De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 16
Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, Vrouwes en Wyvekens vermeld worden. Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formen Moyersoen en Moeyersoon voorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval als Moyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woord metronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woord patronymikon kan beschoud worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens, bl. 404. Meyskens, de zoon van een meysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. Maar Nonnekens en Nonkes behoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamen Munniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, Muynckx en Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen--maar Nonnekens en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono. Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen † Nonninga, versleten tot † Nonia (zie § 29), en † Noneka van den verkleinform Noneke (even als Nonnekens en Nonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikon Nuninga komt nog heden in Groningerland voor, in spelling tot Nuinenga verhollandscht. Eindelik nog Noninckx en Noeninckx, Nüninghoff en Nunninghaven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), en Nünningen is een dorp by Fallingborstel in Hanover.
De geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe (afgesletene form van Vrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voord vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaam Frau, Vrou. Het woord vrou heeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woord frauja heer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan als frou (domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men in Förstemann's Namenbuch vinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe, met † Froukana, † Frouwama en † Fraukema (van den verkleinform Frauke), en Froma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Froma-sate vinden.
Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woord wijf, in verkleinform wyveke, wijfke, wijfje (dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaam Mannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, verkleinform van Wiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. Volgens Leendertz's naamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook als Wyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden form Wyfken. Maar hoe dan ook--Wyvekens is zoowel in 't eene als in 't andere geval een metronymikale geslachtsnaam.
De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdeeling. De beteekenis er van, zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt, Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam als Der Weduwé--eenigszins verfranscht.
Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook als Van der Kinderen en Der Kinder--beide min zuivere formen--voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam, Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die 'T Kint genoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zich Jan of Piet Des Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in 't ouderlik huis blyven wonen, en daar 't ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen, de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon by de kinderen. Heet die knecht Pieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneens Pieter heet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hem Pieter der kinderen te heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.
Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, is Witvrouwen. De afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en Wittevrouw komen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou" aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een ware moedersnaam beschouen, maar, even als Der Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.--Zonderling genoeg zijn de namen Der Weduwe, Der Kinderen en Witvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.
§ 61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.
De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.
Aertgeerts, de zoon van Aert-Geert, van Arend-Geraart.--Hansates, de zoon van Hans-Ate.--Hans is de algemeen bekende inkrimping van Johannes, en Ate is een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik. De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met Atinga en Atema en † Aatsma, en de plaatsnamen Ateburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), en Atens (Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaam Ate.
Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop Meluszoen." [83] Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius zijn er van afgeleid.--Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).
Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes-Segher.--Seger is een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook als Sieger, Siger, in Holland als Zeger nog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamen Siegerink, Sigersma en Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, met † Sigera afgeleid, en de plaatsnamen Sigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en een gehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verder Zegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen; Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.
Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes. Want Kort, met Koort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Koenraad. Behalven Koenraads en Conradi zijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van: Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ook Kuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders de tweeklank oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon zy van Kort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan."
De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene nadere verklaring. Perclaes is: Peter-Klaas; Per, Peer, Peerken is in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform van Petrus.--Woutermaartens eindelik en Wautermaertens (deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.
De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon van den langen Wouter; Langejan is duidelik genoeg. Ook Jongejan en Jongejans; Oudejan, Ouwejan en Oudejans, met Oljans, in versletenen saksischen form; Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, Ouweneel en Oldeneel (Neel is eene verkorting van Cornelis [84]; Jongepier en Aupiers (Pier is eene vlaamsche en friesche verkorting van Pieter, Petrus; Aupiers beteekent: zoon van den ouden Pieter, in brabantsche gouspraak: van den ouen Pier, van den Au-Pier.) Verder Roodhans en Roothans, dat is: de roode Hans. Echter komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam (zie § 132), en Roothans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is de bekende volkseigene verkorting van Cornelis), Kleynhens en Cleynhens (Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen als verkorting van Leendert), Sterkendries, Langendries en Langhendries (Dries als verkorting van Andries), eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein; de schoone Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schönhain, die geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Nevejans, (zoon) van Neef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ook Schonejans, Schoonjans, Schonians en het half verfranschte Schoonéans aan, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als met Grotjohan, Grootjan en Grootjans.--Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is het patronymikon van Henne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naam Grootjan vindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam Groshans en in den oorspronkelik franschen maagschapsnaam Grosjean, even als Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam voor. Wilderjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, en doet door die r ook aan hoogduitschen infloed denken; terwijl Heetjans my tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoord heet = warm gedacht worden? of aan heeth, heede, heide? Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlik Tijs (Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroeseklaas is de kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene padde pogge; zie § 133. Appeljan is oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan die appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had. Timmerhans en Timmerjans zijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan, die timmerlieden waren, en dies Timmer-Hans en Timmer-Jan werden genoemd. Schipperheyn is oorspronkelik de bynaam van eenen schipper die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam als Schipperein voorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, de h verloren.
