De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 28

Chapter 283,437 wordsPublic domain

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v. Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten form Bakkerus, en als patronymikon Bakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ook baken en baker met opene a, in plaats van het hedendaagsche bakken en bakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakker batser (ba-tser; ts == k) noemden; de zeventiende-eeusche Gysbert Japicx schrijft baetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord als baker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamen Baker, De Baker en De Baecker, met Baekers als patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord baker (de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster, friesch: kreamwarster of kreamheinster. De geslachtsnamen Bekker, Becker, De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen Bollebakker (bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood), Bonebakker, Koekebakker en Wafelbakker.

De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor gelijkbeduidend met Kok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam, Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen, alle geslachtsnamen Kock zijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heette Nicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendom verdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, tot Haan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelik Kock van. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappen Kock Beylanus en Kock Winkler. [159]

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan: Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie bl. 320), Beenhouwer en Beenhakker. De namen Vleesman (met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen Van der Spek en Van der Ham.

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers," en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De Brouwer, De Brauwer en De Brauwere zoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht als Brouerius en in patronymikalen form als Brouwers, komt deze naam ook voor. Hoppenbrouwer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam van kuit, kuyt, koit. Van daar de geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamen Moltmaker en Smoutmaeckers--met voorgevoegde s, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam van biersteker, en deze naam is als Biersteker, Bierstekers en (half saksisch, half hoogduitsch) Beerstecher tot geslachtsnaam geworden. Bierman behoort hier ook by.

§ 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, Snyders en Snieder met Snieders; ook de hoogduitsche Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur komt ook voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen De Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ook kleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 besproken. Kiliaan heeft nog »naeyer == sartor." Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneens kleêrmaker beduidt, is De Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper" in dezen zin nog voor; men zie Edw. Gailliard's Glossaire flamand, op het woord »scepper == tailleur". Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zie Annales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hem skrodare, schroder, schröder, schreuder, schrader. Nog heden is het woord skroar, uit het oude skrodare saamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog wel schreur, schrör genoemd. Skrodar, skroar, schröder, schreur beteekent letterlik: snyder. Het oud-friesche werkwoord skroda, oud-vlaamsch schrooden, thans schrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koning Filips die een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers Filips de munteschroodere of munteschrooier. [160] Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oude skrodan, schrooden ontleenen; b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt, Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en Schreurs, zoo mede het hoogduitschformige Schröder of Schroeder. De samengestelde naam Kampschreur beteekent: dorpskleêrmaker. »Kamp" (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld" in tegenstelling van »de stad." Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche form Sartorius (van sartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.

In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ook Cousseschepper.

Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamen Pelsmaeker, Pelser, Pelster oorsprong gaf. Het woord pelser is een oudfriesche form voor het woord pelsmaker of pelswerker, zoo als men nu veelal zegt. Eenen Jelke Pelser vind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511. [161] Te Groningen is er nog eene Pelserstraat (ook wel Pelsterstraat genoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord, Pelletier en Peltzer, Pelzer komen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, als Peltser.

Hoedemaker en De Hoedemaker komen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is De Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, als Schoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formen Schuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch als sooter en in het Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woord schuster is daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterden het latynsche sutor eveneens tot suter, en zetten er dan ook wel hun woord schoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy dit suter nog wel verder tot sutter, zelfs tot sitter en setter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen De Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.--By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker.

§ 114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd: Molenaar, Molenaer, Moolenaar. [162] In samenstellingen komt de naam Mulder of Muller ook geenszins zeldzaam voor; b. v. Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller (zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitsche Weissmüller zijn?), Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaad slaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam van slagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamen Slagmulder, Slachmulder, Slagmuylder, Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder, Slagmolder, met het patronymikale Slachmuylders en met Van der Slagmolen ontleend. De geslachtsnamen Olislager, Olislaeger, Dolislager (waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), en Oliemuller hebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamen Grutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; met Gorter, De Gorter en Gortmaker. De Gruiters zijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en de Gorters in de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regel gorter of gortmaker genoemd; zie ook § 160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd, gepeld wordt, heet in Friesland een pelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting: pel; b. v. »Baas Pieter Pel." Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaam Pel.

