De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 19
§ 68. Maar niet slechts van de namen van vreemde volken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen van inlandsche volksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaam De Vries aan, met De Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, Freseman en Vrieslander. De naam De Vries komt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn" eene ware »vagina gentium". En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naam De Vries zoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen en De Vries heeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaam behielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken--dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamen De Vries, by dikwijls in het geheel niet verwante israëlitische geslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naam De Vries schijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naam De Vries maar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen form Vrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naam De Vries geenszins zeldzaam, terwijl hy ook als Friese en Frese in Duitschland, als Frison te Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaam De Vriese, De Vries almede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit. [96]
De geslachtsnamen Drent en Drenth, Geldersman en Gelderlander, zekerlik ook Gelderman en het patronymikale Geldermans; verder Hollander, De Hollander, Den Hollander, D'Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, Zeelander en Zélander (sic), Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymika Fleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nog De Brabander, Brabänder, Brabänter en De Brabandere eischen geene nadere verklaring, evenmin als Twent (iemand uit Twente), Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,--Gooyer en Goyjer (iemand uit het Gooiland), en De Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, Kempenaars en Kempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.
Van onze eilandbewoners zijn de namen Schellinger, Vlielander, Tesselaar, Schokker en Bevelander afkomstig. Ook Juister, van 't oostfriesche eiland Juist.
§ 69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v. Friesinga, Sassink, Frankema, Beyerinck en Beyering, Swavink, Daeninck (zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formen Fresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing (met latynschen uitgang Fresenius), en Sassinga met Sassing voorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn: Frisia (saamgetrokken uit Frisinga), Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena (zie § 46); Frankena, Franckena, Francken, Franken (Vrancken komt ook voor), Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammeling of zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.
Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaam Provinciael, waar ik den geslachtsnaam Van Hoofdstadt aan den eenen kant, en de maagschapsnamen Steeman en Stheeman aan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namen Van der Stad en Van Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaam Eilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als 't ware, ook algemeene aardrijkskundige namen (zie § 94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.
§ 70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in § 66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in 't algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenen Zwolsman, den anderen Leyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.
Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v. Guliker en De Guliker, Munsterman, Oldenburger, [97] enz., van de steden Gulik, Munster en Oldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen: Altorfer (van Altorf, eene stad in Zwitserland), Augsburger (van Augsburg, stad in Zwaben, Beieren), Berliner, Binger (van Bingen, stad in Rijn-Pruissen), enz. [98] Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v. Darmstädter.
De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namen van inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordje van. Behalven Zwolsman en Leyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend: Bruggeling (een ingezetene van de vlaamsche hoofdstad Brugge), Oostburger (van het stedeke Oostburg in Zeeusch-Vlaanderen) [99], enz. De geslachtsnamen Opzoomer, Opzomer en Opsomer behooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaam Bergopzomer [100] zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stede Bergen-op-Zoom. Mijn eigen naam Winkler behoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorp Winkel by Medemblik in West-Friesland. De naam Winkler, ook Winckler, Winkeler, Winklaar, Winkelaar en Wynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn die Winkel heeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ook in Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam als Wynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaam Wynkeleer, met De Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht als De Winquelair en misschien ook Vinqueleir.
Eindelik nog dient de geslachtsnaam Suringar hier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door dat ar op 't einde in plaats van het meer gewone er wel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorp Surich (of Zurig en Zurich), en dus Suricher zoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaam Surich ontleend, werkelik suring luidde. In het Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen". En die zonderlinge uitgang ar in plaats van er, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaam Switser toch hebben wy ook Switsar (zie bl. 195); nevens Romer ook Romar (zie bl. 198).
§ 71. Met het boven besprokene achtervoechsel er of aar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechsel stra in het Friesch. Dit stra is Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Friesch ster; b. v. friesch: de boarnster tûr == de toren van het dorp (Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van de Lemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch: Tiettzerckstera dela, heden ten dage Tietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorp Tietjerk genoemd is; Kiestra sîl, tegenwoordig Keester zijl, de sluis by het slot Kie of Kee, enz.
