De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 27

Chapter 273,480 wordsPublic domain

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen Visscher met De Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, Fisker en Vissers algemeener dan Jager en De Jager. Vooral in de friesche gewesten is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en Schelvisvanger. Waarschijnlik behooren Botman en Bottemanne (zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Friesch kraite genoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een varkenvisscher is natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze vischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren wel zeevarkens of meerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z'n varkens!" De Franschen noemen den tuimelaar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woord mar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ontleend. Immers »commandeur" was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder", die oudtijds, en nog in d' eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamen Herder, De Herder, De Harder, Den Herder hunnen oorsprong. Zoo ook Schaper--dat is schaapherder; en Scheper met het patronymikale Schepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherder scheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandsche weêrga van het hoogduitsche woord Schäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van den schaper is, in taalkundig opzicht, de geiter, de geitehoeder. In de formen De Geyter en De Geetere komt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met Schaapman en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens De Schaepmeester en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamen Kalverboer en Bargeboer. Een »bargeboer" is een varkensboer; »baerch, barch" geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn. Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dier berg genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of gild heeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoord gilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder is iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie Gilders gekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort." Dien ten gevolge dient de geslachtsnaam Gilders ook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaam Melkman ook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en De Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en Molkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.

Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamen Landman, Bouwman en Bouman met Bouwknecht, De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken. Tuinman, Hovenier en Hofman (met Hoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier en Gerdenier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en De Pachter.

In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden" genoemd; huysman, hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.

De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest. Boers en Boeren met Boere, (misschien ook de verfranschte (?) formen Boursse en Bource?), als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namen Boerman (met Buhrman) en Boermans reken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boerema, Boerma, Boersma, Boersema.--Boering kan een patronymikon zijn van de soort die in § 31 is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaam Boere, Bure, Bore schuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woord boer ook al als geslachtsnaam voor; in Friesland als Boerke, in Holland als Boertje.

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woord boer heeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v. Veenboer, Heyboer (heideboer), Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, Wortelboer en Worteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, met Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante namen. Molken is een oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou de Molkenboer by den Veeman en den Melkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de Waaiboer en de Soepboer, wier samen men in § 140 nader verklaard vindt.

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer, de nyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboer, Nieuweboer, Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Grooteboer en Lutjeboer formen elkanders weêrga; lutje, lutke, overeenkomende met het friesche woord lîts, het engelsche little, enz. is friso-saksisch voor klein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v. Lutje-Broek in noordelik Noord-Holland, Lutke-Wierum in Friesland, Lutje-Gast in Groningerland, Lutje-Wolde in Oost-Friesland, enz.--Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond. Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve" of »de Kloosterplaats," en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer" genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden: Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.--De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (als Ledebur en zelfs Von Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!" leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze overlevering zou Ledeboer eigenlik »Boere-leider" beteekenen. Vilmar in zijn Deutsches Namenbüchlein (Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide)." Deze afleiding kan ik niet aannemen.--Holsboer kan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in der daad voorkomt.--In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker", een bastaardwoord van het latynsche spicarium. Dit woord »spyker" komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v. het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar myne meening, deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk een spyker woonde, of er het opzicht over had.--Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen met boer samengesteld. Velserboer en Beemsterboer namelik zijn afgeleid van de plaatsnamen Velsen, een dorp, en de Beemster, een polder, beiden in Noord-Holland.--De Wilde Boer is van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wildeboer ontleend. Blaauboer, Witteboer en Dubbelboer zijn my moeielik te verklaren. Met Meereboer, Ongerboer, Pinksterboer, Segboer en Traanboer weet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaam Hatenboer zal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehucht Hateboer, by Roermond.

De meier-namen formen de weêrga van de boer-namen. Immers het woord meier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezer meiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namen Meyer, Meier en De Meier met De Meyere in zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen met meier (in verschillende spellingen met ei en ey) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden: Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede van Brockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren. Nieuwmeyer, met Nymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger van Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ook Grootmeyer en Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met Lutjeboer; Kloostermeier met Kloosterboer, enz. Een groot aantal dezer meier-namen vindt men opgenoemd in De Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.

Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. In De Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van 't noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillende meier-namen op, terwijl hy my de meieryen of landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees: dort wohnt der Brüggemeier, dort der Niermeier, da der Obermeier, hier der Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da wohnt der Dreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dien Dreckmeier? Dat is oorspronkelik niet Dreckmeier maar Dree-eek-meier. Zie maar! daar staan ook dree eeken (westfaalsch-nederduitsch voor drie eiken) by 't huis!--En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naam Dreckmeier te vinden."

Wien het vreemd moge schynen dat dree-eek tot dreck, drek, en niet tot dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e (ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen: eek; men spreekt te Leeuwarden van eekenhout, eekene planken, 'n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden een eekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich." Toch heet de eikel, de vrucht van den eek, te Leeuwarden niet eekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandsche eikel en het hoogduitsche eichel, maar ekkel. Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daar ekkelkoffi te drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op den eek of eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam Dreckmeier, van de westfaalsche dree eeken, zijn de geslachtsnaam Vijf-eeken (die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by 't huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake.

Uit den geslachtsnaam Wedemeyer (ook komt Wehdemeier voor) is eene m verloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of men Wedemeier dan wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier is de boer die op de hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of die op de wedem zelve woont, zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme, wedem, ook versleten tot weême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-friesch withum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats" genoemd. De weeme zelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter of meier, de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamen Wymstra en Weemstra (dat is gelyk aan Van der Weeme--zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.

§ 111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woorden die hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d' eerste plaats Zeeman, en dan Schipper met het patronymikale Schippers. Verder het patronymikale Zeevaarders, met Schipman, Koffeman, Buisman en Buysman met Buismans (de schipper van eene haringbuis), Stuurman, Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos en Schuitevoerder. Of de maagschapsnaam Kapitein, met Kapteyn en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamen De Reeder, Loots en Tonneboeyer zijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneens Kaper. De geslachtsnaam Schuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden" naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer" genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaam Schuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamen Veerman en De Veirman behooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woord Scutevarer, schuitevaarder, of, in het Friesch skutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16de eeu. Immers vinden wy in het Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenen Claes Scuteferger (bl. 4), Hilcke Scutefergier (bl. 5), Upke Scutefergier (bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman Scuteferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers of schuitevaarders (skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.

§ 112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.

De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamen Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikon Timmermans. Het hoogduitsche Zimmermann en het fransche Carpentier zijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend: Schrynemaeckers en Schryner, Kistemaker, Kistemaecker en Kistemaeckers, Schuitemaker en Schuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formen Wagner en Wegner. Dan aan De Waegemaecker en Swagemakers (zie bl. 184) en aan Stelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het Hoogduitsch Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker behooren er ook toe, even als Molenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; en Leestemaker kan men er ook toe brengen. Ten slotte nog Drayer, De Saegher, misschien ook Zaagmans, en Houtzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formen Cuperus en Couperus, met de oneigenlike vadersnamen Kuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid, in allerlei formen, als Smid, Smit, Smitt, Smidt, Smet, Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen: Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namen Ankersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, Beylsmit en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guthschmidt en Kleinschmit, en in verkleinform Smidje. Ook Slotemaker. Den naam Broeksmit weet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voor kleêrmaker wou opvatten--gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek" (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker, Bussemaker en Bosgieter (bus, bos is de oud-nederlandsche form die met het hoogduitsche bücks overeenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt men buks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). Verder De Mesmaecker (met de patronymikale formen Messemaeckers en Smessemaeckers, zie bl. 184), Swertvagher en Harnisfeger.--Zilversmit en Selversmet, Goudsmit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En dan nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blikman), Ketelaer en De Ketelaere, met Ketellapper, Ketelbueters en Panneboeter. Zoo mede Tingieter, Potgieter, Kannegieter, met den hoogduitschen form Kannengiesser, enz.

Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153); ook Opperman en Kalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen: Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en Deckers en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker (de kwade dekker?) ook tot deze dekker-namen. Dan nog Verwer en De Verwer in algemeen-nederlandschen, en Varwer met De Varver in gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamen Glazemaker met Glaser (dat zekerlik wel van hoogduitschen oorsprong is), en Glaasker met Glasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. Zekeren Sybren Glaesker vinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum. [158]