De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 29
Nevens deze eenvoudige man-namen staan de patronymika daarvan, die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen op s, op mans uit. Velen van deze patronymikale man-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v. Biermans, Appelmans, Mosselmans, [165] enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als: Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman, Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder deze mans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik: Wittemans, Geloudemans, Mortelmans, [166] enz. Beersmans en Breugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn van Beersman en Breugelman, in de beteekenis van: een man van of uit Beers, of van of uit Breugel.--Beers en Breugel beide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamen Lemmersman en Kuindersman, op bl. 204 vermeld. Tielemans met Tielmans, en Tillemans met Tilmans zijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaam Tilman, Tielman. Verder Hoosemans, van hoseman, de man die hosen, hozen = kousen maakte of verkocht? En Goemans, Koumans en Coumans met Wakkermans, van Goeman (ook in dezen form voorkomende), Kouman en Wakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?
§ 119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de handwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen" in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamen Bakker, Smid, De Boer, De Jager dragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen", »de Koningh van Enghelant", »de Bisschop van Munster", enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter Gouw vermelden er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer", »de Koning", »de Bisschop"; b. v. ik woon in »de Keizer", of naast »de Koning", ik ga naar »de Bisschop." En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het huis De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al spoedig niet meer Leenaert Heyndricksz, maar Leen in »de Keyser." Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd het Leen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser" ging ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op zynen zoon Heyndrick Leenaertsz over, vooral als deze ook in het vaderlike huis »de Keyser" bleef wonen,--en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje" werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje";--dat die bynaam als »Koning" of »Prins" ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.
Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.
Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen--hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.
Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoogduitsche Kaiser komt ook voor.--Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Conninck en het hoogduitsche König.--Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitsche Herzog en het fransche Le Duc.--Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het fransche Le Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het verlatynschte Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika: Keizers, Konings, Conincks, Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, 'S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en D' Hoogvorst meen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong. Vorst, voorst, forst, foorst, foreest is een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. Dus Hoogvorst is het hooge woud.
Nu volgt Ceurvorst, Prins, De Prins, De Prince (als patronymikon Prinsen, Prinssen, Prinsse, zelfs Prince), Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De Borchgrave en Borggreve, met Borchgrevink als patronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling (zie bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, Jonckheere en Jonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en De Rudder. De Bontridder behoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.--Stadhouder, Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leenheer en Ambachtsheer met Ambagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, als Heer, De Heer, Dheere en D' Heere. Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, als heer geldt. De patronymika Heeres en Heeren meen ik echter niet van den titel heer, maar van den frieschen mansvóórnaam Hero of Here, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamen Heringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woord heer ook als geslachtsnaam voor. Te weten als Mijnheer, Menheer en Menheere.
Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen", de eigenerfden of erfgezetenen, de einierden of erfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren" (wolberne is in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren," is de geslachtsnaam Welboren afkomstig. In de Informacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen", en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen." Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt. Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit", bl. 22b, schrijft: »'t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen." Vermoedelik was de man die het eerst den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren" mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.
De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Welboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, en ironice bedoeld.
Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren: Goeverneur, Senator, Burgemeester met den byform Burgemeestre, Balju en Bailyu, Droste, Drost (misschien ook wel Troste), Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, Schauteeten en Schautetten (de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling), Schout, Scholte, Schulte met den hoogduitschen form Schulze, enz. Over deze namen Schout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamen Commissaris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naam Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen: Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.
De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika Rigters en Richters), Raadsheer, Boerrichter en Boerrigter met Dorprechter, Procureur, Advokaat en Advookaat, met het oud-nederlandsche Taalman, Deurwaerder en De Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul vertegenwoordigen de rechterlike macht, even als Doctor, Dokter, Docter met het patronymikon Docters, Arts en De Stadbader den geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangestelden bader of stovenhouder, den stadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader".
Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Rector en Schoolmeester (ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onderwyzer ontleend. De geslachtsnamen Meester, De Meester en Meesters met Mesters voeg ik ook hier by. Andere meesters worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Bouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, Rentmeester en Rentmeesters, Waagmeester, De Meulemeester en eindelik Keukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds een Oeswalt Koeckenmester genoemd. [167] De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamen Hoveling, Kamerling, Camerlinck, Camerlynk en Camerlingh (als patronymikon Kemerlinckx), en Schenk worden aangeduid. Schenk is eene oude benaming voor »schenker"; men vergelyke hier de namen Wijnschenk en Bierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, als Schenkius, als geslachtsnaam voor.
De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren wel vrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten;--niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamen De Laat en De Laet ontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten", die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamen De Poortere en De Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymika Borghers, Burghers en Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaam Borchart, Borgert, Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.
De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten: Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den tweeden-naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, Knecht en De Knegt, ook in Bouwknecht, Wagenknecht en Stalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaam Koetsier en Coetsier. Ook Koetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis van den naam Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamen Janknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam, Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwarden voor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. Zou Slaaff hier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Schlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woord slaap een geslachtsnaam formt; zie § 146.
Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgsman (met Kriegsman), en Ruiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De Maesschalck voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapitein (zie bl. 307), Hoofdman, Hooftman en Hopman (een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann", tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik), Ritmeester, Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter (handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), en Schildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamen Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan komen nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patronymikon Pypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!--Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers.
§ 120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen--ik kan ze niet schiften.
Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen Kerckheer, De Kerckheer en De Paap, ook Paap, Pape en De Paepe, met de patronymika Paaps, Spapen, Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaam De Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; 't en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Langpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.--De volgende namen zijn allen duidelik: Paus, en misschien ook Pous. (Neemt men in aanmerking dat Pau, Pauw in gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaam Paulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. Karel Pauszoon of Karel Pausz, d. i. Karel de zoon van Pau of Paulus). Verder Cardinaal, Bisschop, De Bisschop en Den Bisschop met het verbasterde Busschop en het hoogduitsche Bischoff. Dan Priester en De Priester, Pastoor en, als patronymika, Pastoors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteure. Proost en De Proost, De Deken en Den Deken, Dominé, Abt en Den Abt, Prior, Pater en De Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, met de patronymika Munniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, Smeunincks en Munninksma; zie bl. 166. Eindelik Jeswiet en Carmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder" wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder" of b. v. als »broeder Benedictus", zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De Broeder en Den Broeder ook zeer wel een monnik schuilen kan. Cluysenaer, Cluysenaar, Heeremiet en Pelgrim, ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche Pilger, en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim, in den frieschen form Pylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dien mansvóórnaam ontleend zijn, en niet aan het woord pelgrim.--Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaam Rabbie bekend.
Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen: Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte Costerus en de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Custodis in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het hoogduitsche Vorsänger, en Orgelist.
Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamen Apostel, Profeet en De Maertelaere met De Maerteleire (martelaar). Zoo ook Den Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet" nog de naam van een huis--althans van eene handelszaak.
§ 121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd: Alijt Weefster. Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum: Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz. [168] Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon van Alijt Weefster (ook al had deze Alijt misschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. niet Willem Weefster heeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.
Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster" bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naam Sangster eene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaam Songster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien van zanger heeft. Even zoo is het met het engelsche woord webster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, toch wever, niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.
Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn" en »De Non" kunnen nog namen van huizen geweest zijn, (»de Non" althans wordt als huisnaam door Van Lennep en Ter Gouw vermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. Maar Quanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.
§ 122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie § 167 en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaam Bakker tot Pistorius geworden, Kuiper tot Viëtor enz.