De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 30
Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woord sutor; Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt" als Fabricius en Fabritius voorkomende, en in patronymikalen form als Fabri, Fabry en Faberi, dat is: Smids, des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer of de landman; Textor, wever; Carbasius en Velius, zeilmaker; Cantor, de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17de eeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen. Pistorius is niet de eenigste vreemde form, waarin de naam Bakker is omgezet geworden. Immers Syds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam Nauta, met het ontaalkundige Van Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naam Schipper. Immers het woord schipper is in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar deze naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie § 44) van den oud-germaanschen mansvóórnaam Nauto, Naute, die in Förstemann's Namenbuch voorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaam Nauts een vadersnaam is.
In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang, us of ius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd: Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. Verder Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamperius (Stamper, Poerstamper, zie bl. 318), Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus my toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woord smid.
Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, Senator, in § 119 reeds vermeld, noem ik hier nog Praetorius en Sindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.
De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.
§ 123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v. Knipscheer en Vingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker; Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem," of »Baas Pikkedraad"). Verder Hoefnagel, de bynaam van den hoefsmid; Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. als Knyrim en Knierum, Vingerhoedt, door uitslyting der h als Vingeroedt, ook als patronymikon Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefnagels, in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, in hoogduitschen form als Hufnagel, enz.
Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, de kleêrmaker Van der Naald, de schoenmaker Van der Els of Van der Leest, de timmerman Van den Hamer, Van der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zich Osinga, de slachter Bylsma, de schoenmaker Elsinga, de glazemaker Glasstra, de timmerman Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houden de herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie bl. 256 en § 135), Osinga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook § 129.
B. GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND.
§ 124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange," »de dikke," »de manke," als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn--of als »de goeie," »de vrek," »scherp" als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap--toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d' ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie," »de lamme," »de bult," »mankpoot" zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden--en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.
Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16de en 17de eeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm Gerloffssoen gezegd Witkop"--»Govert Claessen, dien men noemt Crombeen"--»Egbert Wilminck genoemt de Stercke" komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe, alias Cromhals"; [169] een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft" en zekere »Dirrick Coevoet" was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem. [170] De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd", [171] en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse." [172] En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen van J. ter Gouw, voorkomende in diens werk Amsterdamsche kleinigheden--Amsterdam, 1864--bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u een Luitenant Leepoog tegen, en daar de makelaar Laurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge als Jonge Jan Doet er niet toe hoort aanspreken; elders is het de eerzame Dirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelen Dirk te onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!" Ten jare 1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr. Jan Smeer-de-borst en Frans Mont-van-de-hel (zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen als Floris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.
Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen; Xenarchus Metretes, de dronkaard; Phocion Chrestus, de goede; Pittacus Soropada, breedvoet; Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12de en 13de eeu kennen wy eenen Frank de roode (ten jare 1050), Giselbrecht de zwarte (1225), Ekbrecht de kale (1162), [173] eenen Willem Eenoog, Reiner de kleine, [174] enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen: Reinska langhe Symens dochter," eene leeuwarder vrou ten jare 1534. [175]
De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,--tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in der daad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaam De Rooi voert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander die Kroese heet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy kunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik verklaard worden door d' omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naam Kroeseklaas.
§ 125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden: De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde: De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (Scheele en Slingervoet tegenover Schoonooghe en Zwaanshals),--ook goede en kwade eigenschappen (De Brave en Welgemoed tegenover De Quay en De Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),--dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen de ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.
De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.--De Reus en Reuse behooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan: De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en kleen door elkanderen genomen. De form kleen is tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschen klein en kleen. Het eerste woord is het latynsche parvus; het tweede het latynsche minutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschen klein en kleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te weten lîts == klein == parvus, en klien == kleen == minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordje klien in Friesland en kleen in Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.
De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. Ook D' Hooghe, De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag.
De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), met Maegherman, Magherman, Magerman, Mager. Ook Schrale en Schraal.
Den Breejen, De Breejen, Breed en Breet, met Smale en Smal.
Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe (D' Auwe, brabantsch, ook als patronymika Dauwen en Sauwen, zie bl. 185), Doude (D' Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en Oudemans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, Jonge en Jong. De geslachtsnamen De Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldig voor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge" of »de Jong" achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude" achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.
Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, Klein, De Lang en De Jong zijn uit der mate talrijk.
Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struys en misschien ook De Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy van De Strues, De Struys--(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond hier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.
Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, met Schoonhoefd, Schoonheere, Schoonman en Schoonejongen. Verder De Fraeye, De Mooi, Mooy en Mooi, met Mooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamen Schone, Schoone en Schoon van het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan by De Schoone (wegens het lidwoord), Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch op den naamstam Skauni == de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamen Schoninga, Schoonie en Schoentjens op bl. 73 vermeld.
De geslachtsnamen De Recht en De Regt, in tegenoverstelling met De Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ook Stotteraar.
Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, Blancke en Blank aan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamen Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaam blank (van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is.
De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel de zelfde beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamen Donker en Doncker, met het patronymikon Donkers.
By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert oorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naam Blauwaert is geformd als grijsaard, als Caluwaert, Scheluwaert (zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamen Blaauw, Blaeu, Blaau, Blau en Blauw eveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namen kunnen ook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschen mansvóórnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt Förstemann's Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouenaam Blawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woord Blaauw als geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra noemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer, Blauwstra geheeten, gekend.
Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven--de naam Groen is geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaam Gruno (zie 29) in schuilen? Ei ja toch!
§ 126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d' eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:
De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit met De Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, Zwart en Swart, en met de patronymika Swarts, Zwarts, Swartz, enz. Verder De Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De Graeu en De Schiere en Schiere. De twee laatste namen, van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woord skier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naam De Graauwe, Graauw afgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De Bont, Bonte en Bont reken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nog Wittebol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol en Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam Gryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne. Gryspeerdt toch is eene verbastering van Grysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en Grysperre ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre" is letterlik grijs hoofd, gryze kop; »perre" is een oud-vlaamsch woord voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan" = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.
Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v. Wit, Bruin). Dan kunnen deze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch. De vóórnamen Witte (men denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno worden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v. Wittinga, Witting (ook in Engelland, met Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Witsen, Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en Rhodens, met Rooikens (dat is Rodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.