De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 14

Chapter 143,420 wordsPublic domain

§ 52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegde s, formen die geslachtsnamen welke met ser en tser beginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woord her, (h)er, heer daarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen. Serroelofs b. v. is: Sherroelofs, 's Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog: de zoon van Heer Roelof; immers het woord her, heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet: des heeren Roelofs). De h van her is weggesleten, door den infloed der scherpe s die voorafgaat, en die de h, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak de h als beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.

De geslachtsnamen met ser beginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in de Annales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekeren Karstiaen ser Boidekins soene vermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286. Karstiaen ser Boidekins soene, dat is: Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaam Christianus) de zoon van heer Boidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaam Bode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamen Botinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.

Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep: Serarents, (Serarens, Serraris). [74] De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen, Arent, Bruno, Jacob, Lip (Philippus), Neel (Cornelis), Pieter, Rein (Regino, Ragin), Sander (Alexander), Simoen (oud-vlaamsche form van Simon), Staas (Eustatius), Steven, Vrank (beter Frank) (zie bl. 135) en Wouter zijn algemeen bekend. Serdobbels is, gelijk het eveneens voorkomende enkele Dobbels, van den mansvóórnaam Dobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haam Dibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51. Seroyen, ook nog meer samengetrokken als Sroyen voorkomende, beteekent: zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing van Ode, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamen Sergeys, Sergeyssens en Sergeysels is waarschijnlik de mansvóórnaam Geys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaam Serruis, welke naam ook als Serruys, Seruis en Serruus voorkomt, is nog minder zeker. Ruisch is wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15de en 16de eeu te Amsterdam in gebruik was. [75] Maar dat Serruis van dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, de sch op 't einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen. Ruisch kon in hunnen mond dus moeielik tot Ruis (Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaam Serruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Huso, Huis, die in den vlaamschen mond de h verloren heeft--Ser(h)uis. Over dezen naam Huso zie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naam Serruis in het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woord seruis of loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woord céruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstof loodwit aan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kan Serruis als naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen. Weiten, de mansnaam waar Serweytens van afgeleid is, komt nog heden wel in Vlaanderen voor, even als in den form Weite, Weit in Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamen Weytingh (zie bl. 32), Weitema, Weitsema (zie bl. 135), Weits en Weitz afgeleid zijn, met de plaatsnamen Weyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen en Weitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.

Een paar van deze geslachtsnamen hebben de s op 't einde verloren, en komen nu als Serdobbel en Serwouter voor. Zoo ook Serbrock, van den mansvóórnaam Brokke afgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaam Serbrock blijkt my overtuigend dat een mansvóórnaam Brokke of Brok eertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamen Brockema en Broksma, Brox en Broks, zoo mede uit de plaatsnamen Broxeele (dat is Brok's zele, Broks zaal of halle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, en Brockum (Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.

Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eene t vóór de s van ser gevoegd. Het zijn Tserclaes, Tserstevens en Tservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde letter t is niet het voorzetsel te, en even min het lidwoord het, by verkorting,--zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als 'T Serclaes of T' Serclaes, 'T Serstevens en T' Servrancx schryven, gelijk veelal geschiedt. Neen--maar deze t is anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelike d van des. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, de e uit dit verbogene lidwoord verdween, en de d derhalven onmiddellik voor de s kwam te staan, moest deze letter noodzakelik tot t verscherpt worden. Tser en tseren, in plaats van des heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v. Lekenspiegel II, 1, 70:

»Men weet dat ter waerheden, Dat Maria, na ende vore, Quam van tser Davids ore."

En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):

»Omme te hebbene tseren hulde." [76]

Dat overigens dit voorvoechsel ser by patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van 's her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfde ser als sir voorkomt. De namen toch van de gehuchten Sirhelsdorp by Kloetinge op Zuid-Beveland, en van Sirpoppekerke by West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik 's Heer-Els-dorp en 's Heer-Poppen-kerke.

Met dezen form sir in bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaam Sirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamen Sirejacobs en Sirejacob voor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechsel sir, ser aangezien te hebben voor den ouden franschen titel sire, messire. De oud-vlaamsche naam Sirjacobs is ook verfranscht tot Sirjacques en Sirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.

§ 53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegde ser in de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijn met het woord heer of her samengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn † Heriwesma, † Herjuwsma en † Heer-Alma uit onze friesche gewesten, en Hereygens en Herreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nog Herrijgers en Herroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.

De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld: Heerjousma b. v. en Heerywesma; ook Her-Alma. Het zijn patronymika van Heer-Jou, Heer-Ivo en Heer-Alle.--Jou, Juw, meest in verkleinform als Jouke voorkomende, Iwe of Ivo en Alle zijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.

De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekeren Heer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslacht Heriwesma niet af. Heer Ivo Johannis was de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16de eeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief--Heth it folk lief", zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van 's Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuis Hero-Ivo-straatje, als of de naam van zekeren Hero Ivo afkomstig ware (Hero is een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken van Serivestraatsje, met voorgevoegde s. Ook al een bewijs dat het voorvoechsel ser in de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van 's her, des heeren.

