De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 40
Eene derde onderafdeeling van deze byzondere groep van geslachtsnamen omvat zulke namen die uit woorden bestaan, welke zaken van meer onverschilligen aard, niet bepaaldelik goeden of slechten, aanduiden. Hier toe breng ik de volgenden: Abuys, Dienst, De Geest (zie bl. 247), enz. [243] Den maagschapsnaam De Maere, met De Mare en Demaar, houd ik oorspronkelik voor het woord mare, in de beteekenis van tyding, bericht. Het voorkomen van de geslachtsnamen Goemaere (goede tyding) en Boussemaere (booze, kwade tyding), versterkt dit vermoeden. Deze drie geslachtsnamen zijn in de zuidelike Nederlanden, in Vlaanderen en Zuid-Brabant inheemsch; dit verklaart de zonderlinge spelling waarin zy voorkomen, en die hen haast onkenbaar maakt. Het zoude echter ook kunnen zijn dat in den naam Goemaere een mansvóórnaam school. Immers de naam van St-Gummarus, een Heilige der Roomsche kerk, patroon der stad Lier, komt in het Vlaamsch wel voor als St-Goemaar. Onder den form Gomarus is deze naam in de noordelike gewesten als maagschapsnaam inheemsch. De oud-hollandsche form van dezen kerkeliken naam is Gommer. In dezen form werd hy wel in vorige eeuen door Noord-Nederlanders gedragen, en Gommers met Gommerse, patronymikale formen daar van, komen nog heden als geslachtsnamen in de noordelike gewesten voor.--Sellschap en Sellschop zijn oud-hollandsche formen van het woord gezelschap, meer overeenkomende met den frieschen form selskip. Den niet zeldzamen geslachtsnaam Vogelzang, met Vogelsang, Vogelsangh, Voghelsangh, enz. als tegenhanger van Vogelgezang, wil ik liever verklaren als oorspronkelik een der talryke plaatsnamen Vogelzang, Fogelsang, enz. zijnde, die in de verschillende nederlandsche gewesten voorkomen.
Ten slotte noem ik hier nog drie geslachtsnamen die uit woorden bestaan, welke lichamelike ongemakken aanduiden. Te weten De Hoest, Kramp en De Snick. Denkelik zijn deze namen oorspronkelik wel gegeven als bynamen aan personen, welke bezocht waren met zulke kwalen. Wijl snikke, snik echter een friesch woord is voor zeker vaartuich, zoo kan de geslachtsnaam De Snick ook die beteekenis hebben, en dus overeenkomen met de geslachtsnamen Cogge, Buis en Buys, Sloep, De Koff, Brik, Schuit en Schuyt, Hulk en Hulck, Boot, enz. Tot deze scheepsnamen behoort ook de maagschapsnaam De Prouw, eene verdietsching van het maleische woord »prahoe", dat een byzonder vaartuich beteekent.
N. ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN.
§ 147. Een groot getal nederlandsche geslachtsnamen vertoont een zonderling voorkomen, of heeft eene zonderlinge beteekenis. Die namen passen eigenlik in geene der tot hier toe in dit werk behandelde groepen. Ik heb al die namen dus, al vertoonen ze, over het geheel genomen, onderling ook weinig of geen samenhang, met elkanderen in eene byzondere groep samengebracht, onder den naam van »Zonderlinge geslachtsnamen." Toelichtingen van algemeenen aard kunnen, uit den aard der zake, by deze groep niet gemaakt worden. De namen, welke deze groep formen, zijn onderling zoo verschillend van aard, dat zy slechts ieder afsonderlik, of in kleine ondergroepen, kunnen verklaard worden.
