De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 31

Chapter 313,638 wordsPublic domain

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruishaar (kruis in dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankische krûs, kroes), Fijnhaar en Lankhaar. Als tegenhanger van Kruishaar kwam in de vorige eeu de geslachtsnaam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamen Krul, Krull, Crul, Krol en Crol ook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig, Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd tot Callewaert, en als patronymikon Calluwaerts. Caluwe, kaluw is de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woord kaal, zuiver friesch keal. De woorden caluwe, kaluw en kaal, keal staan in de zelfde verhouding tot elkanderen als zwaluwe, zwaluw, friesch sweal, engelsch swallow; als het vlaamsche geluwe, engelsch yellow, hoogduitsch gelb (b = uw), hollandsch geel, friesch giel; als schaduw, engelsch shadow, zuiver friesch skaed, in de friesche steden ook skat, hoogduitsch schatt(en). Caluwaert, letterlik in het Hollandsch kalert, is geformd als grijsaard.--Dat kruse, kroese oudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluifhoofd is minder duidelik. Zou Kluifhoofd niet in de plaats staan van Kloofhoofd? Kluiven, kluifjes toch zijn gekloofde beenderen. Kloofhoofd zou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als 't ware door midden was gekloofd geweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. En Brooshooft kan een bynaam zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonder broos waren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.--De maagschapsnaam Schoonhoefd (hoefd == hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Breebaart, Langebaerd en Langebaard, Robaert en Roobaart, Schoonbaert en Witbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk), Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), Wijdhooge en Wijdoogen. In de namen Liefhooghe en Wijdhooge is, door misverstand, eene h vóór de eerste letter van het woord oog, ooge, ooghe geplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die de h niet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boekenoogen ook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheele en Schele zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlik schelert is in het hollandsche taaleigen, even als caluwaert en kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde verhouding tot het hollandsche scheel, het friesche skîl(ich), als caluwe staat tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen een scheef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat is schelve, scheluwe.--De Blinde, De Blende en Blindeman zijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben, voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aan Den Dooven namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelike ydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus", »wipneus", »klompneus" wel gegeven, niemand laat zich zoo'n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus" wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten by Ovidius Naso. En ook het enkele De Neus en Neus is my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie § 139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen Suermondt, Guldemond en Goudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, Iserbyt en Quatant. Een »zuurmond" is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel"; te Leeuwarden »suertoet";--»toet", »tuit" is mond. Guldemond of Goudemond is een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaam Chrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namen Iserentant, Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekent Quatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!--De geslachtsnamen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, den kwaden Johannes, kan men ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaam Quatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen Corthals en Korthals, Cromhals, Langhals, Scheefhals en Schevenhals, Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn. Schevenhals komt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor als Schevenhels en Schevenels.--Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na: Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoonooghe zijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, als de Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken aan den aardrijkskundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. 'T Swaenshals was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu.

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich" zegt men te Leeuwarden daar voor.

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant" was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent, is my niet duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche bynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn: Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeen zijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin als Blaevoet (Blau-voet) [176], Slingervoet, Platvoet en Plaetevoet, en Zwartvoet.--Stutvoet is de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door een stut wordt ondersteund. Andevoet wordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet". Hy is dus ook een »platvoet". Ligtvoet zal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen. Holvoet en Hollevoet zijn de tegenhangers van »platvoet," en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt. Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, als Blaevoet en Zwartvoet? De uitdrukking »witvoet" schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben", en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan." Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikon Hasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.--Koevoet en Coevoet, ook als vadersnaam Koevoets, en zelfs Kofoed (als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691". [177] Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamen Koevoet van huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet".--Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamen Barvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymika Barvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. Tee, en niet teen, of too, en niet toon, overeenkomende met het hoogduitsche zehe, het engelsche toe, het deensche taa, het zweedsche tå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog heden tee, tegenover het verbasterde teen of toon der Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden form schoe, even als de Friesen skoe, de Hoogduitschers schuh, de Engelschen shoe, de Zweden en Denen sko, tegenover het verbasterde schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen teen of toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teeën of tooën en schoeën, die lichtelik in d' uitspraak tot tee'n of too'n en schoe'n worden samengetrokken. De maagschapsnaam Steketee is eenvoudig steekteen, een tee (teen) die steekt--dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en Suikerbuik worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!" Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamen Droogleever en Witlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever, Kortleever en Ringlever en kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.

