De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 37

Chapter 373,626 wordsPublic domain

In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, Saphier en Diamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant" komt ook als huisnaam voor te Amsterdam, [230] en kan aan den geslachtsnaam Diamant ten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam van Thopas draagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaam Agaat heeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had. [231] De geslachtsnamen Pecsteen, Wecksteen en Weeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. Maar Wetstein is aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen" is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukker Hendrik Wetstein bewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17de eeu. [232] Of de hedendaagsche maagschap Wetstein echter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik. Hoekstein en Hoeksteen, met Eckstein in hoogduitschen form, en met Exsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. Verder Smalt, Gips, Krijt, Roodzant, Schulpzand en Stuivesand met Stuyvesant. Naardien echter »het Roode zand" de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaam Roodzant niet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamen Moerenclaey en Moerentorf (moer, moeras; claey, klei; torf, turf) met Kuindertorf (turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).

G. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN HET HEELAL, AAN NATUURVERSCHIJNSELEN, JAARGETYDEN, BYZONDERE DAGEN, ENZ.

§ 138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamen Zon, Son, Maan, Maen, De Maan, De Maen en Van der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der Star en Van der Starre te verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede van Morgenster, Sevenster en Sevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis van Klaasje Zevenster het geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster" zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamen Zonligt en Maneschijn, die ook in hoogduitschen form als Sonstral en Sonnenschein in de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamen Avontroodt en Schemering zijn als de tegenhangers van Zonligt en Maneschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by: Lugt en De Lugt, De Wind en De Windt, Storm, Storme en Sturm [233], enz. De maagschapsnamen Regenboog en Regenbogen komen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog" kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naam Regenbogen meen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelik Regenboge geweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge, bage). Door onverstand, meenende in boge eenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eene n achter gevoegd. De geslachtsnaam Renneboog vertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woord regen als rein en rain voorkomt. De maagschapsnaam Vonk is, ook in den form Vonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, als Vonks en Vonckx komt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.

De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamen Lente, Zomer en Somer, Herfst en Winter, met De Winter en De Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man die Boudewyn de Wyntere heette. [234] De geslachtsnaam Lente kan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehucht Lenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaam Van Lenthe zonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden--dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naam Lente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaam Lante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is. Brons vermeldt in zyne Friesische Namen Lente als een vrouenaam. De patronymika Lentink, in Nederland als geslachtsnaam, en Lenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaam Lente aan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaam Lentelink, die geformd is van den verkleinform Lentele (Lentelyn).

Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche mansvóórnaam, ook door Förstemann vermeld. De hedendaagsche geslachtsnaam Somer, Zomer kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formen Somers en Somering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.

Wintar vind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam in Förstemann's Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter en Zomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaam Winidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen Meert, April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen April en De Mey in der daad aan de namen der maanden ontleend. In Julij kan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaam Julius. Terwijl Meert eene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaam Martinus, die in sommige nederlandsche gouspraken tot Meerten geworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam Meertens. In Koelemey schuilt mede de naam van de maand Mei.

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te weten Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag met Vrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitsche Freitag en in patronymikalen form Vrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamen Maandag en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag" en eenen »Donderdag" echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoogduitsche Neujahr en het patronymikale Nieuwejaers. Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen" oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men in Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens (dl. II, bl. 76) nalezen mag. Verder Vastavond en als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog Paschen en Pinkster met Van Paesschen en Van Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamen Vierdag en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft een van daarby genomen, en heet nu Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form als Van Paesschen en Van Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eene t achter sommige letters (zie § 156). Zoodoende komt de naam Mesdag ook voor als Mestdagh en Mestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen Nieuwentijt en Ouendag, Tijdgaat (zie § 148), De Zaeytijdt, Duurentijdt en Ontijd vermeld worden.

H. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND.

§ 139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; § 124-126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus". En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maar Teake) Tosk. Immers hy woont in Friesland; en tosk (tusk) is het friesche woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad een vaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland, Tosch in Friesland, en Zahn in Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk Die Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutsch Küet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet", und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet" und sein Häuschen hiess die Küeterê" (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten." Intusschen komt in Nederland werkelik Kuit en Kuyt als geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt van Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd.

