De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 39
De maagschapsnamen Peetoom echter, De Peet en De Peter laten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaam De Vaddere. »Vadder" is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thans peter, gevader, godvader noemt (zie Guido Gezelle's tijdschrift Loquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamen De Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen als Deneve en Denève. Verder de verkleinform van dit woord, als patronymikon, Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt, Nepveu. Of de geslachtsnaam Swagerman ook tot deze groep behoort, in de beteekenis van zwager = aangehuwde verwant, bepaaldelik geen bloedverwant, is niet zeker. Swagerman zoude ook kunnen beteekenen: een man van de Swaag, een inwoner van een der dorpen die de Zwaag heeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamen De Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandsche Weesie (zie § 156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen: Dewez en De Vèze. Ook Van Wees en Van der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naam Wees schynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. Verder De Moerloose en, in eenigszins verbasterden form De Morloose, dat is: de moederlooze.--Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus" of »postuma," al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaam Posthumus is zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaam Posthuma acht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiske Postuma noemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaam Posthuma is in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naam Postma? Ook Postmus komt in Friesland voor, nevens Posthumus. Verder nog Postema en Postsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof van deze geslachtsnamen.
By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamen Voogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form als Vogt voorkomende, en ook als Voigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van het Voigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelik is ook de maagschapsnaam Vondeling. En de namen Vindevogel, Vindevoghel met het patronymikale Vindevogels hebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel" heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaam Vindelinckx (waarvan Windelincx een uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t' huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink," vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaam Van de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog als Van Vondelen, Van den Vondel, Van der Vondelen en Vervondel voorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woord vondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17de eeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naam Joost of Joostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichter Joost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woorden vinden en vondeling te maken. Immers het woord vondel heeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ook vonder en zelfs wel vlonder. De maagschapsnamen Van de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in § 105 vermeld werden.
Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugsche nieusblad »Burgerwelzijn," in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen van Renilde Marie van Pander."--Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander" of »paander" is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.
De maagschapsnamen Basterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik fransche Battaerd (bâtard), en Banckaert met Bankert geven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.
De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen: Vriend, Vrind, De Vriendt en De Vrient, Goedvriend en Cortvriendt, De Macker en misschien ook Slaap. Immers is slaap (bepaaldelik sleep, slep of sliep in de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voor vriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijn Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). Verder De Gast, Buur, Buurman, en Nabuurs als patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) is naber het woord dat voor het hollandsche en friesche buurman, bûrman, voor het vlaamsche gebuer in gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitsche nachbar en het engelsche neighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders, neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten van Burns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woord naber komt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaam Buurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Nieubuur en Niebuur tegenhangers van Ninaber en Nienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Deze buurnamen vinden in de zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamen Goetgebuer en Quagebuer (goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, als Goetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook als Goedegebure in Zeeland; en Quaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.
Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijn Drieling en Vierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. Verder Knaap, Cnaap en Knape, met den patronymikalen form Knaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging, Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woord knaap in deze namen kan ook de oude beteekenis van schildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkel cnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. Verder Jongen en Meisje met Meiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De Maegdt en Maagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet men Meisje, Maagdelijn, enz. noemen. Maagdelijn en De Maegdt echter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers die de Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v. De Zeeuwsche Maegd te Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaam Feynt. Immers het woord feint, veint heeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;--niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woord vent hechten. Ten slotte nog Vryer, Fryer en De Vryer, Bruidegom en Bruigom, Ouwerling en Grijsaard en het half-verfranschte Grisar. Het woord ouderling (ouwerling, auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig: oude man, in tegenoverstelling met jongeling.
De geslachtsnamen Mensch en Man, Mann, De Man, 'T Mannetje en Mannekens breng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. Ook De Keirel en De Keyrel (in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woord kerel zeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. Aangaande Vrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
L. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN GODEN EN GODINNEN, KERKHEILIGEN, GODSDIENSTEN, ENZ.