Als eene algemeene verdeeling, en ten einde nog eenigszins een gemakkeliker overzicht te verkrygen, heb ik deze groote geheele groep onderscheiden: a. in zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik is; b. in zulke namen, die, ofschoon ze uit duidelik nederlandsche woorden bestaan, toch geen redeliken zin vertoonen; c. in namen, die my ten eenen male onverklaarbaar zijn. Geen dezer drie ondergroepen echter is scherp omschreven; er bestaan geslachtsnamen, die zoowel tot de eene, als tot de andere dezer onderafdeelingen kunnen gebracht worden.
a. De zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik is, of die althans verstaanbaar zijn en verklaard kunnen worden, formen, wat hun getal aangaat, verre weg de grootste ondergroep. Velen dezer namen zijn oorspronkelik bynamen, die, uit scherts en uit spot, uit allerlei, soms onbeteekenende aanleidingen, aan dezen en genen man gegeven zijn.
Zie hier, in bonte opsomming, de namen die ik tot deze onderafdeeling brenge:
Zondervan en Sondervan. Vele nederlandsche geslachtsnamen bestaan uit eenen plaatsnaam met het voorzetsel van daarvoor, gelijk van § 78 tot § 90 aangetoond is. Die namen komen by ons volk zóó talrijk en algemeen voor, dat niet slechts vreemdelingen aan zulke namen den Nederlander herkennen, maar dat zelfs, in de nederlandsche volksspreektaal, vooral in de noordelike gewesten, in het dageliksche leven een geslachtsnaam een »van" genoemd wordt. »Hoe is je van?" in plaats van »Hoe is uw geslachtsnaam?"--die spreekwyze kan men algemeen by het noord-nederlandsche volk hooren gebruiken. Deze byzondere beteekenis van dit woord heeft aanleiding gegeven dat deze of gene, die geen geslachtsnaam, geen van had, en die er toch een wilde of moest (in 1811) aannemen, zich Zondervan, Sondervan, dat is: »zonder geslachtsnaam" noemde.
Misverstand schijnt aanleiding gegeven te hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaam Van 't Zelfde. Twee mannen, misschien broeders of bloedverwanten, en die beiden reeds den zelfden geslachtsnaam voerden, of ook die, nog steeds geenen vasten geslachtsnaam dragende, overeengekomen waren zich onder eenen en den zelfden naam te laten inschryven in de registers van den burgerliken stand, kwamen gelijktydig by den ambtenaar, daarmede belast. De eerste man gaf zynen naam op, en de ambtenaar schreef dien in de registers. »En hoe heet Gy?" vroeg hy daarop aan den tweeden. »Van 't zelfde!" luidde diens antwoord, waarmede hy te kennen wilde geven: »ik wil onder den zelfden naam als mijn broeder of vriend hier, wiens naam Gy zoo even hebt ingevuld, ingeschreven worden." Maar de ambtenaar begreep dit antwoord verkeerd, dacht dat die tweede man den geslachtsnaam Van 't Zelfde droeg of dragen wilde, en schreef hem alzoo in. Toen dit misverstand later uitkwam, berustte de man, wien het aanging, daar in. Hy nam genoegen in dien zonderlingen naam, en zyne nakomelingen dragen hem nog heden. Waarschijnlik is de maagschapsnaam Dito ook op deze wyze ontstaan, en naar men zegt, is dit ook het geval geweest met den geslachtsnaam Van Eenennaam. Te weten: ook als antwoord op de vraag: »Hoe heet Gy?"--»Van éénen naam!" luidde dat antwoord, 't welk ook verkeerd begrepen werd; »van éénen naam, van den zelfden naam ben ik, als de man, wiens naam zoo pas door U ingeschreven is."--Ik heb echter eene bedenking tegen de waarheid van dit verhaal, het welk my gedaan is door iemand die zelve dezen naam droeg. Zou dit Van Eenennaam niet eene verbastering zijn van den geslachtsnaam Van Eename? En dan ontstaan by wyze van poging om eenen verstaanbaren zin te leggen in eenen naam dien men niet meer verstond? Deze geslachtsnaam Van Eename, die ook als Van Eenaeme voorkomt, is afgeleid van den plaatsnaam Eename, zoo als een dorp heet, by Audenaarden in Oost-Vlaanderen gelegen. In de zuidelike Nederlanden is deze maagschapsnaam dan ook inheemsch.
