De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 33

Chapter 333,816 wordsPublic domain

Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam" uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook in oude spelling als Roscamm voorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamen Den Toom, De Haam, Breydel en Zweep.--Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16de eeu moet »De Bas" te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is. Pieter Jacobsz Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16de eeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend. [195] En nog heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas voor, met Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woord hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaam De Keghel is zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel" uithing. Misschien herinneren de namen Kolff, Kolf en Schaack, Schaak ook aan de spelen van dien naam. Bal en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en Teerling, Teerlinck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong. Roosenkrans, Rosenkrans, Rosencrantz en Paternoster zijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster", zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaam Goudschaal reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. Pers en Pars is ontleend aan een huis waar eene »pers" uithing, 't zy dan eene wijnpers (zie Van de Wijnpersse op bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse" hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by 't Water »(te Amsterdam)" en later op 't Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers" aannam en zich als dichter en historieschryver ook Theodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden" liet noemen. [196] De geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam is Goudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En Andries Boeleszoon in 't Gouden Hooft was een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar dit teeken aan den gevel stond: »het houten Hooft", of, te Amsterdam in de 16de eeu: »het houten Aangezicht." In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft" heette. En in het midden der 16de eeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, die Laurens 't houten Aangezicht werd genoemd. [197] Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. Toutenhoofd is eene samentrekking en misspelling van 'T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En als Houthoofd in Vlaanderen; uitgesproken »Outooft." Aan de zeeusche gewoonte om de letter h niet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaam Houtekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind", als huisteeken aan den gevel gesteld was.--Hoppzak en Haverzak zijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack" uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16de eeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak", en in de 17de eeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak" te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack" nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak" vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht. [198]--In 1690 woonde Gerrit Claesz te Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot" (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam, Blaupot, nog heden bestaat. [199] Ook Blaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooral by koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: als Biebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggen biebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf in gebruik. [200]

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratelband en Roggeband. Is »De Strooband" een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naam Strooband is aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor: Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form: Stroobants, Stroybants.

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromen Thomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlik Hamerken was. Hy leefde in de 15de eeu. Verder Adam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend--en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie § 159), gelijk trouens de namen Potken en Hamerken die ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenen Roger de Hamere te Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam van Breydel werd reeds in de 13de eeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel" uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en die niet naar het geslacht Breydel zoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeusche Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15de en 16de eeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen," »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries," »Claes in de Gulde Hant," »Pieter Dirkszoon in 't Vlasvat," »Willem Lubbertsz. in den Helm," [201] »Pieter Laurens in den Haen," »Simon Dirksz. uyt die Poort," »Arend van den Anxter." [202]

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

§ 130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »'t Geloof," »de Hoop," »de Liefde" kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin," »De Vrede," »De Dood," enz.--allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek der Uithangteekens te vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan: De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuyn en 't Fortuin (»'t Fortuin" was steeds een veel begeerd uithangteeken--men dacht aan nomen est omen--van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D'Hoop en samengesmolten als Doop, De Liefde, Trouw en De Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De Vree, Welvaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men by Van Lennep en Ter Gouw nalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; als Paradies en Paradis, Helleput (en misschien ook Nechelput--Neckerput, Nikkerput?), Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op 's mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten: Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel" genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop," op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaam Gladdegevel nu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form en verbastering tevens van het woord kemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek," en is met het fransche woord cheminée en de italiaansche woorden cammino en camminata van den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woord kemenade hier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek," de kamer of de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaam Van Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster en Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon--Portaels--voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken: Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, Keuken en Poestkoke, Kelder, Op den Kelder en Stall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Steenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

D. GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN DIEREN ONTLEEND.

§ 131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v. De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men in Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens nalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregen of namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14de eeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waar de Mol uithing, en naar 't welk het geslacht Mol zijn naam voerde." Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat", »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen", »Jan in 't blaeuwe Paert", »Barend Janszoon in den engelschen Dog", als de namen van 16de eeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter", »Goossen Jansz. Reecalf", »Reynier Paeu", »Thomas Willemsz. Bontekoe", »Jacob Huyg Pietersz. Haring", enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck", schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer" in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf" in het dorp Eethen (Noord-Brabant), »Heindrick Blieck", pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol", »gaermeester" te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514. [203] In de 14de eeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos" aan [204], en »Jan de Katere" met »Geraerd Dhond" onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen. [205] Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene", een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127. [206]

