De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 2

Chapter 23,316 wordsPublic domain

Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike bloei der steden, met het ontstaan van den derden stand, die der vrye poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het ontstaan van by- en toenamen, eerlang ook van vaste geslachtsnamen. In die steden vestigden zich velen van het platte land, die tot dus verre slechts eenen enkelen naam, hoogsten nog een patronymikon daarenboven gevoerd hadden. Vreemdelingen, van heinde en verre soms samengevloeid, of door het grillige noodlot her- en derwaarts verdreven, woonden eerlang als burgers naast elkanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar kende men elkanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel minder elkanders maagschap, dus evenmin elkanders vadersnamen. Zoo was men genoodzaakt elkanderen nieue toenamen te geven, ter onderscheiding van gelijknamige personen. De poorters der steden oefenden veelal het eene of andere handwerk uit, of dreven de eene of andere koopmanschap. Niets lei dus nader voor de hand, om twee mannen die beiden Godefert heetten, maar waar van de eene kleêrmaker was en de andere in kruideryen handelde, te onderscheiden als Godfried de Crudenier en Govaert Snider, Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate snider, sceppere of schreuder--in Friesland nog heden ten dagen skroar--de gewone benaming was voor kleêrmaker, in de gouspraak der landstreek waarin de stad gelegen was. Ook noemde men den lieden wel naar hun handwerkstuich, of naar hunne koopwaar. Den Govert die kleêrmaker was, noemde men dus ook wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier was, wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene Govert echter duidelik merken, door zynen tongval, dat hy een Fries was, spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert de Friese genoemd; en vertelde de andere dikwijls van Gent of van Groningen, als deze of gene plaats zyne geboorteplaats was, aanstonds had de volksmond hem Govaert van Ghent of Godefried van Groeninghe gedoopt. Breidde de stad zich uit, nam het getal harer huizen voortdurend toe, dan moesten ook die huizen een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen, ter onderscheiding. Gevelsteenen en gevelteekens, en uithangborden, met afbeeldingen, spreuken en namen, voorzagen in die behoefte. En de namen der huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die huizen woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar »Daniel in den Leeuwenkuil" in den gevel stond--Govert in den Leeuwenkuil--eerlang ook enkel Govert Leeuwenkuil--zoo noemde hem de openbare volksstem; terwijl de andere Govert, aan wiens huis geschreven stond: »dit es yn den Wulff", dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf.

Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachtsnamen geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men in dit boek zoeken en vinden--soort by soort.

§ 3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, waren in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit in beschaving, in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel en nyverheid; ook in talrijkheid van welvarende steden. Daar deed zich dus de behoefte aan by- en toenamen, eerlang ook aan vaste geslachtsnamen veel eerder gelden, veel dringender gevoelen dan in de veel minder bevolkte en toen nog zoo afgelegene noordelike gouen, waar ook handel, nyverheid en verkeer veel minder tierden. Van daar dat in de middeleeuen de geslachtsnamen veel eerder en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen dan in Holland, in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die tyden bewaard gebleven, blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden in die dagen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen, althans zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike lieden waren, maar eenvoudige burgers en boeren, slechts eenen enkelen naam droegen, hunnen doopnaam; soms ter onderscheiding daarenboven nog eenen persoonliken, niet algemeen voor hunne verwanten geldigen by- of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden, dan kwam daar een eenvoudig patronymikon voor in de plaats; b. v. Heinrik Allaertssoen. De burgers van Brugge en Gent hadden in de 14de en 15de eeu reeds voor verre weg het grootste gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden er, over 't algemeen, nog geen in de eerste helft der zestiende eeu, en zeer velen, de kleine en geringe lieden, hadden er nog geen in de 17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders, wat het voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen de geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja, in vele afgelegene gewesten en gouen, vooral in Friesland, Groningerland en Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een geslachtsnaam hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de instelling en wettelike regeling van den zoogenoemden burgerliken stand, niet genoodzaakt, ja gedwongen geworden, vaste geslachtsnamen aan te nemen, menigeen in onze noordelikste en noordoostelikste gewesten zoude nog heden geenen anderen naam voeren, dan zynen eigenen vóórnaam, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, als een patronymikon, daar achter gevoegd.