Quahannens eindelik, ook als Quatannens, Quattannens, en Quathannens voorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon van Qua-Hannes of van Quaet-Hanne, van den kwaden Johannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man die Hannes of Hanne (Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappen de kwade Hannes, Qua-Hannes genoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke met kwaad samengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. Een Pietere Quaclaeys (Pieter, de zoon van den kwaden Klaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie de Annales du comité flamand de France, 1853, bl. 236.) En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel", eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heette Elisabeth Quaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,--Elizabeth droeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaam Qua-Bette ontfangen. Ook keizer Karel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel" wegnemen, en »de Beer" daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoe Elisabeth de menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen." [85] En nog heden staat de herberg »de Beer" te Iperen aan de Markt.
By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord niet voor, maar achter den oorspronkeliken mansnaam geplaatst: Dirkzwager (een tegenhanger van Nevejan) en Dirkmaat, Janmaat en Pietermaat. Maat is een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook wel goede-vriend beduidt; goede-maats, goede-maatjes met iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik--bootsmansmaat, verkort tot bootsmaat; koksmaat, timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurman mate; bedoeld is: de mate van den schipper of kapitein. En Janmaat is de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamen Janbaas en Janknegt behoeven geen uitleg. Leentvaar is een gemoedelike naam voor Vader-Leendert, even als Keesom voor Oom-Kees (Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraak om voor oom oudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli. Janbroers is: de zoon van Broêr-Jan, van broeder Jan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo als Woutermaartens is. Immers Broer is een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, die Förstemann reeds als Brothar vermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen: Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens (van den verkleinform Brörke), enz.
§ 62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, als eenige namen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog niet begonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.
Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn: Alewijn (Adelwyn, Adelwin, Athalwin == edele vriend). Allewaert (Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamen Alverdink en † Alvaarsma afkomstig zijn). Beerewoud (Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaam Barwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid). Blomhert en Blommaert (zie bl. 93 en 94). Burghardt en Borchart, ook, by letterkeer, Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamen Borgrink, Burgerding, Burgers, Borcherts afstammen. Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamen Detmering, Detmers en Dethmers, met Van Ditmar (zie bl. 130 en 148). Eerebout (Erbalt). Einhout (Eginhold of Aginald). Elewaut en Ellewaut, en in samengetrokkenen form Elout (met den plaatsnaam Ellewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou'sdike" uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland). Gheerbrant, Gillebaert en Gillebert. Ghiselin (Gyselyn, een verkleinform van Gise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamen Giezing, Gyssen en Giezen). Gisolf. Haanraadt (dat is oorspronkelik Hagenrad). Harrewijn en Herrewijn (oorspronkelik Herwin, Hariwin). Herrebaut, Heerbout en Herreboudt (Haribald). Herrebrandt. Hillegeer (Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Hilgerink en Hillegers. Hillewaert (Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilwert, waar de patronymikale maagschapsnamen Hilwerda en Hilverda, Hilwerts en Hilwers, Hilverding, Hilverdink en Hilverink van afgeleid zijn, met de plaatsnamen Hilversum (Hilwarthisheim, Hilwart's woonplaats), een vlek in het Gooiland; Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.--Hollebrand (oorspronkelik Huldbrant; een Hulbrand Sicka zen, dat is: Holbrand, de zoon van Sicko, of Sikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465. [86] Isenbaert en Ysebaert (Isanbercht, later in Holland en Friesland ook Ysbrecht, waar van de plaatsnaam Ysbrechtum, dat is: Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland). Merwart. Oortwijn (Ortwin is wel bekend uit de Gudrun-sage). Meilof (oorspronkelik en voluit Meginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeer Meinlof en eindelik Meilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor dit of eene h was verloren gegaan, heeft men dezen versletenen form Meilof weêr veranderd in Meilhof, 't welk ook als maagschapsnaam voorkomt. Oswold en Osewoudt (Oswald, Ansowald). Rooryck (oorspronkelik Roderyk, Rodrik, Hrodrik, als Roderich in Duitschland, als Rodrigo in Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende). Ryckewaert (Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen † Rickwardsma en Riquards. Snellebrand. Thiebaut en Thiebout (Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145). Volbout (Folcbald), in Friesland Folcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamen Volbeding (Folcbalding) en Volbeda (Folcbalda). Vrambout en Vroombout (Frombald, Frumold).