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier: Hooft en 'T Hooft, met Hoeuft, Heuft en het versletene Heuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woord hooft of hoofd in de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaam Bleyenheuft komt deze spelwyze ook voor; en eene andere in Schoonhoefd (zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd"? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamen Goudenhooft en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder D'Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiver de oore, voor het noord-nederlandsche het oor. Zoo spreken zy ook de ooge, voor het hollandsche het oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam Doghe te moeten verklaren als D'Oghe, D'Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in dit Doghe ook de bekende geslachtsnaam De Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, als D''Oge, De Hoge, De Hooge. Nevens D'Oore in Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaam Oor voor, en zelfs het fransche Oreille. Verder De Neus, Neus, Kaakebeen, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, 'T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duym en zelfs Van Duym, Pinck, Been (en Poot), Kuit en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel (zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schornagel (scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).

By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan in Baert een oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamen Baarts en Baerts ten grondslag ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam. Polle is een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaam Polle of Pol als zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aan Pollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschte Pollius. In den geslachtsnaam Been kan de friesche mansvóórnaam Bene schuilen, de oud-germaansche naam Beno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Beninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz. Hile (Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, als Hylke en Hyltje voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen, Hieltjes, Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.

I. GESLACHTSNAMEN, AAN DE NAMEN VAN SPYZEN, DRANKEN EN KLEEDINGSTUKKEN ONTLEEND.

§ 140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van 't eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.

By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens", met het brood. Broodnamen zijn Wittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immers Jan Wytbroot was reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden. [235] Ook in Engelland komt de geslachtsnaam Whitbread voor, terwijl het fransche Blanpain in Nederland my voorgekomen is. Verder Teirbroodt, dat is het brood waar men van teert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaam Droogenbroodt is een tegenhanger van den maagschapsnaam Boterenbrood, welke naam ook in den form Botterbrodt voorkomt, en van Kaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, als De Casembroot voor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood" als uithangbord. [236]

Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg. Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik als Broodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaam Brocorens. En als Zuurdeeg (met den hoogduitschen form Sauerteig).

Als aanhangsel tot deze broodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamen Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met Krentebol. Eene bol is een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle". Deze bolnamen, waartoe misschien ook Wittebol (zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot de koeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en Coucke, in Holland en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm Pantekoek komt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraak pantekoek voorgekomen is, in plaats van pannekoek of pankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.

Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamen Heetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, Kaas en Caes, Hooikaas en Ooykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen, wrongel genoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, de wei of hui, in de friesche gewesten waei of wai genoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaam Waaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is het Wrongelhuus nog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen", die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen":

»Wronghele ende wey, Broot ende caes, Dat heit hi al den dach!"

En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaam Wittewronghel met Wittevronghel en Wittevrongel in Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naam Dolleboter is my onbekend. Ooykaas houde ik voor eenen versletenen, ouden form van Hooikaas.

In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was het drinken of het zuipen, het suypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog heden sûpe (spreek ongeveer als soepe uit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk", in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt", nog bestaat, zegt men suup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze als diksoepen bekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent men zuipen als zuivelspijs. De geslachtsnamen Karmelk, Soetewey en Vetsuypen, met den patronymikalen form Vetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.

Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamen Potharst, Spek, Ham, Spekham, Worst en De Worst, Pannevis, Pekelharing en Stokvis. De naam Potharst komt menigvuldig voor, ook in de versletene formen Pothast en Potthast. Potharst bestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van de harst (ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerecht hutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik. Kiliaan heeft »Pot-harst, Sax. Fris. Sicamb. j. hutspot. Caro iussulenta."--»Schelharst" is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak der r, byzonder der ar, by de saksische Nederlanders. Te weten als Schelhaas. Nevens den geslachtsnaam Spek komt ook Van der Spek voor, en Van den Ham naast het enkele Ham.--»De Ham", vooral »De Westfaalsche Ham" was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woord ham nog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam van Ham en Den Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaam Van den Ham zal dus waarschijnlik, even als Ten Ham en Hamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.

Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamen Kool en Cool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, Gortworst en Potjegort. Nevens den naam Witteboon komt ook Bonewit voor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naam Witteboon misschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naam Bonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaam Bonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie § 164. In Kool en Cool kan ook de oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam Colo schuilen. Zie bl. 102. Nevens Boerkool komt ook de geslachtsnaam Boerkoel voor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot de koel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.

Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaam Braspot vermeld worden, die (brassen = smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamen Mostert, Olie, Oly en Honig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, als Honingh, Honing, Honigh, Hooning en Heuninck.