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doen had, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd. Hendrik Harrewijnsz b. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam van Hein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over. [207] Het beruchte rotterdamsche wijf Kaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zy Kaat heette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haar Kaat Mossel, en zóó was zy bekend. [208] Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, 't zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd wel Jan Valk genoemd. Een ander, zeer vlug te been, wel Klaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by 't minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyze Hein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd. Valk, Duif, Bot (Botte), Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in § 134 nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen--uit het dorp Beers in Friesland, [209] te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maar Eabe noemen, of Eabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ook Eabe Sytses heetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó--'t is het zelfde) Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst. E. S. Beers nu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naam Beers wat al te plat in d' ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graag Baars--dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip. Beers is immers ook maar het friesche woord voor het hollandsche baars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan als Baars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele of deze geslachtsnaam Baars oorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!--De geslachtsnaam Baars is aan menig nederlandsch geslacht eigen, om van Den Baars niet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars" of »de dry Beerskens" of »de gekroonde Baars", waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in § 148 vermeld.

De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven: Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor: De Leeuw, 'T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel: Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen: Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheid toch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaam De Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaam Le Leu; d. i. Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie § 165.) Aangaande de namen Leeuwen en Leeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men § 134. De geslachtsnaam Van der Leeuw is ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw" ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men § 157. Ook komt de maagschapsnaam Leeuwin voor; zie § 163. De geslachtsnaam Van Leeuwen is afgeleid van het geldersche dorp Leeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurt Leeuwen, by den dorpe Maas-Niel.--De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, is Liebaert, in Vlaanderen ook wel Klauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamen Liebaert en Lybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert" vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.

Waarschijnlik is de geslachtsnaam Luypaert eene verbastering van Liebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.

Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, Cath en Katje. Ook Kats, Cats, Catz? zie § 134. Huizen, die »de Kat" heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol", pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16de eeu de apotheker Jan Huyberts, die zich naar dat huisteeken Jan Huyberts Cathuis noemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde. Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten er Cathius van, en ook Catzius. Ook waren er onder 's mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkel Cath schreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden. [210] Een Jan Claesz. Kat was burgemeester van Amsterdam, in 1579.--By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamen Kater en De Kater zijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie § 134.

Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon, Beers; zie echter bl. 375.--Wolf, Wulf, De Wolf, De Wulf en Van der Wolf. Over de patronymika Swolfs en Wolfs zie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heet welp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam, Welp, voor.--Vos, Voss, De Vos, en verlatynscht Vossius.--Hond, De Hond, De Hondt, D'Hondt, Dhont, in verkleinform Hondekyn, verlatynscht tot Hondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor: De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Brack en Brak, [211] Hazewind en Hazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor als Hazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaam Vliegendehond is ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar in Van Lennep en Ter Gouw's werk over dit onderwerp, vinden wy wel een vliegend hert, een vliegend kalf, een vliegend paard, een vliegende vos en zelfs een vliegend varken als uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit--nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam: Jacob Jansen Benning in 't Vliegende Varken, [212] die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond" als huisnaam, nu deze geslachtsnaam bestaat?

By den geslachtsnaam Muyshond, ook als Muyshondt, en versleten als Musont en Mussont en zelfs als Musson voorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat wel muyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam. [213] De geslachtsnaam Muysson schijnt slechts eene gewyzigde spelling van Musson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik als Mu-sson wordt uitgesproken. Het kan dit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeer kan het, even als Muusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Muus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaam Bartholomeus. [214]

By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamen Mud (het friesche woord voor bunsing; zie § 152), Otter en Das waarschijnlik ontleend.

Mol, Moll, De Mol. Een huis dat de Mol heette, schijnt reeds in de eerste helft der 14de eeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ook Moll, en van die plaats kan het eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.