zy behooren allen (?) of ten deele (?) aan joodsche (portugeesche of spaansche (?)) geslachten.--In geschriften van de vorige eeu is my de geslachtsnaam Padbrué, ook als Padbruhe geschreven, voorgekomen. Dat dit de zelfde naam is als het hedendaagsche Pabbruwe is wel waarschijnlik. De verklaring van dezen naam echter wordt my daar nog niet duideliker.

Velen van de laatstgenoemde geslachtsnamen zullen wel van buitenlandschen oorsprong zijn, en hebben misschien, in Nederland overgeplant, door verbasterde nederlandsche spelwyze, eerst hun zonderling voorkomen verkregen. Zoo is de geslachtsnaam Harrebomee, die te Haarlem inheemsch is, waarschijnlik de zelfde als de geslachtsnaam Herbomez of D'Herbomez, die in noordelik Frankrijk, in de fransch-vlaamsche gewesten oorspronkelik inheemsch is. [253] Dit vermoeden verkrijgt te meer waarschijnlikheid, omdat de haarlemsche maagschap Harrebomee oorspronkelik tot het menniste of doopsgezinde kerkgenootschap behoort, en omdat juist vele Doopsgezinden uit de vlaamsche gewesten van Zuid-Nederland en Noord-Frankrijk verdreven, in vorige eeuen te Haarlem zich neder zetten, daar bescherming, althans vryheid van godsdienst vonden, en er eene byzondere gemeente van Vlaamsche Mennisten formden. Voor hem, die deze byzonderheden niet kent, moet de naam Harrebomee volkomen onverklaarbaar zijn.

En zoo is het ook met den geslachtsnaam Rotteveel, die in Holland niet zeldzaam is. Blykens het wapenschild dat door een der leden van dit geslacht, misschien ook door meerdere leden daarvan, misschien door allen gevoerd wordt, en dat, als een sprekend wapen, de afbeeldingen vertoont van eene veêl, vedel, viool, en van rotten, ratten, schijnt men te denken dat de oorsprong van dien naam Rotteveel te zoeken zy in de namen van die dieren en van dat toontuich. Maar dit is eene dwaling. De naam Rotteveel is eene halve verdietsching van den hoogduitschen geslachtsnaam Rothenfeer, door niet ongewone omzetting der verwante letters r en l. En dit Rothenfeer is eene samentrekking van Rothenfeder, oorspronkelik een bynaam, denkelik wel gegeven aan iemand die gewoonlik eene roode veêr droeg (misschien als sieraad op zynen hoed?) en die bekend was wegens deze byzonderheid.--De geslachtsnaam Geiregat zoude oorspronkelik de naam van eene straat kunnen zijn die een »geirend, geerend, gierend" verloop had, als b. v. de Gierstraat te Haarlem; gat zoude hier ingang van eene straat kunnen beduiden, gelijk b. v. de benaming »het Gat van de Houtstraat" te Haarlem bewijst. Dezen naam »gat" vind ik ook in de geslachtsnamen Ten Rodengate, Van den Noortgate, en misschien ook in Moortgat; de twee laatsten zijn in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Echter niet in Tytgat; zie bl. 456.--Onder de namen, my ten eenen male onverklaarbaar, zijn er ongetwyfeld velen, die aan vreemde talen oorspronkelik eigen zijn; Plutschouw b. v. en Hoyack met Schuak hebben een slavisch voorkomen; Lasones en Pollones met Vizjevène en Vigevano een romaansch.

O. IMPERATIVISCHE GESLACHTSNAMEN.

§ 150. Eenige byzondere nederlandsche geslachtsnamen vat ik te zamen tot eene groep, waaraan ik, in navolging der Duitschers, die over dit onderwerp schreven, den naam geef van »Imperativische geslachtsnamen." Tot de »Zonderlinge geslachtsnamen" (zie de voorgaande afdeeling) moeten deze namen zekerlik ook gebracht worden, al behooren zy dan grootendeels geenszins tot de onverklaarbare namen. Het eigenaardige dezer namen bestaat hierin dat zy uit de gebiedende wijs van eenig werkwoord bestaan, veelal met toevoeging van een zelfstandig naamwoord of een bywoord. Of zelfs dat zy, met andere woorden te zamen, eenen geheelen kleinen volzin formen. B. v. Stavast (sta vast), Lachniet (lach niet), Kijk in de Vegt, enz. De oorsprong dezer zonderlinge, ten deele zelfs vermakelike namen is wel meest hierin te zoeken, dat zy oorspronkelik bynamen, half en half scheldwoorden geweest zijn, door de volks-geestigheid bedacht en toebedeeld aan dezen of genen, die door zijn gedrag, door byzondere eigenaardigheden in zijn doen en laten of in zyne inborst, aanleiding gaf den eenen of den anderen van deze namen op zich toe te passen. Een gierigaard b. v., tuk op een gering muntstuk, kreeg al licht in scherts den bynaam van Geert Grijp-den-duit, en die oorspronkelike scheldnaam is nog heden, in form een weinig versleten, als de geslachtsnaam Grijptenduit in gebruik. Eenen dronkaard, die geen wijn, bier of sterke drank kon laten staan, maar alles »uitzoop", noemde de geestige volksmond al spoedig Symen Suip-het-uit, en ook deze scheldnaam is tot den dag van heden in stand gebleven, als de geslachtsnaam Zuipetuit.

Velen van deze geslachtsnamen zijn reeds van oude dagteekening, 't welk ten deele ook blijkt uit de versletene formen die deze namen thans vertoonen. In de middeleeusche naamlijsten van poorters in de nederlandsche steden, en in andere oorkonden uit die jaren, komen zulke imperativische toenamen geenszins zeldzaam voor. Zoo vinden wy te Amsterdam eenen burger die den naam draagt van Jonge-Jan Doet-er-niet-toe [254], en te Leiden, omstreeks den jare 1400, eenen koopman die Jan Blijf-hier heet. De man voldeed niet aan het bevel dat in zynen toenaam opgesloten was. Immers hy bleef niet te Leiden, maar vertrok naar het land van Schonen in Zweden, waar hy stierf. [255] De namen Schiettekatte en Garegoed kan men ook tot de imperativische brengen, en dat deze namen eveneens reeds van oude dagteekening zijn, vindt men op bl. 454 vermeld.