De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 36
De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel: »het huis onder de linde", of »by de eiken", of »by den peereboom". En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde", of »Bartold by de eiken", of »Hubert van den peereboom" noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde", of »Berthout van de Eiken", of »Hubrecht Peereboom." Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werk De Uithangteekens van Van Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy: de Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appel en de Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten. Hein, de worteleboer, werd al spoedig Hein Wortel genoemd,--Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde men Bartel Coolsaet of Barthold Rogge,--Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam van Pier Peper. En Levi, die »spaansche fruiten", gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlang Levi Citroen, terwijl men Krijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende als Krijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.
Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten Boom en Onder den Boom. Omdat Boom ook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaam Van Boom liefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid. Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog: Appelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, Noteboom en Neuteboom, Palmboom, Peereboom, Rozeboom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom en Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen--van daar ook het Mastbosch by Breda en elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelenboom verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van ekkelkoffi (fijn gestampte gebrande eikels), van ekkelspek (het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel is aker. »De Akerboom" kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam; [228] misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heette De Akerboom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ook sevenboom, savenboom, savelboom noemt, dien de geleerden Juniperus Sabina noemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam Slijboom houd ik voor eene verbastering van Sleeboom, het welk de naam is van den Prunus spinosa, dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer wijl de sleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerland sleien worden genoemd. In den geslachtsnaam Slebos vindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug; slebos, verbastering van sleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaam Slebos ook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is, am Ende, de dorpsnaam Schlebusch ook weêr ontleend aan den naam van den sleeboom. De teeboom, waaraan de geslachtsnaam Teeboom zynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen is kienboom. Kilianus heeft »Kien-boom, kien-hout, pinus, teda." In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaam Kieboom.
Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woord boom daar achter. Dit zijn Hagedoorn en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D'Hulst. Verder De Linde (kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) en De Lynde, Louwerier en Lourier (hollandsche uitspraak van laurier), Palm en Popelier.
Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok" in plaats van »boom"; b. v. »wijnstok" en »rozestok". De geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn oorspronkelik deze woorden.
Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere, tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree, en in de skandinaafsche als träd en træ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, appelboom), Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, en Appelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem. [229] In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam van mispelteer, de vlierboom heet daar holenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woord Holunder (der = boom); en de jeneverstruik wachelteer, hoogduitsch Wacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ook appelteer, appelteir, appeltere, overeenkomende met het engelsche appletree, en den noteboom notelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn Mispelter, Mispeltier en, als patronymikon, Mispelters. En Notelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamen Hagedoorn, Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos, Hoogendoorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.
Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreep laar (lare, laere, leer, lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenen appelaar, voor appelboom; van eenen kerselaar, mispelaar, neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namen Appelaar, Perelaer, De Haeseleer, D'Haselaer en D'Haseleire (haselaar = haselnoteboom), Kersselaers, Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, Roseleer en Rooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.
Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aan boomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom en Raeckelboom niet te verklaren; en Göljenboom evenmin. Ook Boerenboom, Boerboom en Bourboom zijn my zoo min duidelik als Slotboom en Soeteboom. De geslachtsnamen Graanboom en Meelboom kan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van boschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden als bosboom, boksboom, buksboom, hoogduitsch Buxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam van palm draagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamen Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud woord kwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woord kwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne (zie § 165). Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachtsnaam Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen Dorreboom en Dorrenboom.--Hoogeboom, Holleboom, Dikboom en Oldenboom (oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam Heyligenboom zal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.--De geslachtsnaam Meiboom en Meyboom kan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom", die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.--De beteekenis van den naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude het oorspronkelik beerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?
Nevens deze boomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woord hout zijn samengesteld, en die met de boomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen: Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. Verder Langhout, en, in saksischen form Lankholt, Witholt, Kromhout en Cromhout, Drijfhout, Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout," komt in verschillende formen voor; als Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form als Eicholtz, enz. Verder nog Van den Eeckhoutte, Van den Eeckhautte en Van den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenhout komt ook voor als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form; als Boekhold en Boekholt, in saksischen form; als Bouchout en Bouckhout, in vlaamschen form; verder nog als Boekhout, Bucholtz, enz. Schelfhout komt in Brabant ook als Schelfaut en Schelfhautte voor. Burgerhoudt en Tuinhout behooren mede tot deze groep. Eveneens Van 't Lindenhout en Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout", dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.
