De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 23

Chapter 233,875 wordsPublic domain

In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor een water floeide, en die men in Holland »gracht" noemt, den naam van rui; b. v. de Suikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaam Blockkeruy meen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den form Blockerye aan een ander vlaamsch geslacht, en onder den form Van de Blocquery aan eene in Holland gezetene maagschap eigen.

§ 95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetsel Van, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.

Het voorzetsel van en het verbogene lidwoord der zijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordje ver. Vermeer by voorbeeld, en Versluys zijn samengetrokken uit Van der Meer en Van der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden: Verbaan, Verbeek met Verbeeck, Verbeke en Verbeken, Verbrugge met Verbruggen, Verbrugghe en Verbrugghen, [138] enz. Zoo als de aard dezer zake meêbrengt, komen de volle formen dezer namen, met van der, in den regel nevens de versletene, met ver, voor. B. v. Verbaan naast Van der Baan, Verkerckhoven nevens Van der Kerkhove, Verschelde naast Van der Schelden, enz.

§ 96. Het voorzetsel van is geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even als van, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen die van by zich hebben.

Die voorzetsels zijn: aan, by, onder, over, te, uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.

Met aan: Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den Boom en Aen den Boom. Het voorzetsel aan wordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, als an uitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaam An de Weg.

Met by: By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en in Bey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is. Bymholt behoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking van Bi 'm Holt, Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, als Bimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.

Een tegenhanger van Bymholt is de geslachtsnaam Biederlack (Bi der Lack, by de lak of lek). Lack of lak (het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aan Kurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg), lack of lak, laak, leek of lek is de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woorden lekken en leken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als 't ware lekkende, uit eenen grooteren waterstroom voortfloeit. In onzen riviernaam De Lek, in den groningerlandschen dorpsnaam De Leek, in den naam Medemblik of Memelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijds Middenleek of Medemelaca, vinden wy dit woord terug. Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam als Bymholt, Bütefür, Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaam Ter Laak is de zuiver-nederlandsche tegenhanger van Biederlack.

Met buiten: Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.

Met binnen: Binnendijck, Binneweg.

Met op: Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op 't Broek, Op de Camp, Op de Coul (coul, dat is limburgsche gouspraak voor kuil), Oppedijk (versleten van Op den dijk), Op 't Einde; Opteynde en Op den Ende, Op de Hoek, Op den Hoff en Op den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op 't Land, Op de Ley (zie bl. 243), Op de Macks (een naam die my duister van beteekenis is), Op de Weerd en Op de Woerd. De maagschapsnaam Op den Oort komt ook, door verharding der d in eene t, wegens de voorafgaande p, als Optenoort voor; ook als Oppenoorth, by geheele wegslyting der d van het lidwoord, even als in Oppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, als Op ten Noort. Het woord oort of oord beteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid een weert of waard, dat oorspronkelik, met woerd en wierde en wier, wel een en het zelfde woord als oort zal wezen. De nederlandsche maagschapsnamen Op den Oort, Optenoort en Oppenoorth vinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamen Auf 'n Orte en Aufmorth (eene samentrekking van Auf'm Orth, Auf dem Orth) en in Aus 'm Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaam Oppenoorth genaamd Auffmorth (zie Haarlemsche Courant van 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaam reeds oud is, bewijst Harman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zie Register van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).

De zelfde verharding van d tot t, die in Optenoort voorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamen Optenberg, (oorspronkelik Op den Berg) en Optendrees, (dat is: Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woord drees of dries, zie men bl. 250).

De geslachtsnaam Op den Zieke schijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, 's Gravenhage) eene buurt is, die van ouds her het Zieken of het Zieke heet. Te Haarlem was die buurt in d' onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyze de zieken als by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide: ten zieken of by de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op het Zieken." Dit is in nog ouderen form gezeid: Op den Zieke.

De maagschapsnaam Opstelten behoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetsel op, maar stelten schijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaam Opscholten niet duidelik.

Met onder: Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.

Met voor: Voor den Haak (het hoogduitsche Vor der Hake komt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitsche Vor der Wullbecke), Voor 't Bosch, Voor 't Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.

Met achter: Achterberg, Agter den Bosch en Achternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is: achter den eik.

