De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 34

Chapter 343,619 wordsPublic domain

Muis, Muys, Muus en Muysken; De Ratte en De Rotte; Konijn en Conijn--zie bl. 210; Haas, De Haas en D'Haese, met den verkleinform Haasken, met Coolhaas en Koolhaas en met Kenniphaas (kennip is het zelfde als hennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naam koolhaas is dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. Maar Kenniphaas? Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje", by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef", en is een »café." Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap."

Rob, Bruinvis, Tuimelaar en Tuymelaar (dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens", zie bl. 300), Dolfijn (als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam), Walvis. Vervolgens Oliphant.--Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn" of »varken" willen heeten? »Aap" is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaam Schram wel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woord schram, ook bloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaam Schram afleiden van het woord schram in de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namen Bergsma en Bargsma (berg, barg == varken), zie men bl. 132.

Het woord peerd is my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen. Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. Verder Hengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, Schimmel en Kedde (kedde, in Noord-Holland ket, is het friesche woord voor het hollandsche hit). Of de geslachtsnamen Ket en Ketjen ook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Het kan ook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaam Kette (Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst van Brons, [215] en waarvan de geslachtsnamen Kettema en Ketting, gelijk ook Keta, vadersnamen zijn. Over den mansnaam Kat, Ket zie men verder § 134. De geslachtsnamen Maliepaart en Molenpage reken ik ook tot de peerdenamen, maar Gryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaam Eyspaart wist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaam Isbercht, Ysbrecht, ook als Isanperht, Isanperath by Förstemann vermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard", »IJspeerd." Men zie de Bo's Westvlaamsch Idioticon op het woord »ijspeerd." De geslachtsnaam Eyspaart behoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld. Maliepaart zal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woord male peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet, l'Equus sarcinarius dont parle Carpentier, Suppl. Duc. vo Maletus; Mallier, dit encore Carpentier au t. IV; le Cheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage. Kiliaan l'appelle Maelhengst." [216]--Page is de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaam Pagenstecher (peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt. Molenpage beteekent dus een oud molenpeerd--een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.

Koe, De Koe en Bontekoe. »De bontekoe" is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam. Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 1578 [217] droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval met Willem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.--Stier en De Bull komen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os," enz.--niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamen Van Os, Van Oss, Van Osch zijn ontleend aan het vlek Os in Noord-Brabant. Eindelik nog Hokkeling, Kalf, Calf, Kalff en 'T Calf.

Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lam en 'T Lam, Ooilam en Oylam.--Jongschaep komt ook voor; in scherts genomen voor Lam?--Edelschaap is my onduidelik.

Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder 'T Hert, 'T Hart, Hert en Vliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger van Vliegendehond (zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt 't Vliegend Hert voor te Naarden en het vlieghenden Hert te Gent. [218]--Ree, Rhee, De Ree en Reekalf. Deze laatste naam is van oude dagteekening. Immers Goossen Jansz. Reecalf was in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaam Van Rhee is natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehucht Ree by den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaam Eland en Elandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.

Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Wildebeest en Eenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »'t Wilde beest" is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn" echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor. [219] Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaam Zeekat ontleend. Zie § 148.

§ 132. De geslachtsnamen Vogel, Stoorvogel, Vettevogel, Witvogel en Ziervogel moeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. Nevens Vogel komen ook Veugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De Veughele en De Veugle als geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamen Vogels en Voghels.--Stoorvogel beteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woord stor, stur = groot komt in de Nederlanden nog slechts voor als stoer, struisch, stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeft stor de oude beduidenis behouden. Stoor staat eigenlik tegenover kleen, als groot staat tegenover klein. Stoor en kleen hebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis--groot en klein eene betrekkelike. Zie bl. 339.

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen" geacht werd, met den arend. Arend, Den Arend en Van den Arend zijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, is adelaar. De naam Adelaar, ook in hoogduitschen form als Adler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man die Adelaar heette, in een huis waar een adelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamen Valk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, Wikel en Blauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie § 152. Verder nog De Gier met Uil, Uyl en Den Uil. Dan volgen Raaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, Craeye en De Kraai, met De Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikon Axters. Verder Koekoek en Koekkoek met Cockuyt en Cocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon op het woord koekoek, koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.", enz.--Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De Vyncke en Van der Vink, Geelvink en Rietvink. Maar Roelvink en Aalvink (zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen. Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naam Van der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan. Spreeuw, Musch, Mosch met het nedersaksische Lünink en het hoogduitsche Sperling. Leeuwrik en Lerk, Mees, De Meeze en Koolmees, Meerlaer, De Maerel en De Meerleere en De Lyster. Reeds vroeg treffen wy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?): Atte Mockama, alias Lijster, een boer te Ferwert in 1511. [220]--Nachtegaal, Nachtegaele, De Nagtegaal en Nachtergaal. Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam, Zwaal en Swaal.--Duif, Duyf, De Duve en Duyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in Vlaanderen Duiver; daar komen ook de geslachtsnamen Duyver en Den Duyver voor. Hoen en 'T Hoen. De Haan is zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan" en »'t Haantje" zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen: Haan, Den Haan, Den Haene en D'Hane. Buitendien nog de samengestelde namen Roothaan (huisnaam De roode haan?), Mouthaan (een haan die mout eet?) en Stoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekent groote haan (zie bl. 381 op Stoorvogel), en komt ook als Stuurhaan voor. Tot de hoendernamen behooren verder nog: Hen, Kip, De Kip, Capoen en Capuen (dit laatste is de brabantsche form van dezen naam), Kuiken en Hinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaam Kuiken, een tegenhanger van Duyvejonck, bovengenoemd, en van Jongschaep op bl. 380 vermeld. Veldhoen, Fezant, De Quartel en Quartel met Auerhaan (laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend. Kalkoen en Calkoen met Pauw, Paauw, Paeu, De Paauw, De Paeuw en De Pauwe zijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.

