De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 26
De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls op stein of steen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren van steen geboud (stinsen, stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulke steinnamen, even als de burgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor, in wanspelling--zie § 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?), Quakkelsteyn, Sypesteyn, Wecksteen met Wegsteen en Weeksteen, enz. Verder Hoekstein en de hoogduitsche weêrga daarvan, Ekstein en Eckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd als Exsteen voorkomt; buitendien nog Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld.
By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele genoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woord hal, halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaansche selen veelal waren, bestaat nog in ons woord zaal. En tevens, vooral ook in den form zele, zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen: Oldenzaal b. v. stad in Twente, en Oudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder in Scherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe; Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam. My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog Verzele.
Stede, steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamen Borgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede (het weinig afwykende Hoogstad komt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid van Hochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven als Mahlstede), Volsteedt, enz.--Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor in Damwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.
Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen: Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek. Horn en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen: Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voor hoek is winkel, waarvan ons woord winkelhaak; zie ook bl. 204. Winkel is het tegenovergestelde van horn; het eerste woord beteekent een binnen-, het andere een buitenhoek. Het woord winkel komt voor in de geslachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien in Van de Wynckel. In den geslachtsnaam Vettewinkel schijnt het woord winkel my toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel een vettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier, van vette waar afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorp Roswinkel in Drente.
Werf, brink, kamp, laan, baan, einde, weg, kuil en put, tuin en gaarde zijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:
Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.
Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman (deze naam is, als Brinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen), Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. Ook Stornebrink en Störnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, als Steunebrink voorkomt.
Met kamp: Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, Feltkamp en Veldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze als Rövekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.
Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.
Met baan: Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.
Met einde of ende: Van der Ende, Van 't Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.--Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling van Van den Ende.
Met weg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei in het Friesch), Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Harwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.
Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook als Voskuilen komt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het ontstaan van den geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil" voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie § 128 en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen" geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemd Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen [153]. Over sommige namen, die met coul, een andere form van het woord kuil zijn samengesteld, zie men bl. 256.
Met put: Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput (dat is een put van versch, zoet water, in tegenstelling van brak of zout water), Waelput, Wullepit. Over put en pit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.
Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuinhout komt ook voor; als tegenhanger? zie § 168), Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woord houttuin beteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen."
Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor den Olyfberg, anders gezeid Gethsemane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaam Mergaert meen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.
De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namen niet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naam Nordsieg of Nordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woord sieg of sieck in dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord. [154] Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v. Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, Uhlmansieck en Wellensiek met Siekman, Siegman en Ziekman. Middellik behoort de geslachtsnaam Hagenzieker ook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaam Hagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naam Hagenzieker voerde, zeker herkomstig; zie § 70.
§ 106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamen Kalkoven en Tiggeloove (misspelling van Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede en Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaam Van den Boezem. Verder Voorspuy, Binnekolk en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ook stau genoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldig en onder allerlei formen voor; als: Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woord Boomgaard als maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld ('t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake: Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor: Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verlatynscht tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger echter, met Bongerts en Bongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger", 't welk een speelman beduidt, die op eene bonge of blaas, 't zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, 't zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.
Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uit algemeene aardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn van byzondere plaatsen, 't zy dan in Nederland, 't zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d' algemeene plaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend, en die in § 72-78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.
§ 107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan op man uit, of, in patronymikalen form, op mans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam van Bruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wy Beekman met Beeckman, Beekmans en Beeckmans, Bergman met Berghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling van er met ar, Bargman (zie bl. 133)--en van g of gh met ch, Barchmans. Verder Brinkman en Brinckman, [155] enz. Heiman kan als eene samentrekking van Heideman en Heidtman gelden. Waar deze naam echter, ook als Heyman, Heimans en Heymans, zelfs in wanspelling als Hijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaam Heiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. Nevens Boschman en Woltman behoort ook Loman, dat ook als Looman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form als Lomann, Lohman, Lohmann voorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woord loo, loh, leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelik eikenbosch (zie bl. 284). Van daar ook Lomeyer en Lomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naast Straatman en Straetman met Straatmans en Straetmans meen ik nog Strootman te moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaam In der Stroth (in de straat, in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamen Te Strote en Ter Stroot (zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaam Enkelstroth behoort ongetwyfeld ook tot deze byzondere straatnamen. Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland: Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.
Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al deze man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mohrman, Mohrmann, Waldman en Waltmann, enz.
Eenigen van de bovenvermelde namen, als Bruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by § 118 worden gevoegd.
III.
GESLACHTSNAMEN VAN ALLERLEI OORSPRONG.
§ 108. In deze afdeeling zullen alle geslachtsnamen besproken worden, die niet van mansvóórnamen afgeleid, en niet van aardrijkskundigen oorsprong zijn; alle soorten van geslachtsnamen dus die niet in de beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen met elkanderen een zeer bont samenstel, wijl zy van zoo zeer verschillenden oorsprong zijn.
A. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN AMBTEN, BEDRYVEN, HANDWERKEN, ENZ. ONTLEEND.
Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwame werklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v. Claes Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Symoen de Backer of Simon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v. Pierkin d' Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand: Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest (Proost), meester Aert Doctoor, enz. zijn zulke namen.
Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.
Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velen vinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.
§ 109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v. Bakker, Bleeker, Boekbinder, [156] enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v. De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop, [157] enz. Dit lidwoord wordt ook wel als den in plaats van de geschreven; b. v. Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namen zonder lidwoord meer in de noordelike, en die met lidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoord den hebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.
Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v. Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In § 64 vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.
Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerk en de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen: De Cupere, D'Huyvettere (dat is de leêrlooier), Harnisfeger, Raeymaecker (raey == raderen), De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.
§ 110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by 't uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.
Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voor jager is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel het weispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman" uit, in plaats van »De Jager"; b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman komt ook als maagschapsnaam voor, even als Weyman, en in misspelling Wijman. Een ander oud woord voor jager is wildschut, overeenkomende met het hoogduitsche Schütz, Wildschütz. »De Wildschut" hangt nog, in stede van »de Jager", uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam is Wildschut ook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woord schut samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende die schiet met eene bus of bos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitsche Büchse, waarvoor men in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. Een andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, Hoendervanger en Snepvangers behooren tot de jagernamen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler en misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woord Finkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met een flapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De geslachtsnaam Flapper is dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamen Mollevanger en Kraaivanger met Craeyvanger zijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en Valkenier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en Valckenaere behooren ook tot de jagernamen, even als Vogelaar, De Voghelaer, De Vogheleir en, in patronymikalen form, Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaam De Strooper.