Voor den ambtenaar van den burgerliken stand, in 1811, is ook de oorsprong te vinden van den geslachtsnaam Zoekende. »Wie zijt Gy?" vroeg die ambtenaar aan den man, die by hem kwam, om zich, onder eenen geslachtsnaam, in de registers van den burgerliken stand te laten inschryven. De ambtenaar bedoelde met die vraag: »Hoe is uw naam?" of »Welken naam neemt Gy aan?" De man antwoordde: »Ik ben zoekende!" en wilde daar mede te kennen geven: »Ik heb nog geen vasten geslachtsnaam; ik ben nog niet besloten welken naam ik zal aanveerden; ik ben nog zoekende!" De ambtenaar echter begreep--of hy deed dit althans zoo voorkomen--dat de man zynen geslachtsnaam opgaf als Zoekende. Hy schreef dezen dwazen naam dus in zyne registers, en--de naam bestaat nog heden.
Vele menschen hebben het eene of andere stopwoord, dat zy veelvuldig in hunne reden te pas, ook dikwijls te onpas brengen. Is dit laatste het geval, dan worden die stopwoordjes hun wel door anderen als bynamen gegeven. Zoo iets is waarschijnlik de oorsprong geweest der geslachtsnamen Evenwel, Justement, Eveleens, Zoovele, Aldus, Hoezoo, Perexempel, Sijnjewel, enz. Deze laatste naam, in Fivelgo (Groningerland) voorkomende, is eigenlik de vraag »zie-je-wel?" (als stopwoord niet zeldzaam in gebruik) in den groningschen volkstongval. Wijl in de waalsche gewesten van België de waalsche maagschapsnaam Houzeau voorkomt, zoo is mogeliker wyze de naam Hoezoo slechts eene verdietschte spelwyze daar van. Hoezee, Godhelp en Godthelp, Regtdoorzee, Ietswaard, Lukwel ('t lukt = het gelukt wel), hebben waarschijnlik ook eenen dergelyken oorsprong, en Nooitgedagt eveneens. Toch kunnen zulke namen ook op andere wyzen ontstaan zijn. My is een eerzaam burger bekend in eene der friesche steden; noemen wy hem Harmen De Vries. Hy is eigenaar van een huis, dat in den gevel, in eenen steen uitgebeiteld, den naam draagt van »Nooit gedacht." Dien ten gevolge, ook om hem te onderscheiden van anderen, die den zelfden geslachtsnaam dragen als hy, wordt deze Harmen de Vries in het dageliksche leven gewoonlik Harmen Nooitgedacht genoemd. In dezen bynaam steekt niets onteerends. Dies wordt onze man onbeschroomd zoo genoemd, en, zoo veel my bekend is, heeft hy zelve daar niet op tegen. Leefden wy nu nog honderd jaren vroeger, hoe licht zou deze bynaam niet een vaste geslachtsnaam worden? Misschien heeft zulk eene omstandigheid ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van den geslachtsnaam Nooitgedagt en van anderen.
