De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 18

Chapter 183,195 wordsPublic domain

§ 66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam van De Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naam by verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.

Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.

§ 67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.

Duitscher en Den Duits of Denduits met Duytsche en Den Duytsen, ook op hoogduitsche wyze als Deutscher en Deutschmann geschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaar en gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d' oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, 't zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nog nederduitsch, zelfs wel duitsch slechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17de en 18de eeu.

»Wij spreken immers altemaal, Oprechte, zuiv're duitsche taal."

gelijk Langendijk in een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. En Hugo de Groot spreekt ook van zyne »duytsche moedertale," ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelal Bovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naam Nederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naam Duitscher weinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamen De Swaef en De Swaaf, met Swaap en Zwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naam Schwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. Verder De Hes, Hes en Hesse; Veling en Velinger met Westfaal en Westphal. De form Veling (beter ware Feling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eenen inboorling van Westfalen met dezen naam. De form Velinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling" aan te duiden, is minder oorspronkelik. Westfaal is verhollandscht van den hoogduitschen form Westphal, die nog, uit den pruiketijd, eene ph in plaats van f vertoont. Munsterlander is iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt. Saks, Sax, Sachs en Sachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam, Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. Verder De Beyer, Beyer, Beyerman, Bayer en Bayermann. Beyerman kan echter ook beteekenen: iemand die beiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken. Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformen Fränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter is Frank, met Franke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaam Frank kan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie § 69.

Of de maagschapsnamen Duyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling als Deutz hier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaam Duut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel, Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadje Deutz aan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaam Lalleman eene verdietsching van het fransche L' Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.

Als men den maagschapsnaam Stadlander beschout als aanduidende een man die in Stadland t' huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers het Stadland is eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.

In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woorden stad en land, gaf men dezen naam Stadlander wel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op het land, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eener stad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, de Stadlander met name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaam Stadlander ook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van den Groninger Volksalmanak vindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad" (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land" verhuisde, en om deze reden dien naam Stadlander zoude aangenomen hebben.

Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, Engelander en Britt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen--dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.

Schot, Schott, Schotsman en ook als patronymikon, in den tweeden-naamval, Schotsmans. De overeenkomst, in de 17de en 18de eeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie § 164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier" of »De Ier" my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.

Skandinaviers in 't algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebben zich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in 't algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamen Zweed en Sweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den Dene en Jut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d' omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in § 104 nader vermeld is. Maar de maagschapsnaam Jut behoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17de en 18de eeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.

In West-Vlaanderen is de maagschapsnaam Daenekindt inheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaam Daeninck, ook Daeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16de eeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaam Den Dene. Ook de geslachtsnamen Daane, Daene, Danen, met het hoogduitsche Daehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldt Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Dano (toch ook in de beteekenis van den volksnaam Deen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.

De maagschapsnamen Zwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsform Zwitzers, met Switsar, Zweitzer en Schweitzer, vereischen geene nadere verklaring.

Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:

Franschman, Fransman, Frantzmann (zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), met Francois, Le Francois en Gallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden form Franswa. Francois kan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam. Franco, in vreemden form, en De Franc wil ik hier liever als verscheidenheden van Franschman rekenen, dan ze tot Frank (uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.

Normand duidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, en Picard iemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formen Piccardt, Piccaerdt, Pikaar en Pickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.

Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamen De Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen form Wahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteern op zynen rug, 's avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!" En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!" ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie § 164.

De namen Spanjaard, Spanjaerdt en Spanjer (ook in de fransche en hoogduitsche formen Espagniol en Spanier by ons voorkomende), Portegies, Italiaander, Lombard, Lombaerdt en Wallach vereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den form Italiaander, overeenkomende met het hoogduitsche Italiäner, voor het meer boeksche Italiaan. En Portegies, in plaats van Portugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamen Lombard, De Lombaerde, De Lombaert duiden iemand aan uit Lombardye; terwijl Wallach iemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook als Wallich en Walch voor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaam Bloch vermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde als Wallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaam Bloch door duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woord Wallach = Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, als bloch uitgesproken; walch, wolch, wloch, bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier: Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu" dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner [93]. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naam van hunnen landaard--Wallach en Bloch--naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamen Blog en Blok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe. Blog is eene misspelling van Bloch, en Blok is eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden als ich, fluch, machen, enz., in het Nederduitsch ik, vloek, maken; dies ook Bloch = Blok.

Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:

Rus en Rusman met Moscoviter, Pool en Polak, ook Pohl en Polack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naam Polak hier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. Of Poolman (met Pohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitsche Poelman--afgeleid van poel, moeras.--By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaam Courlander. De geslachtsnamen Bosnak, iemand uit Bosnie, Griek en DeGrieck, en Slowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.

De naam Oostinjer zal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had--niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namen De Jode, De Joode, De Jeude en De Jude moeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevens Turk, Turcq, De Turck, en Den Turck, en Moor, De Moor--met Mohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk" of »de Moor" heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk" of »de rookende Moor" op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of de namen Moorman en Mohrmann hier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel een Moorman (de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.) [94] Toch komt het my waarschijnliker voor dat Moorman eenvoudig moerman of veenman beteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzen mooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamen Stapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., en Moormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namen Moerman en Veenman komen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.

Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamen Romein, Romeyn en Romijn, met den hoogduitschen form Römer, en waarschijnlik ook Romer en Romar--en Batavier. Romein zal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn. Römer, Romer en Romar kunnen ook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Rodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeer kunnen zy de byzondere naam van een drinkglas wezen, als romer nog heden in Friesland in volle gebruik.

Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Oosterling, Oosterlynck en Den Oosterlingh, met Westerlinck en De Westelinck, en misschien ook met Westerman en Ostermann.

Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten als Niederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander in onzen zin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland" genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland."

In Vlaanderen komt de geslachtsnaam Stragier voor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekent vreemdeling. Stragier is een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het fransche étranger en het engelsche stranger den zelfden oorsprong heeft. [95] De weêrga van dezen naam »vreemdeling" is de geslachtsnaam Landsaat, ook in misspelling als Landzaad voorkomende.