De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 22
Indien de hedendaagsche dragers van den naam Van Brederode in der daad afstammelingen zijn der aloude graven van Brederode, gelijk wel beweerd wordt, zoo is deze geslachtsnaam zeker minder byzonder, dan waneer hy enkel ontleend is aan den naam Brederode, als plaatsnaam, als naam van het stamslot van dat oude geslacht van hollandsche edelingen. Dat kasteel, sedert de 15de eeu in verval, ligt reeds sedert de 16de eeu als een schilderachtige bouval in het schoonste oord van Haarlems heerlike omstreken. Het geslacht Van Brederode is dan ook te Haarlem gezeten. Het woord Brederode wordt in den haarlemschen tongval als Breêroô uitgesproken: van daar dat een ander haarlemsch geslacht den naam Van Brero draagt. Tegenhangers van den naam Van Brederode zijn de geslachtsnamen Van Teylingen en Van Hoogteilingen, die eveneens door burgerlike geslachten in Holland gevoerd worden, en afgeleid zijn van het oud-adellike slot Teylingen, dat sedert eeuen reeds in puin ligt by het dorp Sassenheim tusschen Haarlem en Leiden.
§ 89. Een byzondere geslachtsnaam is ook nog Van Bredael (het enkelvoudige Bredael komt ook voor), die te Antwerpen nog al veelvuldig voorkomt. Bredael was in vroegere tyden, hier en daar in de Nederlanden, de volksuitspraak van den naam der stad Breda. Een huis op de Roozegracht te Amsterdam, in de laatste helft der 17de eeu, heette: »Het schip van Breda"; zeker in herinnering aan het turfschip van Breda, waarmede Prins Maurits by verrassing het kasteel van Breda innam. Een feit uit de vaderlandsche geschiedenis, by ons volk zoo wel bekend. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam, die den naam van dit huis eens in zijn grafboek schryven moest, schreef echter: »'t schip van Bredael" (eigenlik schreef de man, die al zeer slecht ter penne was: »sep van Bredael."). [128] Die byzondere uitspraak van dezen brabantschen plaatsnaam was dus oudtijds ook te Amsterdam in zwang.
De geslachtsnaam Van Wensveen is ontleend aan den naam van het zuidhollandsche dorp Waddinksveen, welke naam in de volkstaal aldus wordt uitgesproken. Van Beusekom, Van Blarcom, Van Deutekom, afgeleid van de plaatsnamen Beusichem, dorp in Gelderland, Blaricum, dorp in het Gooiland, Deutichem of Doetinchem, stadje in Gelderland, kunnen naueliks voor verbasteringen gelden, omdat de volksmond deze plaatsnamen gemeenlik alzoo uitspreekt. En dit is eveneens het geval met de geslachtsnamen Van Bruyssel, Van Bruysselen en Van Bruyssele, Van Beem en Van Tertholen, die ontleend zijn aan de namen van de stad Brussel, van het dorp Bedum in Groningerland, en van het stadje Tolen in Zeeland. Deze namen luiden in de wandeling Bruessele (by de Zuid-Nederlanders), Beem en Ter Tolen. By dezen laatsten naam, even als by Ter Goes, Ter Gou en misschien ook Ter Mei, in plaats van Goes, Gouda en Ameide, heeft de volksmond den vollen oorspronkeliken naam behouden. De geslachtsnaam Van ter Tholen of Van der Tholen komt ook in samengetrokkenen form voor, als Vertholen.
§ 90. In vorige tyden, in de 16de en 17de eeu vooral, toen de geleerden hunne namen verlatynschten, heeft men het voorzetsel van by de geslachtsnamen die daar mede waren samengesteld, ook in ab of a omgezet, en op die wyze getracht deze namen althans eenigszins een geleerd voorkomen te geven. Overeenkomstig de regelen der latijnsche taal gaf men het voorzetsel van door ab terug, als het daarna volgende woord met eene klinkletter begon (Ab Utrecht), en door a waar dit niet het geval was (A Brakel). Ook voor eene h zette men ab, om dat men deze letter althans als half stom beschoude (Ab Huisen). Men schreef deze a veelal met een teekentje, als à, en doet dit nog wel. Waarom is my niet recht duidelik; goed Latyn is het niet.
