De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 15
De naam van den apostel Johannes, tevens die van Johannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden--hy is dit nog heden. Johannes is een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hun John, de Skandinaviers hun Jon en Jens, de Duitschers hun Johann en Hans, de Franschen hun Jean, de Spanjaarden hun Juan, d' Italianen hun Giovanni, de Russen hun Ivan, Polen, Czechen en andere Slaven hun Jan, Janko; de Nederlanders eindelik hun Johannes, Joannes (vooral in de roomsch-katholyke gewesten), Joan (meer in vorige eeuen, vooral in de 17de), Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed, Jan (overal in Nederland zeer algemeen), Hans (meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden), Janke, Jancko (als verkleinform in Friesland verouderd), Jentje (ook in Friesland, en in het geslacht Wybrandi weêr verlatynscht tot Gentius voorkomende), Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.--om van de vrouelike formen Johanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijn weêr allerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden: Johannesma--dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,--Johansson, Johansing, Johanninck. [80] Enkelen van deze namen zijn my slechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al de Jansen's, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen de Jansen's, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland is Jansen een der algemeenste namen. En Strackerjan vermeld in zijn werk Die Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg--eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn die Jansen, Janssen of Janszen heeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche form Jan van den mansnaam Johannes over geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.
§ 59. Al de geslachtsnamen, van § 7 af in dit werk behandeld en vermeld, zijn patronymika, vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, de moedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen der moeders van de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus een vrouenvóórnaam.
Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja--maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.
In De Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D'oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en 't is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware 't niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d'eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d'overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings heeten moest, naar z'n vader Tjalling, in 't dageliksch leven door z'n dorpsgenooten Seerp Grietjes genoemd, omdat-i onder den plak zucht van Griet, z'n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkel Seerp Grietjes of Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo'n naam soms ook op z'n kinders en kleinkinders over, voor wie d'oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde, tot dat de spotnaam op 't lest werkelik geslachtsnaam werd."
De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop, in De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heer Winkler meent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, Pietjens en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maar Tjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vader Tjalling is kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moeder Grietje is blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. van Klaas van Niesje, Aart van Naatje."
Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op 't eiland Ameland iemand genoemd: Betse-Rinse-Piet, dat is: Pieter, zoon van Rins (Rins, Rinske is een bekende friesche vrouenaam), dochter van Betje (zie Friesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op 't eiland Marken een Symen van Neele-Kee'n-Pieters-Dirk, dat is Symen (oorspronkelik Sîgman, niet Simon), zoon van Dirk, zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis), zoon van Neeltje (Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206.
Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, en Merret Lorens Petersen Hahn genoemd werd. Dat is: Merret, de dochter van Lorens, die een zoon was van Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heette Moiken Manne Jens Eben, dat is: Moiken, de dochter van Manne, de zoon van Jens, de zoon van Ebe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d'omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.
In het Ostfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum, de volgende regels:
Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war's also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje's Johann und Geertrud's Klaas sind binnengekommen," Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s" noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann" hiess der Mann und »Geertrude Klaas" hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.
Verder nog schrijft Leendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven: Hughe Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrou Heilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland uitgegeven; en van eenen ouden dichter Clays ver Brechten sone gewaagt Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75."
Ik kan hier nog byvoegen den naam van Johannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen. [81] Swane, in verkleinform Swaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die als Swaantje, Zwaantje nog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.
Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldt van den Bergh. [82] Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K., Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie." Dit is: Pieter, zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon van Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier boven); Hallink, zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaam Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijl Lieve een vrouenaam was, even als Lieven een mansnaam.
Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend: Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede plaats: Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken.
Aagtjes is: de zoon van Aagtje, ook als Aagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam Agatha.--Agneessens beteekent: zoon van Agnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, met Maeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike (Maey, Maeyken), en dit zijn, met Mary en Maryke (Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Maria.--Grietens en Grietjens, Magdaleens en Willemijns, van Griete, Grietje, verkorting van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en Trienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van Trijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaam Catharina. En Truyens komt van Trui, eene volkseigene afkorting van Geertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. Thans zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande; Grietjes en Truitjes nog meer, ook in de steden. De namen Agatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, Catharina en Geertruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.
Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, Leentjes en Pietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje is wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik. Duifje, Duveke is een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt. Leentje (Magdalena of Helena) en Pietje (Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, van Ave (waar van de geslachtsnaam Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duyvis, zie bl. 90), van Leen, Leendert; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zoo kunnen de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.
»Maar Betjes en Elskens ook?" zal allicht gevraagd worden. »Betje en Elsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!" Niet altijd. Betje kan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaam Bette. Deze naam Bette levert met den mansvóórnaam Botte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet. Bette en Botte zijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; de e en de o zijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer, Helmer en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en Jotte, en de woorden therp en thorp (in Kollumerland), del en dol, (visch-) net en not, gers en gors (te Molkwerum), bern en born of ben en bon (te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinform Betse (eigenlik Bettse, Bet-tse == Betke, friesch ts == k) komt de mansnaam Bette nog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamen Betting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, Betz en Bets zijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland); Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland; Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.
Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam Elske, Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van Else, als een patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz gevonden wordt. Van dezen mansvóórnaam Else zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Elsing en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, Elzenga en Elsen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens; Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland; Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen; Elsom (Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen; Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.
Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen. Leenesonne kan zoo wel de zoon van Leen (Magdalena, Helena), als van Leen (Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel: zoon van Lyse, Lijsje, Lize (Elisabeth)--maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Lis, door Förstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten van Leendertz en Brons gevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden--b. v. Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen dat Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaansche Lis, Lise met de oud-hebreeusche namen Elisa en Elias natuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamen Liezinga en Lyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneens Lysen. En tevens de plaatsnamen Liesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn; Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.
De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van Lysebeth en Van Lysebetten vertoonen weêr eenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamen Van Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs versleten als Van Geetruyen voor.
Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aan spotterny. My zijn slechts bekend: Cathelijn (Cathelyne, Catheline is een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form van Catharina), Henriette, Leysbeth (Elisabeth), Naatje (de gewone hollandsche verkorting en verkleinform van Anna of Wilhelmina, of van eenigen anderen op na eindigenden vrouenaam), Salomé, Sophie, Suzanne, Susanna, Susan en Soesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaam Xantippe voorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.
§ 60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woord vrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in de Annales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd: Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordje ver maakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen, Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke met her samengesteld, en in § 52 en 53 beschreven zijn.
Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune en met den afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, de zoon van Vrou-Aagt, van de vrou die Agatha heet. Vreven, en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking van Vereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva's zoon, de zoon van vrou Eva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik. Vertruyen is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, Truda (Gertruda) heet. Vergrietens is: zoon van Vrou-Griete, Margaretha.--Verheyllesone is: zoon van Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. Heile, (in verkleinform ook Heilke en Heiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en Verjutten beiden beteekenen: zoon van Vrou-Johanna. Immers Jans, Jansje is nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemde koseform van Johanna in gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naam Johanna in het dageliksche leven tot Jutte.
Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke heet. En Aleke (Aaltje) is een verkleinform van Ale, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is van A(de)la, Adela, Athala, (ook Edele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graaf Karel de Goede; zy was eene dochter van koning Knut van Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen form Adèle de eere waardig geacht om door »hollandsche dames" gedragen te worden, ofschoon hy in de formen Aaltje en Aaltien nog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.
In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ik Bouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.
De friesche taal kent de letter v niet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woord vrou in het Friesch als frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitsche frau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene form fer voor, in plaats van ver, als elders in de Nederlanden. Dit fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam † Ferhildema (Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) van Fer-Hilda, van vrou Hilde), een echt metronymikon. Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel fer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d' oud-germaansche naam Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis, Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke (Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik--hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.
In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit ver == vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot de moedersnamen rekenen. Veranneman toch beteekent niet de zoon van Vrou-Anna, maar de man, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstman dier vroue. Zie § 45.