De patronymika Hereygens, Herrijgers, Herroelen en Herreilers beteekenen: zoon van Heer-Eige, zoon van Heer-Roel (Roelof) en zoon van Heer Eiler. De mansvóórnaam Eige of Eigen is de oud-germaansche, door Förstemann vermelde naam Eigen, Agino, Agin. En Rijger, beter Reiger (zie ook § 134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Reingar, Regingar, Ragingar. De naam Eiler is ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan is Agilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaam Eilers is er mede van afgeleid.

§ 54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetsel van, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan: Van Alewijn, Van Ditmar, Van Frank, Van Walraven en Van Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.

Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland. Benjamin b. v. die een zoon is van Aron Mendes Chumaceiro, noemt zich Benjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is van Josef Vaz Dias, noemt zich Aron van Josef Vaz Dias, en Esther de dochter van Jacob Lopes Quiros wordt genoemd: Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymika Jan De Groot Corneliszoon b. v. of Sjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.

§ 55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v. Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namen Redding en Jansen gevoegd.

Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn: Antonides, Hermanides en Harmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides, allen van bekende mansnamen, van Antonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulus enz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn: Gatsonides, Hajonides, Mensonides, Nolledes, Oneides en Ynsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamen Gatse, Haio, Menso, Nolle, Oene (Uno) en Ynse. De geslachtsnaam Hilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaam Hilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En dit Hilarius is op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaam Hile, Hyle, Hille, ook in verkleinform als Hylke, Hylco, en voor vrouen als Hylkje, Hielkje (Hike in de wandeling) en Hiltje (Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamen Hielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega (zie bl. 61), Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, Hillen en Hillenius, Hillens en Hillekens af, met vele plaatsnamen. Misschien ook Hiel; zie § 139.

Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikon Hajonides in eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,--waar toe het niet past. Men zie dienaangaande De Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.

§ 56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamen Adriani, Alberti, Andreæ [77], allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend. Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaam Winoldi ten grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamen Wynalda en Wynolds, met den plaatsnaam Winaldum (Winalda-heim, woonplaats van Winald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaam Allebrandi ook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten van Albrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamen Albranda en Albrands en in † Ailbrandesna (zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamen Albrandeweer (verkeerdelik meestal Olbrandeweer geschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland; Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; en Albringsweer (voluit Albrandingsweer), ook Albrandswehr, een gehucht by Emden.

»Maar Allebrandi is een italiaansche naam!", zal men my toevoegen. »De geslachtsnaam Allebrandi is in Italië, te Rome, inheemsch!"--Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ook Garibaldi en Giraldi italiaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch: Garbald, Gerbout, en Gerald, Gerhold, Gerout.

De geslachtsnaam Gualtherie behoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door de ie op het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkele i zoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze. Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is een would-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaam Walther, Wolter, Wouter, die in het Fransch als Gauthier luidt.

Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d' eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijk Wybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendom zijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen: Gerbrandy, Idsardi (van Idsard, Idsert), Ypey (van Ipe, Ype, verlatynscht tot Ipeus), Ysbrandi (van Ysbrand). [78]

De geslachtsnaam Aeneæ houd ik voor een patronymikon, in latynschen form, van Aenea, oorspronkelik Ane, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamen Aninga, Anema, en, in verkleinform, Aantjes, met de plaatsnamen Anjum (oudtijds, en voluit, Aninga-hem, heim of woonplaats der Aningen, der nakomelingen van Ane), een dorp in Dongeradeel (Friesland); Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.

Odolphi eindelik is afgeleid van Odolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen form Alef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: † Aylva en Aleva (beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), † Aylufsisma en † Alofsma, † Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis (zie bl. 98), Alfs, Oleffs en Olfen. Buitendien nog Aalvink (samengetrokken uit Alofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger van Roelvink, op bl. 40 behandeld.

§ 57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgang ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynsche namen, want die ius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in § 22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van: Arntzenius, Bolsius, Borgesius. [79] Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgang ius er slechts achter weg te nemen. De formen Arntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen, Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het versletene Tiele), Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor. Arntzen is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon van Arnt, Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon van Jan.--Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein (Hendrik); Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); Nolt (Arnold) en Tiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen. Bol, Bolle, door Förstemann als Bollo vermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aan Bols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aan Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aan Bolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aan Bollington.--Mette is de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst van Brons als een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamen Metten en Mettenius ten grondslag ligt. By Förstemann komt deze zelfde naam als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: † Mettinga, Mettens, Mets en Metz (kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn), Metting, Mettjes, † Metsema, Metzen en Metskes--de vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en Stratenus, met Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, door Förstemann aangetoonde mansvóórnaam Strato aan ten grondslag ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt men dezen naam, Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorp Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaam Van Stratum.

§ 58. Vadersnamen in 't algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantal en de onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen, van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naam Johannes afgeleid zijn.