Onder de nederlandsche geleerden van de 16de en 17de eeu en ook nog onder hunne nakomelingen in de 18de eeu, treft men menigvuldig zulke geslachtsnamen met ab en a aan. Zie hier eenigen van die namen, die voor zoo verre my bekend is, thans uitgestorven zijn: † Ab Andringa, † A Besten, † A Biler, † A Bolswert, en (men schreef die a gewoonlik klein) † à Laxten, † à Vullen, † à Mark, † ab Oostbroek, enz. Die oude geleerden sprongen soms nog al wonderlik om met deze geslachtsnamen, die eigenlik en oorspronkelik slechts toenamen voor hen waren, naar de plaatsen hunner geboorte. Johannes Gerhardi à Besten, by voorbeeld, predikant te Dokkum in 1620, en die dezen toenaam waarschijnlik droeg naar zynen vader, die dan in het westfaalsche dorp Beesten, by Osnabrück, [129] zal geboren zijn, schreef zich ook wel à Groninga, wijl hy een Groninger van geboorte was. En Johannes Fokkes, die te Holwert, een dorp in Friesland, geboren was, verlatynschte en vergriekschte zynen naam, sedert hy hoogleeraar was te Franeker (in het midden der zeventiende eeu), tot Johannes Phocylides ab Holwarda. Deze man overdreef de zaak buiten dien ook nog. Had hy zich nog maar eenvoudig ab Holwert genoemd, hy hadde althans niet dwazer gehandeld dan zoo velen zyner tijd- en ambtgenooten. Maar hy maakte van den enkelvoudigen naam zyner geboorteplaats ook nog eenen oud-frieschen genitivus: ab Holwarda is Latyn en Oud-Friesch te gelijk--eene zonderlinge verbinding!--en beteekent »van van Holwert!" Dit is eene dubbele dwaasheid.
Slechts zeer weinigen van deze namen zijn tot op onze tegenwoordige dagen in het leven gebleven. My zijn slechts de volgenden bekend: A Brakel, (Lycklama) à Nyeholt, A Steringa (Lemke), A Tellinghuis, (Thomassen) à Thuessink (Van der Hoop), en Ab Utrecht (Dresselhuys).
§ 91. In Friesland komen eenige geslachtsnamen voor, die ware tegenhangers zijn van de namen die uit het voorzetsel van en eenen plaatsnaam zijn samengesteld. Het zijn als 't ware vertalingen van zulke namen in het Oud-Friesch. In het Oud-Friesch namelik wordt eenig zelfstandig naamwoord door achtervoeging van de letter a in den tweeden naamval geplaatst. Zie § 44. Zoo ook zet men friesche plaatsnamen door achtervoeging van eene a in den tweeden naamval; maakt dus van den plaatsnaam Jellum den geslachtsnaam Jelluma, dat »Van Jellum" beteekent. Ofschoon deze oud-friesche taalform, in de volkstaal reeds in de middeleeuen uitstierf, bleef men toch nog lange daar na op deze wyze geslachtsnamen maken. Zie hier een voorbeeld. Wytse Foppes was, in d' eerste helft der 18de eeu, een eenvoudig man, woonachtig in het friesche dorp Dongjum, dat by Franeker ligt. Hy had geenen eigenen geslachtsnaam. Immers zijn toenaam Foppes was anders niet als de naam van zynen vader Foppe, in den tweeden naamval; dus een patronymikon. Zoo lang Wytse Foppes te Dongjum woonde, was deze eenvoudige naam hem voldoende. Maar toen hy later zich te Leeuwarden als rekenmeester en instrumentmaker vestigde, had hy eenen afsonderliken geslachtsnaam noodig, ter onderscheiding van anderen, die ook deze algemeene namen Wytse Foppes droegen. Ware onze man een Hollander of andere Nederlander geweest, wis hadde hy zich »Van Dongjum" genoemd. Nu echter, als Fries, bezigde hy, zeer gepast, ook eenen frieschen taalform; hy smeedde zich den geslachtsnaam Dongjuma, dat Van Dongjum beteekent.