§ 145. Hoe zonderling en onpassend het eigenlik ook zy, by het nederlandsche volk komen eenige geslachtsnamen voor, welke aan de oude grieksche en romeinsche godenleer ontleend zijn. Sommigen dezer namen zijn oudtijds wel als huisnamen voorgekomen, en dit kan hun ontstaan als geslachtsnamen verklaren. Ook haalden vooral de Hollanders in de zeventiende eeu overal waar het maar te pas of ook niet te pas kwam, die goden en godinnen by. Dit kan ook aanleiding gegeven hebben, zulke namen als bynamen te geven; welke bynamen dan later tot vaste geslachtsnamen werden. Zie hier die, welke my zijn voorgekomen: Venus, Flora, Mars, Apol (vooral by nederlandsche dichters eene zeer gebruikelike verkorting van Apollo), Cupido en Cupedo, Pollux, Hercules, Janus, Bachus, met Baghus en Baggus in hollandsche wanspelling, en Paris. Op sommigen dezer namen valt iets af te dingen wat hunnen oorsprong als namen van goden en godinnen betreft. Venus kan eene, uit scherts ontstane misspelling zijn van den patronymikalen geslachtsnaam Venes of Venis, afgeleid van den ouden mansvóórnaam Vene of Fene (zie bl. 58). Tusschen Venus, Veenesz en Venis is in de uitspraak het verschil nau hoorbaar. En Mars kan eveneens een vadersnaam zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Marro, Marre, Mar, welke naam tevens ten grondslag strekt aan de patronymikale geslachtsnamen Marra, Marringa, Marrenga en Marring, in Friesland, Groningerland en Drente inheemsch. En aan de plaatsnamen Marrum, een dorp in Friesland, en Marwert, zooals twee saten heeten, de eene by 't dorp Lollum, de andere by 't dorp Wirdum, beide in Friesland.--Janus is eene zeer gebruikelike verkorting van den mansvóórnaam Adrianus, en tevens eene verlatynsching van Jan, en beide kan dit ontstaan gegeven hebben aan den geslachtsnaam Janus.--Bachus kan zeer wel eene oude spelling zijn van den geslachtsnaam Bakhuis, die heden ten dage ook in deze nieuerwetsche spelling voorkomt. En dit gevoelen krijgt zoo veel te meer waarschijnlikheid als wy zien dat deze zelfde naam (ook de zelfde verwantschap?) oudtijds ook als Backus en Backhues geschreven werd. [240] In den geslachtsnaam Paris eindelik kan ook even zeer de naam der stad Parijs schuilen. Ik acht dit zelfs waarschijnlik; zie bl. 209.
Fortuna of het Fortuin was oudtijds een zeer algemeen voorkomend huisteeken en huisnaam. Geen wonder dat dien ten gevolge de geslachtsnaam Fortuin, Fortuyn, 'T Fortuin ook nog heden ten dage geenszins zeldzaam is. De voor eenen man zeker nog al zonderlinge geslachtsnaam De Amazoon, misschien ook wel aan eenen huisnaam ontleend, behoort mede tot deze groep. En dan nog de maagschapsnamen Godinne en Godin, zeker zeer zonderlinge namen. Hoe zijn ze ontstaan? En hoe te verklaren? Het wapenschild van het geslacht Godin schijnt een zoogenoemd sprekend wapen te zijn, en geeft dan eene verklaring van dezen naam, die my zeer gezocht voorkomt. Volgens dat wapen zoude die naam eigenlik »God-in" zijn. Immers vertoont het op een blau veld eenen gouden kelk (waarin de hostie?). Zie De Navorscher, dl. XXXIV, bl. 483. Op eene landkaart uit de vorige eeu staat een huis Godin aangeteekend, by het dorp de Bilt aan den weg van Utrecht naar Amersfoort.
