De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 4
De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namen Fokke, Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, Onno, Poppe, Renso of Rinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te weten Eelking van Eelke, Eelco, oorspronkelik Ele (Edele, Athal), en Wiebeking van Wibeke, oorspronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. Dat Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en dat Nolting van den verkorten naamform Nolt, voluit Arnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamen Groening, Huising, Uiling en Veering zou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo en Faro, die men allen in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vinden kan. Gruno of Grono komt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, en Huso evenmin; maar Ulo is in de verkleinformen Uulke, Uultje (Uilke, Ulco, Uiltje) en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, en Fere (de friesche form van Faro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising, Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ook Grüning) Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje. Groningen, de bekende stad; Groeningen, dorp in Noord-Brabant; Grons, sate by Burgwert in Friesland; Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg; Gröningen, vlek in Zwaben en Gröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. Van Huso: Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in Friesland Huisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder: Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinform Huyskes, † Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp in Groningerland, en Huysinghe een dorp in Zuid-Brabant. Van Ulo: Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland Uhlen. Uilsmahorn is eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland, Ulbargen een dorp by Aurich in Oost-Friesland, Uhlebüll een gehucht by Niebüll in Noord-Friesland, Uhlentrup (dat is Ulendorp) een dorp by Beckum in Munsterland, Uhlingen een dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, en Ulgeweer (Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, Fere: behalve Veering nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, Veersma en Veersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaam Feringen is de geslachtsnaam Feringer afgeleid; eindelik nog Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaam Fere kan echter ook eene samentrekking zijn van Feder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaam Federinga het patronymikon is. Van dezen vollen form Federinga zou dan Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen.
De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Teding van is afgeleid, is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. Met Teding zijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen: Tedinga, Thedinga, † Thedema en Tedema. Van Tedinga zijn de geslachtsnamen † Theenga en, in den tweeden naamval, Teengs weêr versletene formen, even als Thema van Thedema. Thedinga was de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de 16de eeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven. Thedinga-klooster namelik heette oorspronkelik en eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken Groninger, Hatebrand geheeten, in 't jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heette Theda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abt Theda: »(he) heft dorch syne vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen, getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden." In 1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; want de abt Sibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna." [5] De naam Thedinga-monniken wil dus zeggen: monniken van Theda, en het patronymikon Thedinga is hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie § 45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaam Tede (Thedo) en van 't patronymikon Teding afgeleid, zijn: Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe; Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen; Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Thedema- of Thema-burcht te Noordwolde, en Thema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland); Tedema-state te Roden in Drente; eindelik nog Dedesdorf, oudtijds Thedestorpe, een vlek in 't Land Wührden (Oldenburger Friesland).
Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikon Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan den hedendaagschen plaatsnaam Leffrynchoucke (Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.
Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch naslaan, waar we eenen Alting reeds in 't jaar 793 vinden, eenen Husinc ook reeds in de 8ste eeu, eenen Benning in de 9de eeu, en eenen Imminc en Ulinc vóór het jaar 1100. Wibichinc (Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).
Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.
§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh. [6] Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein, Tabe en Sinne zijn tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden.
Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam van D. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk: Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer" of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook als Buddingh', om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze. [7] Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaam Buddingh een oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Budde, Butte, Botte. Buddingh is dus de weêrga van † Buttinghe en van Bottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, met Bottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.
§ 13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge uit; b. v. bloedinge, waarschouinge, bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang der geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, op inge eindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch: Alinge, Buninge, Dillinge. [8] Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamen Ale, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille (Wiltje, Wilke of Wilco). Maar ook by Buninge, Dillinge, Hachtinge, Santinge en de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp van Förstemann's Namenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.
By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot den byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamen Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santinge bestaan ook Buyning en Buininga; Ebbink en Ebbinga; Epping (ook in Engeland), Eppink en Eppinga; Eeling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink, Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon van Buno, van Ebbe, van Eppe, van Ele, van Hidde, van Sante.
Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfden naam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volle inga er achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, als Hesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam als Hesseling boekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfden Hessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.
Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d' ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens als Folkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr als Folkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Bellingawolda en Eppingaweer; de andere Appingedam, Mensingeweer, Bellingewolde en Eppingeweer, of ook wel Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel by eene enkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.
Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds nu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachten Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waninge oorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachten Buininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. Of ook als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentsche Eppinge's en de zutfensche Eppink's en de friesche Eppinga's en de engelsche Epping's van vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaam Eppo droegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.
§ 14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgang ing vertoonen (opening en öffnung, bevryding en befreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden op ing uitgaan, soms op ung. Een paar van die geslachtsnamen, op ung eindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v. Amelung, Hartung (nevens het inheemsche Harting) en Weidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius behoort oorspronkelik tot deze groep.
Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk veranderd is. My zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting en Hartung); Wallenk (naast Wallink) en Wittenck (naast het uitgestorvene Wittinga). Ook komt deze verbasterde form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen Gussenklo (welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk'lo geboekstaafd wordt) en Pippenghegen.--Gussenklo beteekent: eikenbosch van Gussink, van den nakomeling des mans, die Gusse (Gosse? Guse?) heette. En Pippenghegen beduidt: de hege of haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, van Pipping, van den afstammeling des mans die den naam van Pippo droeg. Dit woord hege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaam Berghege en tevens in Heeger, dat is: Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehringhaus, het huis der Eringen.
§ 15. Naast den oorspronkeliken form ing, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. Dit ink is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze op ink eindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulke ink-namen als toenamen in gebruik; Hugo Radinck b. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel. [9] Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaam Rado afgeleid, komt, als Ratink geschreven, reeds in 709 voor, zooals Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeldt, ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaam Radink. [10] Over het geheel genomen zijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.
Ofschoon deze inknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in 't eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als in onze saksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitgang ink gewoonlik inck geschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende: Arink, Beernink, Bennink. [11] Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by Dirckinck, van Dirck, Diederik.--Beernink is eene samentrekking van Bernharding, uit den mansvóórnaam Bernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land als Berend, Beern uitgesproken.--Lamrinck (met Lamring en Lammerding) is oorspronkelik Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.--Reymerink is versleten van Reinmering, van den mansvóórnaam Reimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.--Siegerink komt van den mansvóórnaam Sieger, Siegher, Sîgher, Zeger, dat is gezeid Victor, de overwinnaar.--Volmerinck van Folmer, Fulmar.--Wolberink van Wolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.--Benne, Bonte, Haite, Sikke (Sicco), Teie (Teye), waar de patronymika Benninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen. Tenckinck komt van Tenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform van Tenno, welke mansvóórnaam, volgens Förstemann's naamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is van Tanno. Van dit Tanno is weêr de friesche geslachtsnaam Tanninga afgeleid, die meest in versletenen form als Tania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht als Tanjé voorkomt. Even als Tenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en Tilekink niet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel van Eveke, Duike, Ike, Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formen Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.
De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamen Johanninck en Teuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten van Johan, Johannes en van Teun, Teunis, Antonius. Van Johannes zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingh en Janninga ontleend, met den samengestelden naam Johanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook § 58.
§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink. [12] Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf (Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink's, Rörink's en Rörik's (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam Brenninkmeyer.--De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.--Stroink eindelik komt van den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika † Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.
Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksische inknamen behooren. Namelik: Gyseweenink en Janweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudig Weenink; zy zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders uit de maagschap Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der twee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten einde Harbert en Bartha Weenink van den eenen broeder te onderkennen van Harbert en Bartha Weenink van den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink en Bartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van die Harbrechts en Bartjes over, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.