Reeds in § 44 van dit werk heb ik uitvoeriger over dezen form van friesche geslachtsnamen gesproken; ik kom er ook later op terug. Zie § 101.
Talrijk zijn deze namen in Friesland juist niet, vooral niet in vergelyking met de geslachtsnamen die uit eenen plaatsnaam met het voorzetsel van samengesteld zijn, en ook met die friesche geslachtsnamen, welke eveneens geformd zijn door achtervoeging van die oud-friesche a, maar dan achter eenen mansvóórnaam. Zie Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrye Fries, dl. XIII.
De volgende geslachtsnamen, tot deze byzondere groep behoorende, zijn my bekend: Anjema, Aruma, Baarda, Buruma, [130] van de namen der dorpen Anjum, Arum, Baard en Burum, alle vier in Friesland tusschen Fli en Lauers, in de hedendaagsche provincie Friesland gelegen. Maar er komen, meest in Groningerland, ook geslachtsnamen voor, die op deze oudfriesche wyze afgeleid zijn van groningerlandsche plaatsnamen; b. v. Beswerda, van het gehucht Beswert by Esinge; Bieruma, van het dorp Bierum in Fivelgo; Enuma, van Enum, eene buurt tusschen Loppersum en het Zand. [131] Dit zijn zeker zeer oude geslachtsnamen die nog dagteekenen uit den tijd toen men ook nog in deze landstreek, in 't oude Friesland tusschen Lauers en Eems, de friesche taal sprak. Dus minstens uit de 16de eeu. Eindelik moet hier nog genoemd worden de geslachtsnaam Smilda, die op oudfriesche wyze geformd is uit den naam van het drentsche dorp de Smilde.
§ 92. By den rijkdom van onzen vaderlandschen bodem aan stroomen en rivieren, enz. is het natuurlik dat er ook vele geslachtsnamen van ons volk ontleend zijn aan de namen van zulke wateren. Deze geslachtsnamen zijn in den regel uit zich zelven duidelik genoeg, en eischen weinig nadere verklaring. Eene eerste plaats onder de namen der kleine rivierkes in Nederland, neemt de naam A of Aa in. Deze naam die eenvoudig water, stroomend water beteekent, is aan vele rivierkes eigen; b. v. aan de Aa by Breda; de Aa by 's Hertogenbosch; de Aa by Gendringen in Gelderland; de Aa, het bovenpand van den Angstel, in de provincie Utrecht; de Almelosche Aa in Twente; de Mussel-A en de Pekel-A in Groningerland, enz. In overeenstemming met het veelvuldig voorkomen van dezen riviernaam A, komt ook de daarvan afgeleide geslachtsnaam Van der Aa geenszins zeldzaam voor. Andere geslachtsnamen, aan riviernamen ontleend, zijn nog: Van der Aar; de Aar is een stroom die by Alfen uit den Rijn naar de Drecht by Nieuveen vloeit. Van Amstel; deze naam komt in Holland, vooral in Amstelland en Kennemerland algemeen voor. Van Berkel; de Berkel is een rivierke dat te Zutfen in den IJssel valt; maar deze geslachtsnaam kan eveneens aan het zuidhollandsche dorp Berkel ontleend zijn. Van der Does en Verdoes; de Does is een stroom by Leiden. [132]
De geslachtsnaam Van Overschelde moge hier ook vermeld worden, al is deze naam niet rechtstreeks aan den riviernaam Schelde ontleend. Immers Overschelde is de naam van eene landstreek over, aan den anderen kant van de Schelde gelegen, even als het Overmaassche over de Maas ligt. Zoo mede de maagschapsnaam Overeem, van het rivierke de Eem by Amersfoort afgeleid.
