De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 32
Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur: De Soete, Soete, Soet, Zoet, met Zuur, Zuure en Bitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naam De Soete schijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete" en »de bittere" werden onderscheiden. Zoo iets kan by 't ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.
De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341-344 vermeld. Waren de namen De Blaeuwe, Blaauw, enz. en De Groen en Groen my reeds twyfelachtig--wat zal ik dan maken van Bladergroen, Hoogbruin en Reynwit? In welken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamen Croockewit en Hulsewit zijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaam Bruinzwart, die ook als Bruinswart voorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaam Van Bruinzwaard uit de onwetendheid. Immers het voorvoechsel van duidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaam Brunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naam Brunswarden wordt door het friesche volk steeds als »Brunswert" (natuurlik met hoogduitsche u) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ook Liowert noemen, het dorp Sengwarden Sennewert enz. De form van den geslachtsnaam Bruinswart is eene regelrechte verhollandsching; maar Bruinzwart en Van Bruinzwaard zijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woord Bruins-wart niet verstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart" was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur, bruinachtig-zwart; de andere aan een bruin zwaard. Zij hebben de s niet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swart of ook swaard, zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om die s te verwisselen met eene z, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaam Van Lamzweerde tegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woorden lam en zweerde, en niet Van Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goeden form. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naam Lamsweerde (Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht tot Lamswaarde, en nog meer verbasterd tot Lamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamen Ammersode (Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, en Walsoorde (Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by 't dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel als Ammerzoden en Walzoorden misformd en onverstaanbaar gemaakt. [189] En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling van s als z, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam, Willem van Reymerzwale (dat is: Reymerswale [Reimer 's wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514. [190]
De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.
C. GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND.
§ 128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, 't zy in beeldtenis, 't zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven--al mindert hun getal ook dageliks--die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu--dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.
Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beiden Harmen of Herman Janssoon of Jansen heetten, maar de eene woonde in het huis de Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde, 't Fortuyn uithing, dan kreeg al spoedig de eerste Harm Jansze van zyne buren, ter onderscheiding, den naam van Harm Jansz in de Swaen, of Harmen van der Swan, of ook eenvoudig Herman de Swaen of Herm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht" was. En de andere werd Harm Fortuyn genoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15de en 16de eeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde. Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael" (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. »De blaeue Hulck" (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekere Jacob Sieuwertszoon in woonde, welke dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuwhulck noemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandsche steden doorvorscht. Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in 't blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16de eeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep en Ter Gouw's werk De Uithangteekens (bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.
§ 129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:
In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.--De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele", »In den Wildeman", »In den Bonten Mantel," enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt", of »Dit es in de dry Keunynghen", of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere." Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17de eeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, 't Lam", enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman." Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jaren België bezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam; Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen, Raadsheer van Amsterdam in 1547,--Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na: In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.
Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen, en vroeg men: »welke Wouter is dat?" dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker", »Wouter van den Arend", »Wouter van de Ploeg", of ook »Wolter uut de drie Rapen", »Wauter uyt de dry duyfkens", al na dat die Walther in een huis woonde, waar »het Anker", »den Arend", »de Ploegh", »de drie Raepen", »de dry Duyfkens" of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen; Uut het Hooghuis, en misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetsel van, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel: Van der Maen (de maan, vooral ook »de halve maan," was oudtijds een algemeene huisnaam); Van der Bijl, Van de Wijnpersse (»in de Wynpaersse" zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; en Aecht Simonsdochter in de Wijnpers was eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van der Zwaan, Van der Zwan en Van den Zwaene. (»De Zwaan" was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen. Swan is de friesche form van het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit. Van der Zwan en Swan zijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form als Du Mortier in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt; Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van 't Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel" was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche Amsterdammer Jan Laurenszoon Spieghel droeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel, Van de Spiegel en Van der Spieghele zijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten als A Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.
Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamen Kan, De Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan". Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan" uithing, den naam van »Achter de groene kanne". Ook de buurt »De Groene-kan", by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaam Van de Groenekan daaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16de en 17de en 18de eeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der Crans afkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen, Cransen en Kransen.
»De Wereld," als een wereldbol, soms ook, b. v. in myne jeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamen Van de Waereld en Van Weerelt zijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaam Wereldsma heeft echter met dit woord wereld niets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaam Wereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naam Werhald, die in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch voorkomt als Wideralt, Widarolt, Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaam Wiederhold oorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd" had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naam Wereldsma maar aannam, in zinspeling op zyne tochten. [191] Van Lennep en Ter Gouw vermelden: [192] »Vóór 1636 stond er" (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Werelt in den gevel: het huis was gebouwd door Jan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam." Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik in De Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam van Jan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als: Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt" uithing. Denkelik, wegens den form ald = oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in 't oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorp Aldekerk (d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorp Nieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, als Oldewelt voorkomt. »De oude Werelt," en »Die nye Werlt" waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.
Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zelden met, meestal zonder het lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.
Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong: Moolenyzer en Meulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam, De Kam, Kroon, Helm met Groothelm, Ligthelm en Voorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies--zie bl. 142), Pijl, Piek en Pieck, enz. Ook de samengestelde namen Lancksweirdt, Lancsweert en (in versletenen form) Lanszweert, en Scherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam van Elya Scerpswert. [193]
Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoefhamer, Klaarhamer, Klinkhamer en Voorhamer; Bijl met Berkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer; Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie ook bl. 303), Kram en Cramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). Hamer en Hammer kunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamen zijn, als huisnamen. Immers Hamer, Hamar, Hamr is een oud-germaansche mansvóórnaam, die in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, Hamersma en Hammersma; zie ook bl. 133. Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is een brouhamer? Met brouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woord breeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Friesch brouen. En de hamer waar mede men brout of breeut, waarmede men het werk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is de brouhamer. De geslachtsnaam Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszins in alle gevallen eenen bierbrouer aan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaam Breeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, een breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.
Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers van Spyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in § 139 behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaam De Niet (eene niet is een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens Knipscheer komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als geslachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke naam als Van der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heet De Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.
Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen: Tanghe en De Tanghe, De Rooster, Pot en Pott, Pan. [194] De eerste van deze namen kan ook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaam Den Dievel. Immers »tange" is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamen Tanghe en De Tanghe in dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.