Struis kan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoord struisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys" oudtijds niet zeldzaam. [221] De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord en dezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerden Guido Gezelle kan men vinden in het tijdschrift Loquela--jaargang 1883, bl. 25.--Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaam Kieviets.--Reiger en D'Heygere. Heygere is de oud-vlaamsche naam van den reiger. Kwak, Quack en De Quack [222]; De Lepeleer, De Lepelaere, De Lepeleir en De Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woord Ovaere, Odevaere en Ottevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen form Stork. Verder Snippe met Stind, beter stint, de friesche naam van eenen strandvogel, Tringa (zie § 152). Spriet en Schriek--dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis). Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De Zwaan met Van der Zwaan en de friesche formen Swan en Van der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteeken de Zwaan en 't Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is. Gans en De Gans zijn daarentegen zeldzaam, en »de eend" ontbreekt geheel. Taling echter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn. Rotgans en Slobbe zijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden. Pellekaan en Pillekaan zijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nog Meeuw en Malefijt, Malefeyt en Maelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam van malefijt of malefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,--en wijl daarentegen de naam Malefijt, Malefeyt als geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie § 151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaam van den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaam Malfait, voor de weêrga dus van den franschen naam Bienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt. [223]

§ 133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn: Kikker en Kikkert in Holland, en Puit, Puydt, De Puydt, Den Puydt in Zeeland en Vlaanderen inheemsch. Puit of Puut toch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandsche kikkert. Verder de geslachtsnaam Pogge, die padde beduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaam Poggenbeek.--Slangen en Slanghen (op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamen Griffioen en Draak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draak dienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dieren griffioen en draak als amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak" en »De griffioen" kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.

De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Vis, Visch, De Vis en De Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan. De Haay, Steur, De Steur en Van der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De Both en Botvis, misschien ook Botje--zie bl. 398. Verder Cabeljaeu, Cabeljau, Cabilliauw en Cabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering (ook als patronymikon Spierings) en Spierlynck, Meyvis (dat is elft, hoogduitsch Maifisch), Zalm en Salm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, Voorn en Vervoorn (d. i. Van der Voorn), Pos en De Posch, Baars, Beers en Den Baars, ook (in het Friesch) in verkleinform Beerske; Snoek, Snouck en De Snouck. Volgens De Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaam Gobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16de eeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen." Gobius echter is de latynsche naam van den grondel (Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende. Rhijnvis (rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. In Edw. Gailliard's Glossaire flamand--Brugge, 1882--vind ik: Rynvissche, sorte de poisson de mer." En daar blijkt ook dat de geslachtsnaam Rynvisch reeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ook De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamen Bakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharing enz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in § 140 vermeld.

Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden: Kever, Watertor, De Bie, De Bye en Van der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, Vlieghe en Vliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen" uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam van Jan Vijf-Vliegen. [224] Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, is Quaetvliegh (de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, als Quaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteeken van den duivel gold, van den »kwade", zoo gis ik dat de naam Quaetvliegh in eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamen Potvlieghe en Schauvliegh met Schauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.

Verder komen nog voor de geslachtsnamen De Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, Crabbe en Van der Krab, Geirnaert en Garnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Holland garnaal noemt. Eindelik nog Oester en Mossel.--Willok of Wullok is de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, als alikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik als Willock en Willocq; ook als patronymikon: Willocks, Willox, Willockx, enz.

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden: Worm, Wurm en Lintwurm. De geslachtsnaam Van der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaam Lintwurm denke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naam Lintwurm is afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;" oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm." Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.

Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog: Koehoorn, Honig, en Parel, met Perel, Paerl, Paerel, en het patronymikale Parels.

§ 134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamen voor. Zulken zijn: Beer, Bero (in Bernhart, Barend, Berend), Ever (in Everhart, Evert), Leeuw, Lieue (in Leonhart, Leeuwenhart, Leendert), Wolf (in Wolfhart, Wolfert), Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komen toevalliger wyze overeen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamen Hase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamen haas, bok, duif, valk, bot, reiger overeenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben. Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamen muis, mees, meeuw, haring, vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. Immers Muis, ook Muys of Muus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaam Bartholomeus; en Meeuwe of Meeuwis is dit ook (even als Teeuwis van Mattheus), zoo mede Mees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaam Haring is eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaam Haro, Here. En Vinke, Vink is een verkleinform (Vin-ke = Vin-tje) van den mansvóórnaam Finne.

Het ligt dus voor de hand dat niet alle geslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van de diernamen zijn afgeleid. Integendeel--daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v. Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dan kunnen ook zeer wel mansvóórnamen aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen als Leeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. By Arendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v. Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welke schijnbaar aan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namen Zeekats, Baars en Kater aangaat, vermeld en bewezen in § 148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerden P. Leendertz. Wz. en door my zelven, onder de namen »De mansnaam Muus," en »Diernamen als geslachtsnamen" zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschrift De Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.

Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaar diernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.

Lew of Lewon is een oud-germaansche, in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch voorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekent leeu. Als Leeuwe, ook wel Leuwe, Leuve, Lewe was deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en als Lieuwe, Lieue (de leeu heet in het Friesch lieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor. Lewe, Leeuwens, Leeuwes, Leuwen en Leeven zijn de geslachtsnamen aan den naamstam Leeuwe ontleend. Zoo mede het friesche patronymikon Leeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschen mansvóórnaam Lieue, Lieuwe zijn de friesche geslachtsnamen Lieuwema, Lieuwma en Lieuwes ontleend; en ook Lieuwkes aan den verkleinform Lieuke.