De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 38
Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komen voor in de geslachtsnamen Bier, Wijn en De Wijn. Vervolgens in Zuurbier (de hoogduitsche form Sauerbier komt ook in Nederland voor) en Soetbeer, hetwelk een platduitsche form is. Beer, in plaats van bier, komt ook in den geslachtsnaam Beerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nog Scherpbier, Dunbier en Dunnebier en Coelenbier met Coelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam van Kluun, verhollandscht tot Kluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip", kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk" [237] Kluun en Kluin zijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.
Nevens Zuurbier treffen wy den geslachtsnaam Soerewyn aan, een friesche en saksische form van »zurewijn". En als de weêrga van Coelenbier de geslachtsnaam Koelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamen Koldewyn en Kollewyn. [238] Maar de geslachtsnamen Coldewey, Kollewei en Kohlwei verwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderen oorsprong en beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlanders gedronken werd, komt de geslachtsnaam Romeny voor; en Rummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.
Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamen Koekenbier en Bierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot", die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.
§ 141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaats Jas (met Van der Jas), Buis en Buys, Broek, Hoos, Das, Mantel, Schorteldoek en Borstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen. Jas immers is ook als verkorting van den mansvóórnaam Jasper in gebruik. In Buis en Buys kan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamen Buysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform als Buyskes, Busken en Buska (zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaam Buso, door Förstemann vermeld.--Broek kan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als men Das tot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woord hoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woorden broek en kous. In het hedendaagsche Friesch heeft hoas de beteekenis van kous. Maar in Holland had in de middeleeuen hoos de beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaam Hoos nog kunnen voegen by die welke in § 138 vermeld zijn, omdat hoos ook de naam is van een natuurverschijnsel.
Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamen Ruygrok en Ruifrok, Ruigrok en Ruyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immers ruig, ruif, ruw zijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekere Jan Ruychrock voor.--Verder Langerok en Langerock, Zwarterok, Blontrock en Schoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel" een huisnaam die meermaals voorkwam; volgens Van Lennep en Ter Gouw onder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komt Bontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.
In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam van bokse. Of de zonderlinge geslachtsnaam Vixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dus fiksche broek beduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. § 147 en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld dan Vixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaam Kousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen form Van Causbrouck voorkomt, doet aan de middeleeusche hozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamen Blaauwbroek, Bruynbroeck, Wittebrouck en Rybroek de naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woord broek = moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. In Van Swartenbrouck is dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaam Swartenbrouckx is het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenis van den maagschapsnaam Geuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.
Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier: Hoed, Hoet en Hoedt met D'Hoedt, Den Hoed en Den Hoedt. In Ten Hoet schijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.--Verder Geelhoed en Zwarthoed, met de hoogduitsche namen Grünhut en Schönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. Ook Pet, Muts en Dubbeldemuts. Dan Laars en Leers, Schoen en Schoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaam Schoegje vertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje"), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is. Van der Laars zal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even als Van der Jas die van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers" of »De Rylaers" kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.--Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamen Klomp, Trip (eene muil met houtene zool) en Schaats.
Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamen Knoop en Cnoop (die ook in patronymikalen form als Knoops en Cnoops voorkomen), Roksnoer en Mouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaam Der Mouw, wegens dat voorvoechsel der; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vier knoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaam Knoop of Cnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (Zie De Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamen Bommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, Vijfschaft en Witdoeck. Vijfschaft (Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaam Vijfschaft is dan ook in Drente inheemsch, waar ook nog fiifskaft gedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naam Witdoeck is aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spelling Wittouck voor, en tevens in de patronymikale formen Witdouckx en Wittoucx.
J. GESLACHTSNAMEN, AFGELEID VAN DE NAMEN VAN MUNTEN, GELDSOORTEN, MATEN EN GETALLEN.
§ 142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16de eeu, haren naam Reael ontleende aan »De gouden Reael" (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waar Laurens Jacobsz. de stamvader van dit geslacht woonde--is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.
Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamen Penning en Penninck, en, nog geringer, Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naam Schimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den form Schimmelpenning is deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaam Schimmelpfennig; buitendien ook nog versleten als Schimmelpfeng. Minder in achting was de kwade, dat is de valsche penning, die nog in den geslachtsnaam Quapenninck leeft. Zulk een kwade penning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaam Quapenninck buiten twyfel stelt:
"Slaet al wat kwapennink is "Slaet kwapennink aen den disch! "Dat van Brugge tot aen Gent "Heer Kwapennink sta bekend! "Als dat hy kwapennink is! "Slaet kwapennink aen den disch!"
De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenen vischjes, die men in kwaad fransch wel fiches belieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke" er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaam Speelpenning is dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen", smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in 's Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:
»Is dat eten voor eenen man. "Die daags eenen braspenning verdienen kan?"
De geslachtsnaam Braspenning (zie ook Braspot op bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaam Tweepenninck, die ook in patronymikalen form, als Tweepenninckx voorkomt.
Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaam Penning en Penninck niet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Penne (Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamen Penninga en Pennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uit Pens, en uit Penninckx in Vlaanderen, uit Penning in Engelland voorkomende, en uit Penninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam (Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslacht Pingia (dat is eene samentrekking van Pinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaam Pynema, en uit Pienemann. In de plaatsnamen Pennington in Hantshire (Engelland); Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover; Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover); Pingjum, dat is Pingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats der Pinninga's, der Pinningen, der afstammelingen van Pinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en in Pinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaam Penne, Pinne eveneens voor.
Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamen Drieduiten, Duit en Duitgenius, met Deutgenius, Cent en Centen.--Deutgenius houd ik voor eene verlatynsching van Deutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woord duitje. Men zie bl. 110, en Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart groot oft deutgen (duitje)". Deutgen is ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaam Cent echter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Vincent (Vincentius). En Centen is daarvan een patronymikon, op de wyze als in § 40 vermeld is. De volle vadersnaam Vincenten komt ook als geslachtsnaam voor.
»De Stuiver" kwam reeds in de 15de eeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam, Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekere Gerrit Stuiver burgemeester van Haarlem. [239] Nog heden komen de geslachtsnamen Stuiver en De Stuyver voor, alsmede Kroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.
De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12-1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon, Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamen Daalder, Gulden en Ducaet muntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin als Duyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!" Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naam Duyzenddaalders voerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt", »scilt", was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaam Vijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en als Vijftigschil voorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaam Schilt; zie bl. 364.--In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling", in Engelland, »een pond vlaamsch," in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamen Tweepondt, Driepont en Dryepondt, Tienpont, Thienpondt en Thienpont. De geslachtsnamen Vijfstuk, Vijffstuk en Grootstuk met het door verbasterde uitspraak misspelde Grautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ook Grevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk", eene grafelike munt kan hebben aangeduid.
Algemeene geldnamen zijn nog Kleingeld, Nievergeld en Offergeld met Offergelt en den versletenen form Offergel.--Nievergeld, misspeld voor Nieuwergeld, is Nieuwgeld, nieu geld; even als Niervaart = Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijls Nieveramstel, enz. Eindelik zoude men de geslachtsnamen Smytegeld, Grijptenduit (zie § 150), ook Met de Penningen en Mettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.
§ 143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. De oorsprong van het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat" in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!" stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:
"Want het is een wijs man Die de maet houden kan."
Deze aardige gevelsteen is door Van Lennep en Ter Gouw onvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijn Mudde, Schepel, Zoutmaat en Havermaet. Het hoogduitsche Biermasz is my ook in Nederland voorgekomen. Verder nog Goedmaat en Vierendeel met den patronymikalen form Vierendeels. De beteekenis van den naam Goedmaat is niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden: goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaam Goedvriend; zie § 144.
Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend: Drie, Zeven, Dertien (ook in patronymikalen form Dertiens), Zestiene, Achttien en Agtien, Sestig, Honderd en Duizend, met den hoogduitschen form Tausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaam Drie zoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehucht Drie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaam Van Drie is zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaam Van Agt zynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorp Acht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaam Zeven eindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstam Sew, door Förstemann vermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Sevensma en Zevensma in Friesland, en Sevens in Vlaanderen.
K. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP EN DE ONDERLINGE BETREKKINGEN DER MENSCHEN.
§ 144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., die Karel Van Dijk heette, zynen zoon ook Karel genoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam van de Vader; Karel Van Dijk De Vader noemde men hem ter onderscheiding van den jongen Karel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam van de Neef. Andere soortgelyke benamingen, als Vondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:
Vader, by zeer gebruikelike samentrekking De Vaar en De Vaere, als patronymikon ook Vaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15de eeu voorkomende geslachtsnaam De Veer oorspronkelik even eens de Vader. Immers is veer, feer voor vaar, faar, vader, fader, father, oud-friesch ook fether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woord vader in den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen als feer. Verder Kind, met 'T Kint en 'T Kindt, De Kyndt en Jongkind met Jongkindt. De maagschapsnamen Veefkind en Vollekindt behooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. Over Daenekindt zie men bl. 194. De geslachtsnaam Der Kinderen is op bl. 168 reeds besproken, en De Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamen Den Oudsten en De Jongste, met Jongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. Ook Jongezoon en 'T Jonck moeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form 'S Jongers, dat is: des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Andere broedernamen zijn nog Broeder, Den Broeder, Oolbroer (een versletene saksische form, ool' broêr, ool' broeder, old broeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naam Ool-Bekkink). Verder Stillebroer en Bestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik, Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamen Broers, Broeren, Broere, Broersma en Broersema meen ik niet van het woord broeder te moeten afleiden, maar van den mansvóórnaam Broer (zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamen Oome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvan Ohmken en Oomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woord oom, maar van den mansvóórnaam Ome, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is van Omme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.