Een man die veel in zijn huis was, en weinig daar buiten, kreeg al licht den bynaam van (Jan) T'huis. En dit kan de oorsprong geweest zijn van den geslachtsnaam T'huis, die in Uitentuis (uit-en-te-huis), en in Zeldenthuis met Seldenthuis zyne tegenhangers heeft. Even als laatstgenoemde naam, zoo zijn ook geformd de geslachtsnamen Zeldenrust en Seldenrijk. Een tegenhanger van Zeldenrust is nog de geslachtsnaam Buitenrust. De beteekenis van den naam Seldenrijk, die in Nederland ook voorkomt in den hoog-duitschen (zuid-duitschen of zwitserschen) form Seltenrych, is duidelik. Ja, maar 't is geenszins zeker dat deze naam oorspronkelik in der daad »zelden rijk" beteekent. Volgens hoogduitsche taalgeleerden beteekent deze naam, die reeds zeer oud is, en in Duitschland reeds betrekkelik vroeg in de middeleeuen voorkwam, in het Oud-Hoogduitsch: »rijk aan zaligheden." Immers is Saeldenrich de oudste form waaronder deze naam voorkomt. Toen het volk in lateren tijd dezen ouden naam niet meer verstond, maakte het er Seltenrich, Seltenreich van, by wyze van poging om er weêr eenen verstaanbaren zin in te leggen. Onze nederlandsche geslachtsnaam Seldenrijk kan zeer wel eene verdietsching zijn van den hoogduitschen form Seltenreich, Saeldenrich. Hoe lichtelik het volk toch dwaalt in zyne duiding van namen, kan het volgende voorval bewyzen. In myne jeugd woonde te Leeuwarden een oude Duitscher, die Morgenschweisz heette. Die naam was oorspronkelik waarschijnlik wel een bynaam geweest, gegeven aan iemand die reeds des morgens vroeg zich in het zweet arbeidde. Maar zóó vatte de leeuwarder jeugd dien naam niet op, en kon dat ook niet, omdat zy geen Hoogduitsch verstond. Toch wist ze er een mou aan te passen, en riep den man, die appels en noten en ander ooft langs de straten ventte, na: »'s morgens wijs en 's avonds gek!"
Naaktgeboren en Niemantsverdriet zijn geslachtsnamen waarvan de beteekenis voor niemand een raadsel is. Ofschoon er niets af te dingen valt op de waarheid die in den eerstgenoemden naam opgesloten ligt, zoo schijnt het toch alsof sommige leden van het nog al talryke, in Zuid-Holland gezetene geslacht, dat dezen naam draagt, weinig behagen vinden in het voeren daar van. Immers zy laten in het schryven van hunnen naam die lettergreep »naakt" weg, als of zy dat naakt geboren zijn niet met alle menschen op de wereld gemeen hadden. Heet een man b. v. Jan Naaktgeboren, dan schrijft hy zynen naam wel: J. N. Geboren. Ik zal hier maar niet zeggen, hoe ik over zulk eene handelwyze denk. Ware er schande gelegen in dien onschuldigen naam, of oneerbaarheid, dan zoude men deze naams-besnydenis nog kunnen vergoêliken. Maar slechts een ziekelik jufferachtig gemoed kan, dunkt my, ergernis of aanstoot vinden in den naam Naaktgeboren.
De geslachtsnamen Fynebuik en Soetekou houd ik oorspronkelik voor bynamen aan lekkerbekken en smullebroêrs gegeven. Iemand die gaarne allerlei zoetigheden eet, krijgt nog heden te Leeuwarden lichtelik den bynaam van »soetekou," een woord van »zoet" en »kauen" (kauwen) geformd. Suyckerbuyk en Suikerbuik zijn denkelik oorspronkelik ook wel bynamen geweest voor menschen, die graag suiker proefden. Ook deze naam heeft zooveel ergernis gegeven aan eenen drager er van, dat hy niet rustte voor hy de laatste twee derde gedeelten van zynen geslachtsnaam er achter weg mocht nemen, en er een (fransch-schynend) de vóór mocht zetten, en alzoo dien naam volkomen onkenbaar had gemaakt. Immers leest men eene aankondiging in het amsterdamsche nieusblad, het Algemeen Handelsblad van den 28sten September 1883, gedagteekend uit 's Gravenhage van den vorigen dag, en onderteekend door Mr. G. Belinfante, advocaat en procureur, het volgende:
»Ter voldoening aan Artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek wordt bekend gemaakt, dat door den Heer Guillaume Suyckerbuyk, wonende te Amsterdam, aan den Koning vergunning is gevraagd om zijn geslachtsnaam in dien van De Suyck te mogen veranderen, zoodat genoemde Heer en al diens wettige nakomelingen, in het vervolg De Suyck zullen heeten."