INDEELING.

Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten:

I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan mansvóórnamen. Het zijn de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van § 4 tot § 66. II. De maagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met andere woorden: die ontleend zijn aan de namen van volken en volksstammen, landen en gewesten, eilanden en gouen, steden en dorpen, rivieren, enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden welke als plaatsnamen dienst doen. Van § 66 tot § 108. III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot de beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het zijn de namen van allerlei oorsprong. Van § 108 tot § 151. IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud uit het oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne verhouding tegen over elkanderen, enz. Van § 151 tot en met § 168.

Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk weêr in verschillende onder-afdeelingen gesplitst, die met de letters van het a-b-c aangeduid zijn.

Hoofd-afdeeling I vervalt nader in

A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande. Van § 7 tot § 32. B. Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van § 32 tot § 66.

Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-afdeelingen

A. Waarin de maagschapsnamen behandeld worden die van volkenkundigen aard zijn, of wel ontleend aan byzondere aardrijkskundige namen. Van § 66 tot § 94. En B. Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt, van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong. Van § 94 tot § 108.

Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn de volgenden:

A. Geslachtsnamen, aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend. Van § 108 tot § 124. B. Geslachtsnamen, ontleend aan persoonlike eigenschappen, zoowel lichamelike als geestelike. Van § 124 tot § 128. C. Geslachtsnamen, van huisnamen, gevelteekens, uithangborden, enz. afgeleid. Van § 128 tot § 131. D. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van dieren. Van § 131 tot § 135. E. Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van § 135 tot § 137. F. Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. § 137. G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz. § 138. H. Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend. § 139. I. Geslachtsnamen, aan spyzen, dranken, en kleedingstukken ontleend. Van § 140 tot § 142. J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen. § 142 en § 143. K. Geslachtsnamen, ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen. § 144. L. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen, kerkheiligen, godsdiensten, enz. § 145. M. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van denkbeelden, zaken, eigenschappen, zoo goede als kwade. § 146. N. Zonderlinge geslachtsnamen. Van § 147 tot § 150. O. Imperativische geslachtsnamen. § 150.

Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder-afdeelingen:

A. De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. § 151. B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten. Van § 152 tot § 156. C. Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken vertoonen. § 156 en § 157. D. Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche grenzen inheemsch. Van § 158 tot § 162. E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten. § 162 en § 163. F. Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van § 164 tot § 167. G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen. § 167. Eindelik H. Een paragraaf (§ 168) »Tot besluit".

I.

GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN MANSVOORNAMEN.

DIT ZIJN DE VADERSNAMEN, DE ZOOGENOEMDE PATRONYMIKA.

§ 4. Zoodra zich by de menschen van 't eene of andere land de behoefte had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by den eigenen naam, ter onderscheiding van gelijknamige personen, ontstonden die toenamen, welke afgeleid zijn van den naam des vaders van den betrokkenen persoon. Als er b. v. in eene en de zelfde plaats twee mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar waar van de eene een zoon was van zekeren Willem, de andere van zekeren Frederik, dan lag er wel niets naders voor de hand, dan dat men den eenen Hendrik, zoon van Willem of Willems-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik of Frederiks-zoon noemde.

Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen, ter onderlinge onderscheiding, toenamen te geven, afgeleid van de namen hunner vaders, is zeer algemeen onder de meeste volken der aarde verspreid geweest. Zy was dit reeds in vroege tyden; de geschiedenis weet daarvan talryke voorbeelden aan te wyzen, by Joden, Persen, Grieken, enz. De bekende namen van Gyges Dascili, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi, Xantippus Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. kunnen als voorbeelden dienen. Vooral by de Israëliten werd, duidelikheidshalve, en meest als de naam geschreven werd in geslachtsregisters, de vadersnaam, als toenaam, gevoegd achter den naam van iederen man. De bybelboeken geven daar van talryke voorbeelden aan; o. a. het eerste hoofdstuk van 't boek Numeri. En de Romeinen, uit den tijd toen zy reeds aanmerkelik in beschaving en ontwikkeling waren vooruit gegaan, droegen niet aleen wel tweederlei soort van geslachtsnamen, maar zy voerden buitendien nog dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval daar by. Zoo is ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer anderen. En ook nog later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naamsforming by sommige volken in stand gebleven, vooral in het oosten. Joden en Arabieren aldaar noemen zich in dezer voege: Jehuda ben Halevi (Juda, zoon van Levi, of van den priester), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman ibn Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, enz. Grieken, Bulgaren, Bosniaken en andere christelike volken, die tot voor korten tijd nog onder turksche heerschappy stonden, of ten deele ook nog heden staan, hebben mede dit oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het dragen van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios Michaëlopoulos (Georg of Joris, zoon van Michiel), Dimitri Rafaëlovich (Demetrius, zoon van Rafaël), Spiridion Daniëlowitz, enz. zijn namen, met den vadersnaam als toenaam, van mannen uit die landen. Onder de Russen heerscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak der geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon is van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van Jan, of Paulus Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, wiens vader Paul heet, noemt zich, omgekeerd, Iwan Paulowitz. Maar wy kunnen ook by onze eigene germaansche stamverwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen ook in de skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet vast geregeld was, volgden Zweden, Noren, Denen en IJslanders eveneens dit gebruik, en zelfs heden is het nog veelvuldig by de Skandinaviers in zwang. Heet de vader Sven, de zoon Harald noemt zich Harald Svensen; draagt de vader van Axel den naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt Axel Thorbrandson geheeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson, den zweedschen, in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, en wel Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svensdotter (Sven's dochter); toeval was het dat zyne beide grootvaders, naar luid der patronymika zyner ouders, Sven heetten. En zelfs onder de hedendaagsche Friesen in Nederland en Duitschland, ofschoon dan in 't begin dezer eeu reeds het dragen van vaste geslachtsnamen onder hen aan eene vaste regeling werd onderworpen, is dit aloude en waardige gebruik, van gepasten kinderliken eerbied voor den vader getuigende, nog steeds in stand gebleven. Vooral ten platten lande in de friesche gewesten is dit het geval. Daar heeten de mannen nog steeds Frank Eabes, Sybren Hoites, Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje (of Wibrichje) Teakes, Baukje Tjaards, enz. Althans zóó, en nooit anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, Wybrechtje en Baukje in 't dageliksche leven genoemd, naar de namen hunner vaders Eabe, Hoite en Sjoerd, Walle, Teake en Tjaard. En dit niettegenstaande deze lieden vaste geslachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren Ruurda, Auke Rommertsma, en als Sytske Abbinga, Wybrechtje Hoitema, Baukje Heidstra in de boeken van den burgerliken stand ingeschreven staan. Vraagt men den Friesen ten platten lande, hoe deze of gene man heet, gewoonlik zal men u den vóórnaam van dien man noemen, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil men weten hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen, dan moet men niet vragen: hoe heet hy? (ho hjit er?) maar: hoe schrijft hy zich? (ho skriuwt er him?) Dan zal men u antwoorden: Remmerda, Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook § 37.