Ook namen van buitenlandsche stroomen en rivieren zijn in Nederland tot geslachtsnamen geworden; b. v. Van der Hever, Van der Lip met Van der Lippe en Van Wezer. De Weser is bekend genoeg. De Hever is een stroom in Noord-Friesland (westkust van Sleeswijk), vóór de stad Husum, tusschen het eiland Noordstrand en den vasten wal. En de Lippe is een bekende zijdrivier van den Rijn, in Duitschland.--Omdat de Roer (Ruhr) en de Aar (Ahr) beiden ook namen van bekende zijdrivieren van den Rijn in Duitschland zijn, zoo wel als namen van nederlandsche rivieren, zoo zoude men de op bl. 243 genoemde geslachtsnamen Van de Roer en Van der Aar ook evenzeer kunnen rekenen tot de geslachtsnamen aan de namen van buitenlandsche rivieren ontleend.
De maagschapsnaam Jordaan doet aan de bekende rivier in Palestina denken. Toch geloof ik niet dat deze naam van dien riviernaam afkomstig is. Mogelik is het dat de oorsprong van dezen naam te zoeken zy in den naam van die byzondere wijk der stad Amsterdam, welke den naam van »de Jordaan" draagt. Maar het komt my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Jordaan, met de patronymika daarvan, Jordaans en Jordaens, zynen oorsprong dankt aan den oud-nederlandschen mansvóórnaam Jorden, die ook in latynschen form als Jordanus, en weer verkort als Jordaan voorkomt. De geslachtsnamen Jordensz en Jordens zijn eveneens aan dezen mansnaam ontleend.
§ 93. Een byzonder-friesche form voor deze aan riviernamen ontleende geslachtsnamen ontbreekt ook al niet. Als zoodanig zijn my bekend de geslachtsnamen Eemstra, Rynstra (met den onzinnigen form Van Rynstra) en Scheenstra, afgeleid van de namen der rivier de Eems, van het stroomke de Ryn (Lemster-Ryn), dat uit het Tjeukemeer komende, by de Lemmer in de Zuiderzee floeit, en van het rivierke de Scheene, in West-Stellingwerf, alle drie in Friesland. Men zoude den geslachtsnaam Diepstra hier ook toe kunnen rekenen, omdat "diep", in de noordelike gewesten een algemeene naam is voor stroomende waters; het Dokkumerdiep b. v., het Damsterdiep, het Reitdiep, enz. Zoo ook Deelstra. En tevens de geslachtsnamen Boornstra en Boonstra, naar de rivier de Boorn (Boarn, gewoonlik als Boan, Boon uitgesproken); Eestra en Iestra, naar de (Dokkumer-) Ee, volgens friesche uitspraak Ie (dit woord is de friesche weêrga van het algemeen nederlandsche A of Aa--zie bl. 242); Flietstra en Vlietstra, naar het woord fliet of vliet, in Friesland, als elders, aan eenige wateren eigen; Groustra en Grouwstra, enz. Maar het is eigenaardiger deze geslachtsnamen afkomstig te rekenen van de namen der plaatsen die aan deze stroomen liggen, en die daar mede den zelfden naam dragen. Te weten: van het dorp Oldeboorn, in de wandeling enkel Boorn (Boan) genoemd; van het dorp Ee of Ie, in Dongeradeel; van het Vliet, zoo als eene voorstad heet van Leeuwarden, en eene van Franeker; van het dorp Grou, enz. Zie bl. 206.
B. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN.
§ 94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v. berg, bosch, meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v. terp, gracht, dam), noem ik algemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van de byzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezen algemeenen naam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl de byzondere namen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamen Dijk, Dam, Berg, Duin)--het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, 'T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer (Opmeer), Voor Duin (Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter (dat is: te der) Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namen Van den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijk voeren? Te recht moet men zulke namen algemeene aardrijkskundige geslachtsnamen noemen.
Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder een verstaat ze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.
De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v. Akker en Acker, Baan, Beek. [133] Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v. De Baan, De Bergh, De Brinke, [134] enz. Winkel, in den naam De Winkel, meen ik hier in de beteekenis van hoek te moeten duiden, zie ook bl. 204. Sas, in den naam 'T Sas (het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woord sluis; in de plaatsnamen Sas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensas komt het eveneens voor. Geest, in De Geest en De Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den form gast nog in volle gebruik. In de geslachtsnamen Van der Geest en Ter Gast komt dit woord nog voor, even als in Dorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamen Oegstgeest, Uitgeest, Groote- en Lutje-Gast, Addinga-Gast, enz.