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk") gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikon Potters. Potjer en Panjer zijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie § 153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamen Tichelaar, Tigchelaar, Tiggelaar en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam, Ziegler en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaam Teegelbeckers vindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam van huidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eene Huyvettersstraet of een Huidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter, D'Huivetter, D'Huyvettere en D'Huvettere, in Vlaanderen inheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting der d van het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting der h, tot Duyvetter geworden. De hollandsche geslachtsnaam De Looyer is de weêrgade van den vlaamschen Huyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamen Keersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam van zadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen form sattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamen De Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleer en het half verfranschte De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers afgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Leersnyder met De Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker (tasschenmaker) en De Scheemaeker. De naam Touwslager eischt geene verklaring, maar Lijnslager, Seeldrayers, Reepmaker wel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog de Reepslagersbaan (Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Een reep is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en De Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche Weber dat vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, met de latynsche formen Velius en Carbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, Mandemaker en Korfker (zie § 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namen Corver en Korver ook te dezer plaatse, als beteekenende korfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Friesch sieper (sjiëper), weêr verhollandscht tot zeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.

De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen Beeldsnyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, De Munter, Graveur, Drukker en Drucker, Schryver en Schriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikon Landmeeters; verder Sanger en De Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche benaming van den muzikant), Trompetter, Bonger (zie bl. 292), Pyper en de hoogduitsche formen Pfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formen De Feifer, De Vijver, enz.

§ 115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen: De Waard en De Weerdt met Casteleyn, Kastelein en Hospes; Tapper, Wijnschenk en Bierschenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of tappery-houder. Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ook Wasman, behooren by elkanderen. Verder Barbier en Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kapper; ook Uitdrager, Colenbrander en Loteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te 's-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ontleend. De geslachtsnamen De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), Tolk, Voerman, Reisiger, Reiser en Reizer, De Bo, De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by elkanderen. Denkelik ook Minnebo (Minnebode? de dietsche weêrga van den franschen Postillon d'amour?) en Slotboo (de bode van het slot, van het kasteel?).

Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dien tol moesten innen. Het hoogduitsche Zöllner komt ook by ons voor, en ik houd de geslachtsnamen Tullenaar, Tullener en Tullner, met de patronymikale formen daarvan, Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen Rovers en Roovers echter als vadersnamen van het woord roover te beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Hrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikon Govers van den mansvóórnaam Govert komt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried, zoo komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche naam Hrodfrid, Rodfried is in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden, ook in den afgesletenen form Rofred; van Rofred tot Rovert is slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.--Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaam Ziekenoppasser.

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, Kruyer en Bezorger, Karreman (en, in limburgschen form, als patronymikon Kerremans), Poerstamper (poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman, Modderman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans acht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met Förstemann, volgens diens Altdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat iemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.

Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaam Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keukenmeester en Keukenschryver mogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.

§ 116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudige Koopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamen Koopmans en Coopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letter p, cooman in plaats van koopman, en nog meer verbasterd, coomen, gelijk men ook van coomeny sprak in plaats van koopmanny of koopmanschap. Uit de geslachtsnamen De Cooman, Coomen, Koomen en Komen blijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formen Kaufmann en Marchand ontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar en Kramer met al de byformen van laatstgenoemden naam: Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, Cremers en Creemers, en het verlatynschte Cramerus.--Merseman en De Mersseman duiden eenen marskramer aan; misschien ook Marsman; zie echter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere en, in patronymikalen form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis; zoo ook Beddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen), Vellekoper, Vischkooper en Viskoper, enz. Een byzondere tegenhanger van Paardekooper is de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaam Hengstmangers. Immers manger of menger, met de byformen monger en minger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie 't woordenboek van Kiliaan, op het woord: »Mangher, Mengher, vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator--appelmangher, vleeschmangher--" enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den form menger of minger nog in de friesche taal in gebruik; zie Wassenbergh, Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamen Manger en Menger.

§ 117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woorden smid en molenaar als maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woorden vleeschhouwer en rademaker (wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. Dan Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymika Rademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitsche Rademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.

§ 118. »De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf." Zoo zegt J. Soutendam in zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschrift Een wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen op man uitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder deze man-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeld speckman voor varkensslachter; coolman voor groenteboer of warmoezier; brandewijnman, dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, op man uitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden: Wijnman en Bierman, Spekman en Mostertman, Zoutman, [163] enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Koopman, Speelman, Tuinman, [164] enz. Eene andere groep van deze man-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Deze man-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.