Wie zal nu, zoo hy het bovenstaande niet weet, in het vervolg in dien geslachtsnaam De Suyck, half Fransch en half Oud-Nederlandsch, den ouden naam Suyckerbuyk kunnen terugvinden, en den oorsprong van dit De Suyck bevroeden?
De geslachtsnaam Nederhoed is misschien oorspronkelik de bynaam geweest van een zeer beleefd man, even als Trouborst (borst heeft hier immers de oud-nederlandsche beteekenis van eenen flinken, jongen man?) die van eenen trouen, eerliken kerel, en Waterdrinker die van iemand welke zeer matig leefde, althans in zynen drank zich tot water bepaalde. Woordhouder, Geldmaker en Geldtelder, Liefhebber (van wat?), Sorgdrager, Zonderland, met Landeloos als tegenhanger, en Broodwinner zijn ook duidelik genoeg wat hunne beteekenis aangaat. Ook deze namen houde ik voor oude bynamen. Als tegenhanger van den geslachtsnaam Broodwinner, in Friesland inheemsch, komt in de vlaamsche gewesten de geslachtsnaam Winnebroot voor, die natuurlik de zelfde beteekenis heeft, en die, by misspelling en onverstand, in Fransch-Vlaanderen als Winibroot geschreven wordt. Juist zoo geformd als deze naam Winnebroot is ook de geslachtsnaam Winnepenninck, die in beteekenis eveneens duidelik is. Ook als vadersnaam komt deze naam in de zuidelike Nederlanden voor; te weten als Winnepenninckx en zelfs als Winnenpenninckx. De maagschapsnaam Rookmaaker is misschien oorspronkelik wel de bynaam geweest van iemand die aan het tabaksrooken verslaafd was--even als Platteborze en Plateborse (beide formen komen voor) die van iemand welke aan het euvel leed van gewoonlik eene platte, geldelooze beurs te hebben. Voordewind was oorspronkelik wel een bynaam van iemand wien het voor den wind ging in het leven; anders gezeid: die voorspoedig was. En Te Peerdt van iemand die veel te peerd reed of anderszins een ruiter was, in tegenoverstelling van eenen anderen, misschien gelijknamigen man, die niet te peerd kon ryden, maar die te voet moest gaan, en daarom den bynaam van Te Voet kreeg. Te Voet immers, zoo wel als Te Peerdt, komt nog heden als geslachtsnaam voor. Hondendorst (met het geheel onverstaanbare Honderdors, een verbasterde form?) en Zonderkop, ook Breesnee (breede snede? broods?), Cleenwerk, Blaauwendraat, Fijn-van-Draad, Potjewijd, Wijnoogst en Wijnstroom, Helleganger en Allemekinders zijn geslachtsnamen, die, al zijn ze niet onverstaanbaar, toch door my niet, wat hunnen oorsprong betreft, kunnen verklaard worden. De maagschapsnamen Goedkoop en Duurkoop zullen oorspronkelik wel als bynamen eigen geweest zijn aan kooplieden, die hunne waren, de eene om weinig, de andere om veel geld verkochten. Wonderlike geslachtsnamen zijn ook Bierhaalder en Windwaayer, en niet minder zonderling zijn Hameetman en Hameeteman (ham eet de man?), die in het overmaassche Holland inheemsch en daar geenszins zeldzaam zijn. In die zelfde streken, o. a. te Dordrecht, komt ook de geslachtsnaam Hameter voor, en tevens (als tegenhanger?) Spekmyder (iemand die spek mijdt, die geen spek eet). In der daad dwaze namen! Dwaas zyn ook de maagschapsnamen Stoutintwoud, Vroegindewey en Schietekatte. Deze twee eerste namen zullen oorspronkelik wel schertsender wyze gegevene bynamen geweest zijn voor eenen dapperen jager en voor eenen veeboer, die gewoon was reeds vroeg in den ochtend zyne bezigheden in de weide te verrichten. De naam Schietekatte (schiet de kat) is in Zeeland en Vlaanderen inheemsch, en komt daar in verschillende formen voor, die aan verschillende geslachten eigen zijn. Te weten: als Schiettekatte, Schiettecatte, Schietecatte, Schietekat, Schiekatte. Deze naam is al zeer oud. Reeds ten jare 1342 droeg een burger van de vlaamsche stad Oudenaarde, Lodewyc Scitcatte, dezen naam. [244]
§ 148. De lijst der zonderlinge geslachtsnamen is lang; wy hebben haar nog niet ten halven behandeld.