Vervolgens komen d'algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetsel van er voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen: Van Acker en Van Ackere, Van Dale en Van Daele, Van Dam, [135] enz. Lede en het versletene lee in de namen Van Lede en Van Lee beteekent, even als lei in de namen Van der Lei, Verleyen en By de Lei, eene (ge)lede, (ge)leide, eene leiding, eene waterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenis nog; b. v. uit den naam van 't aanzienlike gehucht De Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eene leie, eene waterleiding gelegen is. Rode of rade, in plaatsnamen ook als rood en raad, raed, roth, rath geschreven en in versletene formen als rooi, roy, raey en ray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomen gerood, gerooid, uitgeroeid zijn. Behalven in Van Rood, Van 't Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamen Winderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St. Oedenrode, Schelderode, 's Hertogenrade, in de volkstaal Harkenroth en Herkenraai (waarvan de geslachtsnamen † Harkenroth en Herckenrath), in het Hoogduitsch Herzogenrath, in het Fransch Rode-le-Duc, samengefloeid tot Rolduc.--Ooi eindelik in Van Ooi, Van Oye en Van Oyen is eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woord ode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woord oede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt: Amersode (Ammerzoden, Amersooi), St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerd St-Josse-ten-Noode geschreven, enz. [136] Zijl eindelik, in Van Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der Zijl en Verzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woord sîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor: Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaam Zylstra.
In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkel van er voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, als Van den, Van de en Van der ('t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) en Van het, dat meestal in samentrekking als Van 't voorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn: Van den Acker, Van der Baan, Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke, [137] enz.
Verder nog: Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke; broek (brook, broick, bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door water gebroken veld. Het woord broek komt in vele geslachtsnamen, Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook § 141.
Van den Bilcke en Van den Bulcke; bilk of bulk is een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. De ossebilk is in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaam Van Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven als Van Keirsbilck voorkomende, treft men dit woord ook aan.
Van de Bregge en Van der Breggen is het zelfde als Van de Brug. Bregge is de friesche form van dit woord, en in de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland. Ter Bregge (dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaam Breggeman komt deze form voor.
Van den Dries. Driesch of dries is een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon, op het woord dries. Men vergelyke ook den geslachtsnaam Optendrees, in § 96.
Van den Horn en Van den Hoorn; horn, hoorn (herna, horna, herne, horne) is het friesche woord voor hoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamen Dijkshoorn en Dijkxhoorn, en Droghorn voor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.
Van der Horst. Een horst is een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook wel horst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als: Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.
Van der Koogh en Van der Koog met Van der Kaag. Koog, kaag, keeg zijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, dat polder beteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koog op Tessel, Koog aan de Zaan, de Kaag by Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog). Keegstra is de friesche tegenhanger van Van der Koog.
Van de Kreke is een zeeusche geslachtsnaam, en kreke, kreek is een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.
Van der Made. Eene made is een grasveld, dat gemaad, gemaaid wordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamen Vermade en Schoonmade komt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).
Van der Meersch, in vlaamsche spelling Van der Meirsch, in versletenen form Vermeersch, Vermeirsch en zelfs Vermeesch. Een vlaamsch woord is dit meersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. 'T is het zelfde woord als mersch en marsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling van geest, gast (zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekent marsch de vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamen Van der Marsch, Ter Marsch en Overmars treffen wy dit zelfde woord aan.
Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woord put is pit of pitte. In den geslachtsnaam Wullepit komt deze form ook voor.
Van 't Verlaat, Van 't Zet en Van der Zwet zijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woorden verlaat (dubbele sluis), zet of beter set (veer, overzet over een water), en zwette, swette (grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaam Zwetheul komt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woord heul, heule, waarvan de maagschapsnamen Van der Heul en Verheul, misschien ook Verhuel afkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.
Van der Wielen en Van de Wiele, met Van de Wiel en het ontaalkundige Van den Wielen. Een wiel is een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het water gewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschap Van der Wielen draagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de Kleine Wielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.