De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 25

Chapter 253,423 wordsPublic domain

Velen van deze stra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra overeen met het algemeen-nederlandsche Van der Baan en met Verbaan; Boomstra met Van den Boom; Kooistra met Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi); Laanstra met Van der Laan; Landstra met Van der Land; Meerstra met Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch); Walstra met Van der Wal; Wykstra met Van der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.

§ 104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook in samengestelden form voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v. watermeulen, in den geslachtsnaam Verwatermeulen, nevens het eenvoudige woord meulen of molen, in Van der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden: Van den Aardweg met Van den Eertweg, Van den Ertwegh en Van den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie § 151); Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering van Blokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. Verder Verborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh. [149] En ook Van de Cleemputte. Dit woord kleemput is slechts een andere form van leemput, een put of kuil of poel waar men leem uitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalven Van de Cleemputte nog Van Cleemput en Van Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel (ook als oneigenlike vadersnaam Leempoels), Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoul in Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht tot Leemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t' huis behoort.

Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachtsnamen: Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, Sonnevelt en Zonneveld, Maarleveld.

Met land: Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoogland en Laagland, Veenland, Weiland en Weitland. Wieland echter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.

Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.

Met made: Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade (zie § 186 en 143).

Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, Rodenhuis en Roodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaam Norbruis voor. Zoo wordt ook de geslachtsnaam Jelgerhuis (oorspronkelik en voluit Jelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal tot Jellegruis, Jellegruus verbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaam Nieuwenhuis dient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadje Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordig Neuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslacht Nieuwenhuis heeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen, Jacob Nyegaard geheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard" (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deensche Nyegaard in het hollandsche Nieuwenhuis om. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden. [150] Althuis en Althuysen zijn geslachtsnamen die ook verlatynscht als Althusius en Althuysius voorkomen, en deze latynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, tot Althuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamen Heshuysen en Heshusius tot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namen veld en huis komen beiden voor in den geslachtsnaam Huis-in-'t-Veld.

Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschte Lindenhovius. Hof, hove, have zijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpen Marienhave en Engerhave, tegenwoordig ook wel als Marienhafe en Engerhafe, zelfs wel door misverstand als Marienhafen en Marienhaven geschreven, geenszins van het woord haven afgeleid, maar integendeel van have, hove, hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Ten Have, Van 't Haaf, Van der Have en Verhave met Opgenhaaffe (zie bl. 259 en 260), Van Schevichaven, Manhave en Nunninghaven, misschien ook met Seynhaeve en Seynaeve, mijns inziens, samengesteld met have, hof, en niet met haven (portus). Dat have in der daad wel hove is, blijkt ook uit de geslachtsnamen Van Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, Verboeckhaven en Verbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok- of boekhof, beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaam Van Schevinckhoven voert; [151] zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig als Van Schevichaven voorkomt.

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, Noorderhaven en Oosterhaven het woord haven (portus) te moeten erkennen. Noorderhaven komt, als weêrga van Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form als Noordraven voor.

Opmerkelik is het, onder de talryke hofnamen, den form hoff, met twee letters f, zoo veelvuldig aan te treffen.

Met oever: Van Goudoever, Kortenoever, met Ten Oevere, Ten Oever en Van den Oever.

Met berg: Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188), Bloemberg en Bloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woord berg zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam Van den Berg een der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naam berg, zoo niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.

Met dal: behalven Van Dale en Van Daele, nog Eikendal, Lovendaal, Boterdael en Botterdaele (ook Van Boterdael en Butterdael) en, als weêrga van dezen naam, Boterberg (beide te Brussel). Verder Diependaele, Candaele, Hennixdael (Hennink's dal; zie bl. 52), Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.

Met duin: Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.

Met beek: Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, Noordbeek en Noorbeek, Schaeverbeke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woord beek als bek, bekke uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt by Eibergen; Bekveld, buurt by Hengelo (O); de Rammelbekke of Rammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen als Schierbeck (het verhollandschte Schierbeek komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie bl. 264), Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens Visbeek, Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woord beek als bek (beck) of bekke strekt zich ook over geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen op beck eindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen met beck samengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op bach eindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn: Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag (verhollandsching van Tiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitsche bach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v. Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot Kalsbeek; Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz.

Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken, maar zooveel te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord beek samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woord sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts bekend: Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie § 168), Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, Wykersloot met De Wykerslooth in half-franschen, dus onzinnigen form, enz.

Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk dan slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der Graft, Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samenstelling), Steengracht en Coenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, als Coenegrachts voor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, als Coenegras. Verder Godvliet, Polvliet met Polfliet en Pollefliet, Schyvliet en Sneevliet met Van Vliet, Van der Vliet en Vervliet.

Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water), broek, poel, moer of moor (moeras), meer, vaart en diep zijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschen bodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen: Blankwater, Borrewater en Bornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, Slagwater met Van de Water en Van de Wateren.--Minderaa, Wykeraa en Van Wiekeraa, Van der Aa en Van der Ouderaa met Van der Auweraa.--Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, Meulebrouck met Muelenbroock (in Duitschland is Mühlenbruch een tamelik algemeene maagschapsnaam), Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, met Van den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ook Broeker en Brooker, Brookman en zelfs Brauckmann, met Ten Brake, Braakman, enz. Verder Van der Poel en Poelstra, Toe Poel (zie bl. 263), Poelman en Poelmans, misschien ook Spoelders ('s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), en Poolman, met Abspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel (met Van Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naam Vagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woord poel, te weten pool of pohl, komt ook voor, nevens Vagelpohl, in de maagschapsnamen Cleypool, Weddepohl en Poolman met Pohlmann; zie bl. 197. Dan Van der Moere met Van der Moer en Vermoure, Moerman en Moorman (zie bl. 198). Eindelik Van der Meer met Belkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, Schoffelmeer en Zuidmeer; Van der Vaart met Heyvaert, Poldervaart en Zuidervaart. Wat de maagschapsnaam Heyvaert aangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlik Hayward was. Ook de geslachtsnaam Engelvaart durf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woord vaart samengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die de Engelenvaart heet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaam Van Engelen, en de maagschapsnaam Engelvaart heeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanders zeggen, zeer te recht, Godevaart voor Godfried, Govert; zoo kan ook Engelvaart een zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaam Engelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamen Godveerdeghem en Hemelveerdeghem, heim of woonplaats der Godveerdingen en der Hemelveerdingen, dat is: der nakomelingen van Godveerd, Godevaert, Godfried en van Hemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert. [152] Van het groningsch-friesche woord diep voor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaam Westerdiep ontleend.

Waar water is, daar zijn ook dyken, dammen, sluisen, bruggen, veren en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk, en Dykstra, eveneens. Verder in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkmans. Deze met dijk samengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaam Kerdijk ook tot deze namen, met het woord dijk samengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren. Dam-namen zijn Van Dam, zeer algemeen, 't welk in ons damrijk land geen wonder is; Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam (kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in Noord-Holland aan het Y; zie ook § 156) en Nydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.--Beversluis met Van der Sluis en Versluys, misschien ook met Sluizer.--Van 't Sas is de zeeusch-vlaamsche, Van Zijl (en Zylstra) de friesche tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen (zie bl. 276), Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzen tot ons gekomen zijn, en dan nieue brug beteekenen, naardien het woord nieu in sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, als nigge wordt uitgesproken. In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer vinden wy 't woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig--ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woord veer heeft. De Veer zoude ook kunnen zijn het woord veêr, veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr" heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaam Veder voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan als feer; en de maagschapsnaam Vader is niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamen Van der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, Wagenvoorde en Ten Bengevoort (ten Benninge-voorde?).

Oort en weert, weide, veen en heide, bosch en loo, hout en woud, roode, marsch en geest, donk en horst formen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden: Van Oort en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en Flikweert; Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van den Bussche en Van den Bos met Boschman, Buschman, Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher, Bosker en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaleigen; Bysterbos, Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woord bosch zyne ch verloren heeft.--Een loo is een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen onze woorden loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo--dat is tweemaal het zelfde gezeid,--Groenloo), terug in de geslachtsnamen Van de Loo, Loman met Looman en den hoogduitschen form Lohmann (alle drie vry algemeen), Apperloo, Boschloo, Biddeloo met Bidloo en misschien ook met Pitlo, en de versletene formen Beeloo en Beelo; verder in Donkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen"), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaam Anslo (†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne Reisschetsen uit Noorwegen (De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichter Reyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 in Oslo geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden geslachtsnaam Ansloo." Oslo is de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.

Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamen Van Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede, Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat beduidt: des graven rade), Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.

Hout en woud in frankischen, holt en wold in saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van 't Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op 't Holt, Houtstra, Van Woude, Van 't Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamen Boekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz., Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhout en verwante formen (zie §135), Moerenhout, Schelfhout (de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), Spitholt, Suyderhoud, Vastenhout en Vastenoudt, Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen, met hout, holt samengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval: Bruinwold en Bruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ook Groenewold, dat met Groenewoud, Groenewoldt en zelfs met het half en heel hoogduitsche Groenewald en Grünewald, vry algemeen is.

Geest en Gast (zie bl. 247), komen voor in Van der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra en Gaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in Van der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en Mersman. Verder in Vermeersch, Overmars, enz.

Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woord donk in Donck, Van Donck, Van der Donk en Verdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cranendoncq, Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen met donk samengesteld, en eveneens de plaatsnamen op donk eindigende, komen meest in de zuidelike Nederlanden voor. Horst (zie bl. 250) vindt men in Van der Horst, Ter Horst, Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.

Eindelik nog eenige veen-namen: Van der Veen en Van der Feen, Feenstra en Veenstra komen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder: Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen en Witteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen, roodveen, witveen en zwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.

§ 105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als: burg, zeele, hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, wijk, tuin en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.

Met burg en borg (oorspronkelik burcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld--behalve Van den Burg, enz.; Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, Sterkenburg en Starkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulke burg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieue burg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als 't ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kent zulke nieuerwetsche burgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.