De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 24
De oude friesche en friso-saksische formen tho, thoe, to, toe komen ook met het lidwoord samengetrokken als thor en thom, tor en tom voor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaam Thorbecke vast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend: Tombal (to'm Bal), Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, Thomputte en Tomputte. Tongronde is To'n Gronde, to den gronde, aan, by of in den grond of het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamen Grondstra en Grunstra (zie § 103.) Thorbecke is tho'r Becke, to'r Becke, to der Becke, to der Beke, by de beek of ter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitsche Zumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaam By de Beek, met den frieschen Beekstra. [146] Verder nog: Tor Weele (Torweele) nevens Ter Weele (weele == wiele, wiel? zie bl. 251), en Thor Westen.
De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats van te, dit zelfde voorzetsel ook wel in den form tot. Te en tot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjes tot in plaats van te. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga", een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t'huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoord adres): »tot Haerlem." De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dit tot samengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achter tot volgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is. (Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.
Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v. Van in 't Veld (meestal Vanintveld geschreven), Van over 't Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, dat In-'t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Bosch reeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, door van er voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.
Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor: Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamen Achterop en Voorby behooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, 't zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naam Van Ginder-achter.
§ 99. De geslachtsnamen Ten Kate en Ten Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woord kate zijn samengesteld. Kate of kaat is een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woord kate is oorspronkelik één en het zelfde woord als keet en kot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woord keet is de geslachtsnaam Houtekeet afgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formen Hautekeet, Autekeet, Hautekiet en Houtekiet. Terwijl van kot de geslachtsnamen Oldenkot, Walkot en Damkot geformd zijn; zie ook Sevecotius op bl. 207. Verder Van Cooth, Koot, enz. De saksische form kate schijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.
Behalven Ten Cate en Ten Kate noem ik hier, als voorbeelden van deze kate-namen: Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat (met den byform Loosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt), Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate (met den bovenvermelden byform Walkot) en Wyvekate. Waar de lettergreep die aan het woord kate voorafgaat, op eene s eindigt, daar zijn die naast elkanderen komende s en k, sk, tot sch verbasterd. Deze letterverbinding sk toch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaats sch hebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamen Ten Doesschate en Ten Wytschate, uit de oorspronkelike formen Ten Does-kate en Ten Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamen Colmschate, oorspronkelik Colms-kate, dorp in Salland (Overijssel), en Wytschate, oorspronkelik Wyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstel Wytschaete, in het brugsche tijdschrift Rond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.
Dat kate en kot oorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naar o zweemende uitspraak der saksische a), blijkt ook uit de geslachtsnamen Walkot en Walkotten, Haverkotte en Havekotte, die nevens Haverkate en Walkate voorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komt deze geslachtsnaam Haverkate of Haverkotte ook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, tot Haberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d' uitspraak, maar Habekotte van. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo'n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naam Haberkotte, die reeds tot Habekotte versleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatste e van zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak, Habekotté van. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen form Habecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaam Habecotee ook zeker onder § 149, by d'onverklaarbare namen gerangschikt.
§ 100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt. Van den Berg b. v. en Ten Berge, omdat het woord berg mannelik is. En Van de Werf en Van der Wal en Ter Stege, omdat de woorden werf, wal en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar altijd is dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woord wal in de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmond hier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woord wal komt in sommigen onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen De Walle en Van der Walle stemmen hier ook mede overeen. Het woord hoek heeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaam Van der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en niet Van den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en Van den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamen Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter Burg en Ter Hazeborg zijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadje Ter Borch is dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamen Ten Brake, Ter Brake en Te Braake en in menigen anderen naam. Zie § 157.
§ 101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen met van, of met van en een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, 't zy dan uit de algemeen-nederlandsche, 't zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkele a of den lettergreep stra. Deze enkele a en dit aanhangsel stra zijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. De a, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in § 44 vermeld is, en van geslachtsnamen aan byzondere plaatsnamen ontleend, zoo als in § 91 behandeld is. En stra als middel om van byzondere plaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in § 71 en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingen kan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechsels a en stra wil kennen, verwyzen.
De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkele a achter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkele van samengesteld zijn. De geslachtsnaam Berga b. v. beteekent in letterlike vertaling: Van Berg. De maagschapsnaam Bosscha (Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt als Boska en Buska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nog Burga, Heida, Porta (van porte, poort), enz. Voorda en Voerda komen van het oude woord forth, ford, voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaam Muda komt van het oude woord mude, dat nog als muide, muiden in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, Emuiden of Emden, Ymuiden, Arnemuiden), en als mouth in zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, en mond, riviermond, beteekent. Haga, ook in den versletenen form Hage, en tevens als Ter Haagha en Van Haga voorkomende, van het woord haag? Morra en Moora zijn afgeleid van het woord morre, moor, moer, moeras. Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaam Werda komt van het woord werd, ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend: Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaam Opwyrda (Op Wyrda ware beter spelling, Op Wierda nog beter) is Wierda, van het friesche woord wierde--in den plaatsnaam Holwierde (Fivelgo)--, en het voorzetsel op.