Sparen en verkwisten zijn by vele lieden altijd twee byzondere eigenschappen geweest, die aan anderen gewoonlik sterk in 't oog liepen of ergernis wekten, en dus ruimschoots aanleiding gaven tot het in gebruik stellen van bynamen. Eenigen van zulke bynamen zijn tot op den dag van heden in stand gebleven als geslachtsnamen. Zie hier enkelen daarvan: Quistecoren, Kwistewijn, Kwisthout en Quistwater, tegenhangers van Spaergaren met Spaargaren en Spaargaare, Spaarkogel, Spaerewijn, Sperlaecken (spaar laken) en Spaarwater. Men verwondere zich niet, by andere zaken hier ook het water te vinden, als iets dat door den eenen zorgvuldig bespaard, door den anderen roekeloos verkwist werd. In sommige streken van Nederland, vooral in de zeeusche, hollandsche en friesche polders, is zuiver drinkwater dikwijls niet te bekomen, en dus eene kostelike zaak. Een geslachtsnaam, die oorspronkelik zeker aan een byzonder spaarzaam man gegeven werd, is nog Garegoed (vergader of verzamel goed, goederen). Deze naam is ook al van oude dagteekening. Zoo vinden wy in 1514 als burger van de stad Gouda zekeren Christoffel Gaergoet genoemd, in de »Informacie up den staet van Hollant ende Vrieslant" bl. 372. De geslachtsnaam Lievegoed is misschien als eenen tegenhanger van Garegoed te beschouen, en oorspronkelik eigen aan eenen man, die zijn goed, zyne bezittingen, byzonder lief had. Zou de geslachtsnaam Vallendgoed geene zinspeling zijn op de onstandvastigheid der wereldsche goederen? Maar al neemt men deze verklaring aan, dan nog is het moeielik te begrypen, hoe dit woord tot eenen naam, tot eenen geslachtsnaam kon worden.--Vier geslachtsnamen bestaan uit de zoete naamkes, die verliefde lui elkanderen geven. Het zijn: Soetelief en Zoetelief, Mijnlieff, Meliefste en, in overtreffenden trap, Alderlieste. Eene f is uit laatstgenoemden naam gesleten. De woorden goed, lief en zoet komen ook voor in andere geslachtsnamen, als Lievendans, Goedvolk en Hemelsoet. Eerstgenoemde naam zal wel een bynaam zijn geweest (Lieve, dat is: houd veel van, den dans) voor eenen liefhebber van dansen. Goedvolk verklaart zich zelven, en is de weêrga van namen als Goetheer, Goedvriend, enz. Hemelsoet, ofschoon wel verstaanbaar, is echter niet zoo wel verklaarbaar. Ik weet aan dien naam eigenlik geen mou te passen.