En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Friesland, het gewest tusschen Fli en Lauers, heerscht nog deze zede; zy is eveneens nog inheemsch, zy het dan ook in eenigszins mindere mate, in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd-friesche bevolking hebben, vooral ook in Groningerland, Oost-Friesland en in 't eigenlik gezegde Noord-Holland, benoorden 't Y. In laatstgenoemd gewest, vooral ook aan de Zaan en in Drechterland en West-Friesland, is by eenige oud-ingezetene geslachten de oud-nederlandsche zede bewaard gebleven om zoo wel de zonen als de dochteren des huizes met het patronymikon in vollen form te noemen; b. v. Dirk Evertszoon Fok en Maartje Folkertsdochter Dijk; Albert Leendertszoon Vlak en Guurtje Wybrandsdochter Sloot.--En ook in andere nederlandsche gewesten wordt de geijkte geslachtsnaam in 't dageliksche leven weinig of niet gebruikt, b. v. in sommige saksische gouen, als in de graafschap Zutfen en in Twente, waar de naam van huis of hoeve veelal by den bewoner of eigenaar daarvan in de plaats treedt van den eigenen geslachtsnaam. Zie § 9.

En juist zoo als de Friesen nog heden doen, zoo gingen ook de oude Nederlanders in 't algemeen te werk, eer de vaste geslachtsnamen in gebruik waren gekomen. Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In 't dageliksche leven, door 't vele gebruiken, sleet dit woord zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen, Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den tweeden naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan.

Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche geslachtsnamen oorsprong gegeven.

§ 5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form om van mansvóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders, toenamen voor de kinders af te leiden, bestond hierin, dat men den lettergreep ing achter den oorspronkeliken mansnaam plaatste. Hugo, de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling, dat is: Hugo, zoon van Barthold; en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette, noemde zich Bartel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van den mansnaam Bruno, de toenaam Bruning; van Nolt, een afgesleten form van den vollen naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz.

Zulke toenamen, op ing eindigende, zijn later ook in grooten getale, tot vaste geslachtsnamen geworden.

§ 6. De namen (toenamen, geslachtsnamen), die door het eene of het andere achtervoegsel, het zy door zoon of ing, van mansvóórnamen afgeleid zijn, noemt men, met een grieksch woord, patronymika, vadersnamen. Reeds de oude Grieken zelven gebruikten dit zelfde woord in dezen zelfden zin. Zoo droegen by hen b. v. Hippias en Hipparchus, zonen van Pisistratus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam, in 't enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon, even als de namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, oorspronkelik toenamen, thans geslachtsnamen, nederlandsche patronymika zijn van den mansvóórnaam Bruno, Bruin.

De nederlandsche patronymika laten zich gevoegelik verdeelen in twee groepen; te weten: in die, welke op ing uitgaan, en in die, welke op zoon (son, sen, se) eindigen, of die ook slechts eenen eenvoudigen tweeden-naamvals-uitgang vertoonen.

A. DE PATRONYMIKA IN HUNNEN OUDSTEN FORM, OP ING UITGAANDE.

§ 7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers ung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in 't nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel van L. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing", in A. De Jager's Archief voor Nederlandsche taalkunde (Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, dat ing achter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit ing dan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert Benning; dat is: Wolfert, zoon van Benno.

Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, op ing uitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischen Travellersung b. v. lezen we:

»Fin Folcvalding veold Fresna cynne".

Dat is: Fin, de zoon van Folkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van Elisa, Elising genoemd, en draagt de zoon van zekeren Godvulf den toenaam van Godvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de Friesen Hengist en Horsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:

»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning."

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, Hengist en Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wichtgils was de zoon van Witta, Witta de zoon van Wecta, Wecta de zoon van Wodan.

Eindelik nog in de Saxon Cronicle, van 't jaar 547, lezen wy:

»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting."

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In zynen Althochdeutscher Sprachschatz noemt Graff eene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, op ing uitgaande patronymika op; b. v. Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamen Anno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (Wibeke, Wibe in verkleinform; zie Wiebeking op bl. 28 en 29), Puzo.

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegsel ing van mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren de Thuringen of Thuringa's een bekend geslacht by de West-Gothen, even als de Silingen by de Wandalen; Thuringen en Silingen heetten zoo naar hunne stamvaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder nog de Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heette Arding; dat van de Avaren Iring, dat van de Warinen Billing, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik of Merou, Karel en Kapet.