In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechsel stra eindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van deze stra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen op er of aar uitgaande. Balkstra (van het vlek Balk); Riedstra en Riestra (van het dorp Ried); Speerstra (van het gehucht Speers, ook wel Speersterhuizen, oudtijds Speerstrahusen genoemd, by 't dorp Deersum), enz. [101]
§ 71. De oude Nederlanders, vooral in de 16de en 17de eeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§ 22 en 55-58); ik zal er verder in dit werk, in § 167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan. Jacob Harmenszoon van Oudewater (hy was van het zuidhollandsche stadje Oudewater geboortig) b. v. vertaalde zynen naam in Jacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekere Hendrik, in het drentsche dorp Beilen geboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zyne geboorteplaats hing. Hij noemde zich Henricus Beylanus--zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v. Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamen Akkrum, een dorp in Friesland, van de stad Nymegen, en van Rolde, een dorp in Drente. [102] Zekere Ruurd, van Akkrum geboortig, een herformd predikant in de 16de eeu, verlatynschte zynen naam in Ruardus Acronius. [103] Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.
§ 72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namen geformd uit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar de enkele namen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren, zonder die namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komen nog onder ons voor; b. v. Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechsel van. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring. America en Oostindië zijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, in Amerika en in Oost-Indië hadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren. Spitsbergen is de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17de eeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaam Spitsbergen (die ook, volgens den hollandschen tongval, als Spisbergen voorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, 't welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland. Zuidstrand is de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaam Zuidstrand dus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaam Noordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eiland Noordstrand is sedert de 17de eeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.
De maagschapsnaam Beeuwzier is oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaap Beachy-head aan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam van Brevesier, Beevsier of Beeuwzier, en dit is eene verbastering van Pevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt. [104]
Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog: Beyeren, Holstein en het misspelde Holstijn, Maltha, enz. [105] Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamen Brabant (met den patronymikalen form Brabants), Betuwe, Gaasterland (in Friesland), Gelderland, Holland (met de patronymikale formen Hollands en Hollandts), Maaskant, Stellingwerf en Stellingwerff (in Friesland), Vlaanderen en Vlieland. En den geslachtsnaam Zeekant mag men hier ook wel toe rekenen, even als Juist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nog Nederland.
Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemde plaatsen zijn, noem ik hier, behalven Belgrado en Jerusalem, nog: Barnouw (Barnow, dorp in Pommeren), Bakewel (in Engelland), Bethlehem en Betlem, Bourdeau, enz. [106] De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onze voorouders de stad Danzig aan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck," en Danswijck komt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.--Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamen Romeny en Rummenie ook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadje Romney in Engelland, naby de Singels (Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan het Nau van Kales gelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook is Romeny eenvoudig de naam van romenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.
Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen van poolsche steden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naam Konijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dier konijn ontleend zy. Waar die zelfde naam, ook als Conijn voorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, 't welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naam Haas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.
Dat reeds in de 17de eeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert ons Cornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naam Compostel is oorspronkelik de naam van de stad Sint-Jacob van Compostella of Santiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaam Santiago de Compostella is, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynsche Sanctus Jacobus Apostolus. [107] En dat die spaansche verbastering Compostella in Nederland op hare beurt niet slechts tot Compostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschrift De Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van Compostelle of Stelle" vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaam Stelle den spaanschen naam Compostella en het latynsche woord apostolus vermoeden?
§ 73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan; Anspach, Bamberg (Ansbach, ook even vaak Anspach geschreven, en Bamberg zijn steden in Frankenland, Beieren); Berlijn en Berlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stad Bielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. Verder Breslau en Breslou, Darmstadt, Dortmund en Dortmond, [108] enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden in Duitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen: Achenbach (dorp by Siegen in Westfalen), Ahaus (stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen), Aurik (stad in Oost-Friesland). [109] In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v. Boerlage en Buurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats van Burlage, Geilenkirchen, Gildehaus en Mörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.
Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn: Bischoffsheim (dorp in Rijn-Hessen), Breidenbach, ook in hollandsche misspelling als Brijdenbach, en verdietscht als Breedenbeek (dorp in Hessen aan de Lahn), Görlitz (stad in het koninkrijk Saksen), Kaub (stadje aan den Rijn in Nassau), Märkelbach en Merkelbach, ook in misspelling als Markelbach (dorp in Nassau), Oppenheim (stadje in Rijn-Hessen), Oschatz (stad in het koninkrijk Saksen), Stevenhagen (dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd tot Stemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadje Stavenhagen in Mecklenburg), Trarbach (stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel), Wertheim (stad aan de Main in Baden), enz.