Met over: Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve (dulve is een zeeusch woord voor sloot, gedolven waterloop, of delf in het Oud-nederlandsch); Overdiep (groningerlandsch deip of diep voor waterstroom, zie bl. 245); Overeem (zie bl. 244); Overgaauw (over het rivierke de Gouwe, by Gouda)? Verder Over de Linde (rivierke in Friesland? of lindeboom?); Overkamp, Overputte, Over 't Veld, Overvoorde, Over 't Zet (zie bl. 251).

Met met: Mettepenningen (zie § 142 en 168); Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy: met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie § 148. Beide deze namen, met het voorvoechsel met samengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.

Met in: Incoul (in kuil, in den kuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaam Op de Coul, en, meer verhollandscht, in Leemkoel. Verder Inthof (beter In 't Hof geschreven); In den Klef (dit klef zal hier wel het zelfde woord zijn als kleef, kleve, klief, klif, en beteekent dan: helling van eenen heuvel, eene hellende vlakte), In 't Veld, In de Wey, In den Berken.

Met uit: Uit de Broeck en Uyttenbroeck (zie bl. 249); Uyttendaele, Uitterdijk, Uytterhaegen en Uitenhage, Uit den Hoef, Uytterhoeven en Uyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. Ook Uyterelst en Uytterelst, in welke namen het woord elst de beteekenis heeft van elsenbosch, even als in de maagschapsnamen Van der Elst en Verelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed der t van uit is in bovenstaande namen de d van het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eene t verhard; b. v. Uitenbosch in plaats van Uit den Bosch, Uitterschoot in stede van Uit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen, by Uyt de Broeck en Uit den Hoef is de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.

Het woordje uit luidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, als uut (ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaam Uut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woord huis, dat, in overeenstemming met uut, hier huus had moeten wezen. Ook in den maagschapsnaam Utenhove vinden wy dit ût, uut, in plaats van uit. Utenhove is de oude form van dezen naam, die ook met van er voor, als Van Utenhove voorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form, Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor. Utermöhlen is een maagschapsnaam, die, blijkens de öh, van platduitschen oorsprong is; en Utermark waarschijnlik ook.

In de middeleeuen werd het woordje uit, uyt, uut gewoonlik als wt geschreven, omdat de w oorspronkelik anders niet en is als eene dubbele u (uu, vv, w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nog dubbeld-ou of ook dobbeld-ou (met den klank van het woord rouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd de v als uve, de w als dubbeld-uve te noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze van uit als wt nog voor. Dat zijn Wtteneng (uit den eng; eng, ing, enghe is groenland, grasland, weide; zie bl. 43); Wttewaal, Van Wttberghe, Wtenweerde met Wtenweerden en Wtterwulghe. Wulge is de vlaamsche form van het woord wilg, zekere boomsoort. Dus is wtterwulghe, wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. Nevens Wttewaal en Wtterwulghe bestaan ook nog de nieuere formen Uyttewaal, Uytewaal en Utterwulghe als hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze van uit als wt niet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert deze uitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eene i uitgevallen is, tusschen de w en de t weg, en spreken Wttewaal dan als Wittewaal uit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. Nevens Wtterwulghe en Utterwulghe is er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam als Witterwulghe schrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaam Wittenrood zijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelik Wttenrood, Wtenrode (uit den rode--zie bl. 248) geweest zy.

§ 97. In het belangryke werk van Jos. Habets, De Wederdoopers te Maastricht (Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d' eerste helft der 16de eeu leefde. Die naam staat daar vermeld als Arnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaam in gen Esschenbroek heeft klaarblykelik de beteekenis van: in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat deze Arnold in eene plaats woonde, die den naam droeg van de Esschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby 't stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naam Essenbruch draagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t'huis behoorde of woonde. Alzoo Arnold in den Esschenbroek werd die man te recht genoemd.--Ja! maar in die oude oorkonde, door Habets vermeld, staat: »in gen Esschenbroek." Is dat gen dan eene drukfout voor den?

Geenszins!--»In gen Esschenbroek" is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d' omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt de n, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemde nasaal-n, dus ongeveer als ng uitgesproken [139]. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten," in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem 'n reng angen hank, en schong angen puute." Hier staat dus angen in de plaats van ang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordje onder te Sittard steeds als onger; oorspronkelik ongder, maar de d is daar uit gesleten. En zoo sleet ook die d uit angen (ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uit ingen (ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over 't algemeen slijt de d, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo'n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck" eene verkeerde spelwyze voor ing(d)en, in den Esschenbroek.

Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt in Jos. Habets' werk Het vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe (gaat) al die syder straet langs...... voert te Winckel neven 't feldt op gen Quaeckmeer, die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op gen Doussenbergh" enz. Op gen staat hier voor op den.

Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn: Aengeveld, Angemeer, Aangevoort (aang (d)e Voorde), Aangevaren (de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik), Angenent (ang(d)en Ent) [140], enz. Ingenbroich is: in den broich; en broich is de form die tusschen Rijn en Maas geldt voor broek, brook, bruch, moeras,--zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamen Mecklenbroick en Hucklenbroick komt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken: Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaam Ingenbroich tweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t'huis behoort. Ingenhousz is: in den huize; housz of hous (huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even als coul voor kuil--zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor als Ingenhoes gespeld. Ingenluyff is: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche form luif, in plaats van den hollandschen form luifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal. Luif is zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord dan luifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamsche love, het hoogduitsche Laube [141]. In den maagschapsnaam Opgenhaaffe, op den haaffe, op den hafe, op den have, op den hove, treffen wy nog den ouden form opgen aan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.

§ 98. Behalven het zoo algemeen voorkomende van, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetsel te, in verschillende formen, als toe, tot, thoe, en in verschillende samenstellingen, als ten en ter, thor, tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die met van samengesteld zijn. Deze te-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?" In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?" als oorsprong der van-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, 't zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter deze te-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, die achter het voorvoechsel te volgen; b. v. Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, 't zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boer Geert b. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erve Lintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagen Geert te Lintum genoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam. [142]

Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetsel te samengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden: Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt, [143] enz. Brake zal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woord broek (zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamen Ter Brake en Ten Brake (het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook in Braakenburg en Brakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eene h by in het spel is; zoo is de geslachtsnaam Te Hollebeeke in die streken tot Thollebeeke geworden.

Het voorzetsel te werd oudtijds ook wel als the geschreven. Van daar de geslachtsnaam The Pass, gewoonlik als Thepas geschreven, die nevens Te Pass voorkomt. In den maagschapsnaam Theepas meen ik dit zelfde voorzetsel the of te te moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maar in den geslachtsnaam Tho Pass is de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den form Thopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen, topaas, kan denken. Pas is een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamen Berkenpas en Wilgenpas duidelik van beteekenis. Zoo ook Uilenpas (pas waar uilen nestelen) en Berenpas, pas waar beren, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan de beren van den brummel- of braamstruik te denken hebben. Braam is de hollandsche, brommel, brummel de friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamen Braamcamp en Brummelkamp met Brommelcamp. De geslachtsnaam Weerpas is my niet duidelik, al vind ik er dit woordje pas in. Maar de naam Pasman zal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eene pas stond.

Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetsel te luidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken als to, en werd oudtijds als tho en ook als thoe geschreven. Dit thoe maakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetsel zu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baron Georg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansberg schreef zynen naam als Thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrou Doed Holdinga gehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslacht Harinxma was in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als (Van) Harinxma thoe Sneek en (Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap (Van) Beyma bezat en bewoonde oudtijds de Kingmastate te Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaam thoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht is Van Beyma thoe Kingma nog de vaste naam.

Deze oude form van het voorzetsel te, zonder h als toe geschreven, komt nog voor in de maagschapsnamen Toe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe Rippel en Toe Reppel (deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn), Toe Set (dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), en Toe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naam Te Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetsel toe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord: Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.

Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetsel van wel met het verbogene vrouelike lidwoord der samengesmolten is tot het voorvoechsel ver. Dit is ook het geval met het voorzetsel te en het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoord den, als met het verbogene vrouelike lidwoord der. En deze samenfloeiing van te en den, van te en der is zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immers te den en te der komen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formen ten en ter wel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetsel te voorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die met ten en ter samengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:

Met ten: Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen [144], enz.

Met ter: Ter Hazeborg, Ter Horst (zie bl. 250), Ter Haar, [145] enz.

Even als thoe nevens toe, zoo komen ook eene enkele maal then en ther nevens ten en ter voor. Dit is het geval in de geslachtsnamen Then Berge (naast Ten Berge) en Ther Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.