De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof en Eckhoff, allen een hof van »eeken" of eikenboomen aanduidende, Beukenhof, Berckhof en Berckenhof, Appelhof, ook Lindenhovius in verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.
Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v. Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nog Van den Peereboom en Van den Peireboom, Van den Kieboom (zie bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamen Vijf-Eiken, met Van Vijfeyken en het kwalik gespelde Veyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet; te weten van Dreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaam Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze eiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen als Eik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend. Ek in Van Ek en Van Eck kan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek." Verder Van der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, Verwilghen en Utterwulghe (zie bl. 257);--Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den Elsen en Van den Elzen met Verelzen. Verbueken, met Verbuecken, is een brabantsche form voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der Linde (dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nog Van der Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Verlint. Dan nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme (olm is de zuid-nederlandsche naam van den yp), Van de Peppel (peppel of pappel of popel is de nederlandsche volksnaam van den populier). Van de Wijngaert met Van de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, als Van den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak, als Van den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehucht Abeele op het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaam Van der Palm eindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm" als huisnaam.
Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, Van den Bussche, Van 't Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van 't Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op 't Holt, Bymholt (zie bl. 253), Van den Boom, Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.
§ 136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.
In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten: Byvoet, ook in patronymikalen form als Byvoets voorkomende; Hoppe, Thijm, Braam en Braem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, Klaver en De Klaver, Coorevitse (zie § 151), Vlas, Dopheide, Bies en Biese, Quakernaat, Gras, Graan en De Graan, Tarwe en Taerwe, Rogge, Geerste, Haver, Spelt en Koorn. De geslachtsnaam Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik of krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hederik, Hadarik ook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch kan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, in Duitschland als Hederich voorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.--De maagschapsnamen Oudegerst en Oltrogge moeten ook tot de graannamen worden gerekend, even als Tervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.--Mos en Schimmel zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel" wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamen Kruid, Kruyt (hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid.
Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier: Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad (met Kleeblad, klaverblad), Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, Pit en Kern.
In de maagschapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam, Blum en Blume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woord bloem. Immers Blom, Bluoma is een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.
De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aan algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn de geslachtsnamen, van de namen van byzondere bloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, met Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely en Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie." Vervolgens Tulp, Boterbloem, Distelbloem, Vlasbloem en Vlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamen Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens--»die blaue Blume der Romantik") moet gedacht worden. Kleinbloesem is een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.
De maagschapsnamen Mispelblom en Gelderblom zijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in § 128, by de namen aan huisteekens in 't algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom" was afgebeeld op het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem" en »de geldersche roos" of »Roos van Gelre" genoemd. Van Lennep en Ter Gouw zeggen er van, in hunne »Uithangteekens", dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen de Geldersche Blom uit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt."
Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Rose, enz. in alle gevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. Immers Ros, Rose is een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldt Leendertz in zyne Naamlijst (Navorscher XXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.
Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot met Neut en De Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen: Appel, Den Appel en Houtappel (ook in hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom). Citroen, Pruim (zie echter bl. 212), Olijff, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, Corstanje en Carstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.
Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamen Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quaesaet (kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamen Koolsaet en Coolsaet, Lijnzaad en Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namen Raepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, Ripsaam en Riepsame.
De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneens Haverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.
Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamen Peper, Kaneel, Caneel en Canneel, Sucaet, Comijn, Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Kervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toeback en zelfs Tobback. Verder Zoethout (met het hoogduitsche Süssholz), Siepel, Juyn (sipel is de friesche, juyn of juun (ajuin) de zeeusche naam van de uie), Juynboll, Peperwortel, Radijs, Langeraap en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen Balsem, Pik en Hars te worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.
F. GESLACHTSNAMEN AAN HET DELFSTOFFENRIJK ONTLEEND.
§ 137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.
Nemen wy in d' eerste plaats de namen van metalen, dan vinden wy als zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, Silver en Zulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. Verder Koper, Yzer, Lood en Loot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamen Staal, Koudstaal, Coudyser, Coudyzer en Caudyzer met Hardyzer. Koperdraat en Yzerdraad (met het hoogduitsche Eisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamen Van Koperen en Van Yzeren breng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.