Het voorkomen van geslachtsnamen aan de namen van kerkheiligen ontleend, ligt meer voor de hand om te verklaren dan dat der namen van goden en godinnen. Immers waren de namen van de volksaardigste heiligen der roomsche kerk oudtijds zeer algemeen als huisnamen en gevelteekens in gebruik. En zoo kan het ons slechts verwonderen, dat zulke geslachtsnamen zoo weinig voorkomen. My zijn slechts bekend de geslachtsnamen Sint-Nicolaas, St-Martin en St-Joris.--Sinjorgo acht ik eene verbastering van italiaanschen oorsprong, even als Sintobijn en Sintobin van franschen oorsprong zijn; te weten: St-Aubin. Notterdam en Noterdaem, al hoe nederlandsch deze eerstgenoemde geslachtsnaam er ook uit moge zien, zijn slechts verdietschingen van het fransche »Nôtre-dame", en dus tegenhangers van de goed-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten inheemsche geslachtsnamen Lievevrouw en Lievrouw. In de geslachtsnamen Van Sintjans en Van Sintfyt zie ik eerder plaatsnamen, wegens het voorvoechsel van. Immers plaatsen die St-Jan heeten, komen er wel voor (Sint-Jan by Iperen, Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Jan-Geest, allen in Vlaanderen en Brabant); en Sint-Fyt is een stadje in Rijn-Pruissen, bezuiden Aken.
Een paar benamingen van godsdiensten zijn ook als geslachtsnamen in gebruik gekomen. Op welke wijze? dat is lichtelik na te gaan. Van twee personen, die beiden den zelfden naam droegen, Egbert Swedersz. b. v., maar waarvan de eene tot het luthersche, de andere tot het doopsgezinde kerkgenootschap behoorde, werd de eerste, ter onderscheiding, in het dageliksche leven Luteraan genoemd, de laatste Mennist. (Egbert Sweers Luteraan, en Eibrecht Swiersz. Mennist), en die bynamen zijn op hunne kinderen overgegaan, en vaste geslachtsnamen geworden. My zijn slechts voorgekomen, de reeds genoemde Luteraan en Mennist, met den afwykenden form Menist. Verder Rooms en Christen, met Kristen en Christens. In de drie laatstgenoemde geslachtsnamen kan echter ook zeer wel de mansvóórnaam Christiaan schuilen, die by verkorting gewoonlik als Christ voorkomt. Deze drie geslachtsnamen zouden daar van dan vadersnamen kunnen wezen. Ook komt een geslachtsnaam Luthers voor. Deze echter kan zeer wel een vadersnaam zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Luther, Luthar, Lothar, Chlothar. Ik acht dit waarschijnliker dan dat die geslachtsnaam als benaming van eenen belyder van den lutherschen godsdienst moet opgevat worden. De maagschapsnaam Dooper, oudtijds als een soort bynaam wel gegeven aan de belyders en vooral aan de eerste voorstanders van den godsdienst der Wederdoopers en Doopsgezinden, mag hier ook een plaatske vinden. De geslachtsnamen De Jode, De Jeude, enz. als meer een volksnaam vertegenwoordigende dan een godsdienstnaam, heb ik reeds op bl. 197 vermeld.
Ten slotte dienen tot deze groep nog gebracht te worden twee namen, die niet zoo zeer als namen van godsdiensten moeten beschoud worden, dan wel als namen van partyschappen. Ik bedoel de geslachtsnamen Geus, De Geus met De Gheus en Paap, De Paap, De Paepe, enz. Zoo als bekend is dienen deze benamingen den belyders van den roomschen en van den protestantschen godsdienst over en weêr als partynamen, ja als scheldnamen. Maar omdat het woord paap, pape in de middeleeuen ook in 't algemeen voor eenen geestelike der Roomsch-Katholyke kerk in gebruik was, zonder dat er eene min gunstige beteekenis aan werd verbonden, zoo kan dit woord, ook in die beteekenis, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van genoemde geslachtsnamen. En zoo zijn dan ook deze geslachtsnamen, met de patronymikale formen daar van, reeds in eene andere groep opgenomen geworden, en op bl. 330 vermeld.
M. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN ZAKEN, EIGENSCHAPPEN, ENZ.
§ 146. De geslachtsnamen, welke de groep samenstellen, die ik thans behandelen wil, hebben over 't algemeen een nog al zonderling voorkomen, en behooren ook geenszins tot de meest gebruikeliken. Integendeel, zy behooren in den regel slechts aan eene maagschap, en hier door klinken zy meestal nog ongewoner ons in d' ooren. Het zijn namen van denkbeelden, eigenschappen, hoedanigheden, in 't algemeen van onlichamelike zaken, die als geslachtsnamen dienst doen. Hoe oudtijds deze en gene man er toe gekomen is, zulk eenen zonderlingen naam als geslachtsnaam aan te nemen of zich door anderen te laten geven, kan nu moeielik meer worden nagegaan en uitgemaakt. Velen van deze namen zijn denkelik oorspronkelik wel bynamen geweest, die meestal uit scherts gegeven werden. De oorsprong van eenigen echter kan men ook tot huisnamen en gevelteekens terug voeren; deze zijn op bl. 371 reeds besproken, maar, om de wille der volledigheid, dienen ze ook hier nog vermeld te worden.
Ten einde deze namen te beter te kunnen overzien, heb ik ze in drie ondergroepen verdeeld. Te weten in geslachtsnamen die eenen goeden zin hebben, in die welke eenen kwaden of althans min gunstigen zin hebben, en in zulken die eene zaak of eigenschap van meer onverschilligen aard aanduiden. Eene scherpe scheiding laat deze verdeeling uit den aard der zaak niet toe.
Vooraf echter mogen eenige geslachtsnamen hier eene plaats vinden, die allen op heid eindigen, en als oorbeelden der namen van deze geheele groep gelden kunnen. Het zijn: Liefheid en Schoonheid met Schoonheydt en Schoonheyt, Jonkheid en Luchtigheid, Hoogheid en Overheid, Vryheid en Redelijkheid. Het schijnt dat in Duitschland dergelyke namen ook voorkomen. Althans heb ik in Nederland den hoogduitschen geslachtsnaam Weisheit ontmoet. In sommigen van bovenstaande namen, in Schoonheid, Hoogheid en Overheid, kan ook het woord heide schuilen. In dat geval zouden zy behooren tot de aardrijkskundige namen. Dit is te meer waarschijnlik omdat my nevens Hoogheid en Overheid ook de geslachtsnamen Hoogerheide en Overheide (Over Heide) bekend zijn. Hoogerheide is de naam van een dorp in Noord-Brabant, by Bergen-op-Zoom.
Tot de geslachtsnamen, aan de namen van goede zaken ontleend, reken ik de volgenden. Om met het beste te beginnen, De Liefde (zie ook bl. 371); verder Minne en Goeminne. Minne zoude ook zeer wel oorspronkelik anders niet kunnen zijn als de friesche mansvóórnaam Minne, die ook als Minno, Menno, by de Friesen nog heden ten dage in volle gebruik is. Aan vele andere geslachtsnamen, meestal vadersnamen, heeft deze zelfde oud-germaansche mansvóórnaam nog oorsprong gegeven. B. v. aan Minnenga en Minning met het half versletene Minnigh; Minnema, Minnesma, Minnes, Minnens en Minnen, Menninga, Mennenga, het versletene Mennega, Menninck, Menningh, Mennes, Mens en Mennen. Eindelik van de verkleinformen Menke en Minke nog de geslachtsnamen Menkema, Van Menkema en Menken met Menko, Menke, Minkema en Minks. By De Liefde voegt De Trouw en Trouw, De Hoop met D'Hoop en het verbasterde Doop (zie ook bl. 418), De Vrede met De Vree, het half-verfranschte De Vré en Vreede, enz., allen nog heden bestaande geslachtsnamen. Verder De Deugd, Geluk (met de fransche en hoogduitsche formen Bonheur en Glück), Goetgeluk, Vreugde