De laatstgenoemde naam brengt ons tot de geslachtsnamen die uit de woorden hemel, aarde en hel zijn samengesteld. Als zoodanigen noemen wy hier: Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Aarde, Van Ertrijck, Van Aerdrijk, Van de Helle, enz. Van de Waereld met Van Weerelt, Oldewelt, Wereldsma, enz. zijn op bl. 363 reeds behandeld. Het vagevuur komt, voor zoo verre my bekend is, in geslachtsnamen niet voor. Een Paradies met Paradis, enz. is op bl. 371 al vermeld geworden. De oorsprong van bovengenoemde namen is my niet duidelik, ten zy men hen wilde afleiden van de namen van huizen (uithangborden, gevelsteenen). In der daad kwamen hemel en hel oudtijds wel als huisnamen voor. Van Lennep en Ter Gouw noemen eenige voorbeelden daarvan op, in hun werk De Uithangteekens. Onder anderen te Delft heette in 1600 eene herberg In 't Hemelrijck. Dit was volgens Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 21, »toenmaals een gebruikelike naam voor dergelijke inrichtingen." Wat de geslachtsnaam Van de Helle aangaat, deze kan ook zijn ontstaan te danken hebben aan het woord hel of helle, dat, op zich zelven of in samenstellingen, in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam voorkomt. Men sla de aardrijkskundige woordeboeken der nederlandsche gewesten maar op.--In West-Vlaanderen ligt een dorp dat den naam van Aertrijcke draagt; de geslachtsnamen Van Aertrijcke en Van Aerdrijk zijn hoochst waarschijnlik aan dezen dorpsnaam ontleend. De gedachte is by my opgekomen of de geslachtsnaam Van Hemelrijck misschien ook kon ontstaan zijn, en willekeurig geformd, als eenen tegenhanger van Van Aertrijcke. Of de geslachtsnaam Van Ertrijck ook als eene verbastering moet worden aangenomen van Van Aertrijcke, dan wel of deze naam oorspronkelik de zelfde is of althans den zelfden oorsprong heeft als de geslachtsnaam Van Herterijck, moet ik in het midden laten. Het van vóór den laatstgenoemden naam schijnt op eenen plaatsnaam Herterijk of Hertrich te duiden, die my echter niet bekend is, in Nederland noch in Duitschland. Wel ken ik den oud-germaanschen mansvóórnaam Harderick, Harterich, Hertrich, en deze naam komt werkelik ook in Nederland voor. Namelik als Herterich en als Hertrich, beide waarschijnlik van hoogduitschen oorsprong. Hoe nu de juiste samenhang en onderlinge verhouding is van deze verschillende geslachtsnamen, is my niet duidelik gebleken.
Signor en Sinjoor (beide spelwyzen komen voor), is een geslachtsnaam die in de zuidelike Nederlanden inheemsch is, en waar aan het spaansche woord señor, heer, ten grondslag ligt. Toch zijn de geslachten die dezen naam dragen, niet van spaanschen oorsprong, maar veeleer van antwerpschen. Immers de burgers van Antwerpen dragen reeds sedert den spaanschen tijd, van de zestiende eeu tot heden toe, by de andere Zuid-Nederlanders den spotnaam van Signor, Sinjoor, Sinjoorke. Spaansche zeden, spaansche taal toch waren omstreeks de helft der jaren 1500 en daar na, te Antwerpen zeer in zwang. Ook lieten de kooplieden van die stad zich als »Señor" aanspreken. De hedendaagsche bovengenoemde geslachtsnaam herinnert nog aan die dagen. Hy is zeker oorspronkelik half uit spot gegeven aan eenen antwerpschen señor, die zich in eene andere stad met der woon vestigde.
Onder de zonderlingste namen moet ook de geslachtsnaam Tijdgaat genoemd worden. Oorspronkelik is deze naam in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en wel in West-Vlaanderen. Hy komt, zoo wel by misspelling als by klaarblykelik onverstand wat zyne beteekenis aangaat, en ook by verwaalsching, in verschillende formen voor, en is, in die verscheidenheid van formen, ook aan verschillende maagschappen eigen. Die onderscheidene spelwyzen zijn: Tijdgaat, Tijdgaet, Tijtgaet, Tytgat, Titecat en Titeca. De twee laatstgenoemde formen zijn verwaalschingen; zie § 165. Ik weet dezen naam anders niet te verklaren als door hem te houden voor eene verdietsching van het bekende latynsche gezegde: hora ruit, de tijd of het uur vervliegt, of de tijd gaat. Dit gezegde was in de middeleeuen veel in der lieden mond en penne, en werd toen dikwijls te pas gebracht, ook in opschriften, b. v. op zonnewyzers, uurwerkplaten, enz.