§ 127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)--of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)--of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by 't vermelden der geslachtsnamen van deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs, [178] enz. Dan komen Deftig, Droog, Streng [179], en daarna Dom, Gram, Slegt. [180]--De Goede, De Reine en Reyne, De Vroede, [181] met De Droog, De Loos en De Looze en De Slegte, De Snoo en Snooy (de snoode) en De Wreede, [182] formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamen Dapperheld met Vrybloed, [183] dan Goethals, De Praeter en De Leener, [184] en ook Ledeganck, Hooghart en Quataert [185] de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling van kwaadaard, iemand van kwaden aard, van kwade geaardheid.

Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog: Behaeghel, Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel, behaghel" is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick, behagelijk", gelijk men oudtijds het woord »kostelick" ook wel tot »kostel" afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche) h in g, is van het oorspronkelike zuid-nederlandsche Behagel in Noord-Nederland Begagel geworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamen Roosenschoon en Vergult kunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.--By den geslachtsnaam Reukeloos heeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos".--Gouweloose kan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos", zonder goud, de geldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaam Dhaveloose, dat is D'Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven als Daveloose en Dhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woord haveloos moet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis van verwaarloosd, liederlik vuil worden opgevat, maar in de oude en rechte beduidenis zonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.--By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als by Dhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten by Doosche en Dedel. De naam Doosche is in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even als Daveloose, eene h verloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor als Dhoosche, D'Hoosche, dat is De Hoosche, versleten van De Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaam Courtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaam De Heus heeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis als Doosche. Immers »hoofsch" is in het Hoogduitsch höfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan de o van dit woord den gewyzigden klank: »heufsch". Van »De Heufsche" kwam »De Heusche" en, als hedendaagsche geslachtsnaam, De Heus. Ook het woord heusch als byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting van heufsch, hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoord hübsch, is al mede eene verbastering van hübisch, höbisch, höfisch, en van dezen hoogduitschen form hübsch is ons woord hupsch weêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woord hübsch heeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Hübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamen De Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naam Hübscher is in Nederland weêr half verdietscht tot Hupscher. Zoo dat de geslachtsnamen Doosche, De Heus en Hupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naam Dedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor als D'Edel en De Edel, ook wel als Den Edelen, by uitbreiding, en als Deel (D'Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht, Lambert geheeten, afwisselend genoemd Lambert Dedel, L. d'Edel, L. Edelen en L. den Edelen. [186] Men vergelyke ook de geslachtsnamen Doude en Dauwe, op bl. 339 vermeld.--

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Grimm voorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord grim, grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaam Gram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaam Grim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaam Grim, Grimmo is oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamen Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, en Grimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog naar). Verder is nog Grimmen de naam van eene buurt by 't dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt in Lincolnshire (Engelland); en Grimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, 't andere by Meschede gelegen.

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen Snel en Wakker en Wacker. Beide deze namen kunnen oorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoorden snel en wakker. Maar het kunnen ook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamen Snel en Wakker zijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaam Dazert heeft de zelfde beteekenis als zot of dwaas. Het woord dwaas wordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zie L. L. de Bo's Westvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken als daas. En dazert of dwazert (dwaas-aard) is daar van afgeleid.--Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaam De Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergens nieu kwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong als Nieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.

Ook de geslachtsnamen Den Dievel en Den Engel met Engel houd ik voor oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamsche form van het woord duivel; Kiliaan vermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woord devil, divel voor duivel. Den Dievel is, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekeren Cornelis de Dievele, »die starf in 't jaer 1496". [187] Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft van duivel, komt nog dageliks voor; bynamen als Piet den Duivel, Hein de Duvel of Durk Divel (in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel" uithing, ontleend zijn. »In de 15de eeuw vindt men onder de regeeringsleden" (van Amsterdam) »een familie Boel, en een tak daarvan voerde den toenaam van Duyvel. In 1420 was Jacob Boel, gezegd Duyvel, Burgemeester, in 1470 Jacob Boel Claasz, gezegd Duyvel, Schepen, en in 1486 Coert Jacobsz. Boel, gezegd Duyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. 't Is niet te onderstellen, dat men aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen." [188]

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegenhanger van Den Dievel; zie § 168. Of, met Engel, ook als bynaam voor een byzonder engelachtig man, en dan gewis in scherts bedoeld. Ook kan het zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaam Coorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaam Engel zijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, als Engele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, Engelen en Engelsma ontleend, met Engelkens en Engelkes, in verkleinform. De geslachtsnaam Van Engelen duidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorp Engelen, in Noord-Brabant, by 's Hertogenbosch.