Swaga, verhollandscht tot Zwaga, komt ook in versletene formen als Swage en Zwage voor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woord sweach, dat veeweide beteekent [147], en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten form zwaag. Een dorp by Hoorn in West-Friesland heet enkel Zwaag. Ook vindt men daar een gehucht Zwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchten Beetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt: Scheemderzwaag en Eeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehucht Swoog (volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomene a byna als o) of Schwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. in Zwaagstra, Swaagstra en Van der Zwaag, in Friesland; Ter Zweege in Drente; Zwaagman en Zweegman. Zoo mede in het westfaalsche Schweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.
Het oud-friesche woord wald, walt is het zelfde woord als het saksische wold en het algemeen-nederlandsche woud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkele a, afgeleid; namelik Walda, Walta, Wolda en Wouda.--Buwalda en Buwolda komen van eenen frieschen plaatsnaam Buwald, Buwold, Buwoud (Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben. Steentilla eindelik beteekent: van de steenen brug. Tille toch, ook voorkomende in de plaatsnamen Kingmatille en Enumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug" beteekent.
§ 102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te weten Berga, Bosscha, Burga, Heida, Wolta zoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid. Berg, Boske, Burg, Heit, Wolt immers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaam Berg kan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaam Bosscha, Buska ten grondslag ligt, kan zijn de mansvóórnaam Boske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaam Bos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform als Bosico, dat is Boske, wordt in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man die Bose Eelzes Kingma heet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken form Boso, Bos, hebben wy de geslachtsnamen Bosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ook Busma, Bussink, Bussing, Bussen en waarschijnlik Buisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamen Bosum, dorp in Friesland; Beusichem, gezegd Beusekom, oudtijds Bosinchem, dat is: Bosinga-heim, de woonplaats der Bosingen of afstammelingen van Boso; het is een dorp in Gelderland. Verder Bosseghem, en Boeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluit Bossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland); Büsum, vlek in Ditmarschen; Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinform Boske, Buske komen de geslachtsnamen Boskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uit Boskinga (men vergete niet dat de Friesen sch als sk uitspreken) Bosken en misschien Bosch; verder Busken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ook Böeseken en Buyskes.
Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting van Burgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133. Heit, Heite, Heide is een oud-friesche mansvóórnaam, die als Haido, Heido by Förstemann vermeld staat, en die in den verkleinform Heitse, Haitse (beter schrijfwyze ware Heittse, Haittse, dat is: Heitke, Haitke; friesch ts = k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen: Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, Haiting en Haitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, Heitsma en Heitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaam Walte eindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den form Woldo door Förstemann vermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ook Wassenbergh, Leendertz en Brons getuigen. Deze naam kan ook aan de geslachtsnamen Walta, Walda, Wolda en Wouda ten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen † Waltinga, Woldinga, Woltinge en Woldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.
§ 103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra eindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in § 71 vermeld), noem ik hier de volgenden: Bergstra, Bogtstra (van bocht of kromming in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras; zie bl. 249), Damstra, [148] enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d' algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval by Bartstra, van barte, het friesche woord voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen--ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Batstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, is bird (men spreekt uit bud); de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamen de Bud of de Bird, een gehucht by 't dorp Grou, Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht tot bert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel als Tjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp de Beerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamen Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. Aangaande dit woord bird leze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen", in het Tijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,--Nomina Geographica neerlandica--dl. I, bl. 76.
Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam van deel; het Langdeel, het Scroetsma-deel by verkorting 't Skroet genoemd, het Naudeel (nau == eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaam Deelstra (zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woord deel als dol, dolte uitgesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaam Dolstra afgeleid. Deze woorden deel en dol (te) heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt boeke-hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaam Delfstra ontleend.
Heem, in Friesland hiem, is het zelfde woord als het hoogduitsche heim en het engelsche home. Als hiem, hieminge beteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van Heemstra zijn van dit woord afgeleid, even als Hooghiemstra en het half-verhollandschte Hooghiemster. Horn, hern, verhollandscht tot hoorn, zijn de friesche woorden voor hoek. De geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Henstra (in plaats van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet uitspreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra behooren ook hier toe. Over het woord keeg, waarvan de geslachtsnaam Keegstra (misschien ook, by verbastering, Keekstra en Kikstra), zie men bl. 250. Pyp, pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaam Pypstra. De geslachtsnaam Polstra komt, even als Van der Pol en Van de Poll, van het friesche woord polle, klein eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaam Rakstra is aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het Franekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen wel Franeker-accent van maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurten Damrak en Rokin (het rak in).--Over de woorden set en sîl, waar de geslachtsnamen Zetstra en Zylstra aan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.--Slot, burg, stins zijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra (Stinsstra ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den Casteele, Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn--waar dus dat groote dak als eene stulp of stolp die drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eene stjelp, verhollandscht tot stelp, en in Noord-Holland eene stolp. Het algemeen-nederlandsche woord stulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamen Stelpstra, versleten tot Stelstra, en Stulpstra, en aan het hollandsche Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en wier hebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamen Terpstra en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawier zijn namen van friesche dorpen; en Hoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met Heldewier, Noordewier en Rollingswier zijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woord wier is weer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. in Mensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allen dorpen in Groningerland en Oost-Friesland. Langweer en de Wonser-weren zijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren inheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by 't friesche dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord weer hun ontstaan. Het woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form) Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamen Tjerkstra en het half-verhollandschte Kerkstra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra en Houtstra voor.