en De Vreught, Vermaak, Pleizier en Plaizier, Genot, Heil, Vollewens (volle wensch), Lust met Hartelust, Welvaert, enz. Deze laatste naam kan eene verdietsching zijn van den hoogduitschen form Wohlfahrt, die my ook in de Nederlanden voorgekomen is. Is dit het geval, dan zoude de geslachtsnaam Welvaert eene plaats moeten hebben by de geslachtsnamen, die oorspronkelik oud-germaansche mansvóórnamen zijn, en die ik in § 62 besproken heb. Immers volgens de hoogduitsche woord-uitleggers is de naam Wohlfahrt anders niet als eene verbastering van den oud-germaanschen mansvóórnaam Wolfhart, die ook nog in den verbasterden form Wolfert in de Nederlanden in gebruik is. En als Olfert byzonder in Friesland, waar ook de daarvan afgeleide patronymikale geslachtsnamen Olferts en Olfertsma voorkomen. En dat werkelik in den nederlandschen geslachtsnaam Welvaert het hoogduitsche Wohlfahrt = Wolfhart schuilt, krijgt door het voorkomen van den patronymikalen form van dezen naam, Welvaerts--dus: zoon van Wolfhart, Welfhart--zoo veel te meer waarschijnlikheid.
Een paar geslachtsnamen tot deze groep behoorende, gaan op leven uit. Te weten Blyleeven, Goeleven, Langleven, Zachtleven en Saftleeven. De twee laatstgenoemde namen zijn slechts verschillende formen van den zelfden naam. De beteekenis dezer namen is duidelik. Als de weêrga van den naam Langleven vinde ook de naam Kortleven hier eene plaats, ofschoon een kort leven dan ook juist niet tot de goede, de begeerlike zaken behoort.
Ten slotte brengen wy nog tot deze ondergroep de geslachtsnamen Aandacht, Gunst, Voorrecht, Lof, [241] enz. Nevens den geslachtsnaam Kennis komt ook nog Verkennis voor, een naam dien ik niet weet te verklaren; (Verkennis = Van der Kennis?) Denkelik is dit kennis de een of andere--verbasterde?--aardrijkskundige naam.
De tegenhangers van deze namen, allen aan goede zaken ontleend, zijn de maagschapsnamen die uit woorden bestaan, waar mede slechte, onaangename, onbegeerlike zaken worden aangeduid. Zy formen eene kleinere groep dan de namen in de voorgaande § opgenoemd. Hun oorsprong is gewoonlik even duister als dit by genen het geval is, ja, nog duisterder. Immers kan ik my moeielik voorstellen wat iemand mag bewogen hebben, zulk een woord van onaangename beteekenis tot geslachtsnaam te kiezen. Of, zoo het oorspronkelik bynamen zijn, door anderen gegeven, dan is het my nog raadselachtig hoe iemand er in heeft kunnen berusten, dat zulk een bynaam zijn vaste geslachtsnaam werd. De volgende maagschapsnamen, tot deze groep behoorende, zijn my bekend: Blaam, Gewelt, De Honghere en Dorst (met Grootendorst en Kleinendorst [242]) enz. De geslachtsnaam Verraed is misschien niet het woord »verraad," maar veeleêr eene samentrekking van Van der Raad, dat is van de rade, van de rode--zie bl. 248. Nevens den maagschapsnaam Twist komt ook Van Twist voor. De form van laatstgenoemden naam duidt aan dat hy van eenen plaatsnaam is ontleend. In der daad bestaat er dan ook een dorp Twist by Arolsen in Waldeck, en twee anderen, de Heseper en de Rühler Twist of Twiste in Hanover aan onze drentsche grenzen. De geslachtsnaam Twist kan dus ook zeer wel oorspronkelik een plaatsnaam zijn. De maagschapsnaam Mikmak zal wel aan de dageliksche volksspreektaal ontleend zijn. Daarin toch heeft het woord »mikmak" de beteekenis van oneenigheid, twist, ruzie.