De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 3
§ 8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maar oorspronkelik en eigenlik komen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heet Anso, en zyne zonen heeten Benno en Immo; dan dragen beide die zonen het patronymikon Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en Immo Ansing, dat is: Benno, de zoon van Anso, en Immo, de zoon van Anso. Benno Ansing krijgt later eenen zoon, dien hy Benhart noemt, en Immo Ansing wordt eveneens vader van eenen zoon, die door hem Imhart genoemd wordt. Nu moest, volgens d' oud-germaansche zede, die Benhart, de zoon van Benno, het patronymikon Benning voeren, en niet het patronymikon Ansing, 't welk zijn vader Benno voerde naar den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. En eveneens Imhart, de zoon van Immo Ansing, moest zich Imhart Imming noemen, naar zynen vadersnaam Immo, en niet Imhart Ansing. Toch gebeurde 't wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen--gelijk wel gebeurde--of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.
Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen, door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school--het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten--het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wy Harle willen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15de eeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik van Haio Harles (dat is Haio, zoon van Harle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.--Onze Fries Harle werd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde 't land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoon Sîgbern (Sybren in 't hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikon Harlinga of Harling voerde, van den naam zijns vaders Harlo ontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. En Sîgbern Harlinga's broeders en zusters, die natuurliker wyze allen ook Harlinga heetten, allen ook Harlingen, dat is: kinderen van Harle waren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen, Sîgbern Harlinga's kinderen, en de kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al die Harlinga's of Harlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d' oude Harlo zich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eer Harlo zich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik ga to den Harlingen; naar de Harlingen of Harlinga's, zoo als men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd eerlang, door afslyting en in 't snelle spreken: to 'n Harlingen, to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meer verstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik ga to den Harlingen, of ik woon to (den) Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heet Harlingen, en--de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aan Van Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaam Harlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.
Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstel Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ook Taylor's Words and places.
Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegsel ing; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als in geslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven. [3]
§ 9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen door ing achter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woord zoon achter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika met ing te formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, 't zy dan voor enkele personen, 't zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.
Het gebruik om patronymika met ing te formen, stierf, na 't jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.
Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortom plaatsen, met die oospronkelike patronymika, met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt by Racer, Overijsselsche gedenkstukken VII, 52-73, vinden wy onder anderen de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamen Rotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: het smedink'sche erve, de wesseling'sche hoeve, het temming'sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien ouden Rutger, van dien eersten Wessel, dat die Rotgerinks en die Wesselings eens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. een Immink op de erve Lenderink, en een Wolterink op de erve Elekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest. Herbert Folkring b.v. die op de erve Smedink kwam wonen, werd weldra door zyne nieue buren Herbert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente, in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, 't zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid. Geert was de zoon van eenen man, die Albert heette, en die Albert de Jager genoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaam de Jager reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden. Geert, de zoon van Albert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boeren Poppink uitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaars steeds het erve Poppink genoemd werd, naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d' invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijl Geert Albertsz. de Jager nu 't erve Poppink in eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oude Poppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaam de Jager raakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts als Geert Poppink bekend, ofschoon hy eigenlik geen Poppink was, en geen recht op dien naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink genoemd werd, heette Harmen. Deze Harmen kreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy 't een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onze Harmen Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik, en noemde zich Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigendom had bewoond. Het nageslacht van Herman Poppink behield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.
In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Poppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.
Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v. Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.--ook daar is menig hedendaagsch geslacht op de zelfde wyze als in 't voorbeeld van Geert de Jager-Poppink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, 't zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.
Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v. Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van 't oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v. Eizenga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga, Kammenga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) Buttingha, Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Finia, enz.
§ 10. De form ing, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v. Benning, Hilverding, Otting, patronymika van de mansnamen Benno (in Friesland Binne), Hilwarth en Otto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d'aangrenzende gouen van Westfalen) wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck; van daar de westvlaamsche patronymika Gellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelike ing in hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh, inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, als ig en ik voor.
By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, die ing en ink by de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge en Poppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen is inga de zuiverste en oorspronkelikste form, even als ing by d' andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens dit inga; namelik enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hayunga), enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Hania), enz.
Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.
§ 11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken form ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden is deze ingform de eenige, die in Engeland voorkomt, 't zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), 't zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika op ing er ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byform ink vertoonen.
Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden: Alting, Benning, Damming. [4] Zy zijn afgeleid van de mansnamen Alte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon van Alto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, die Alte heet; de Benno's echter, vooral ook in den gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam Damme is geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen Alting, Benning en Damming treft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn: Althing, Alting, Althes en Alts; in Friesland Alta, † Aldinga, † Aldesna, Altena (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie § 46), † Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland Damminga en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend: Alting, een gehucht by Beilen in Drente; Altikon, saamgetrokken uit Altinkhoven, een dorp in Zwitserland; Bennekom, dat is oorspronkelik Benninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorp Bingum, dat is Binningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland, en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland; Bennebroek, dorp in Kennemerland; Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamen Van Bennekom en Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim, Dammo's woonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.