De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 13
Sommige sma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon, naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaam Van Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen dat Reesema een patronymikon op ma (en niet op sma) ware van den oud-germaanschen mansnaam Rese, die in de naamlijst van Brons voorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaam Reesink van afgeleid is. Maar Reesema werd in de vorige eeu nog Reersema geschreven, dat eene samentrekking is van Redersma. Reer, Reder, Redert is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten form Redart, Redhart is. In de 15de eeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form als Redartsma. Toen was Redart Redartsma deken van Oldehove te Leeuwarden. [70] In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook als Redertsma, Redersma en Reedersma voor. Rethardisna is een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook tot Reersna verloopen is, even als Redartsma tot Reersema en Reesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Reterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamen Rederstall, een dorp in Ditmarschen; Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren; Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen; Reersum (dat is Rethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.
Bergsma, Brugsma, Hamersma en Wakkersma zijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woorden berg, brug, hamer en wakker zoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslacht Bergsma voert zelfs een varken, friesch baerch, barg, als sprekend wapen. In Kiliaan's Woordenboek komt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe." En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aan Bargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag. Berg of Barg is eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaam Bercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (Adelbrecht of Albert, Harbrecht of Herbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn: Bergema, Bergen, Bergs en Bargen; misschien ook Bergman, Bergmans, Barchmans.--Bergsma en Bargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen als Albregt en Albracht, Hermans en Harms, Gerritsen en Garritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.
Brugsma is een versletene vadersnaam van den mansvóórnaam Brucht, die, ook als Brugt, zelfs als Brug geschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, als Bruchtert of Burgert (Burghart, Borchart) enz. Met Brugsma komen nog de geslachtsnamen Brugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts en Brugs, waarschijnlik ook Burga, en de plaatsnaam Burchsum (Burch's heim, Bruchts woonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaam Burcht.
De geslachtsnamen Hamersma en Hammersma, met Hamringa, Hameringa, † Hammerga en Hammers, en de plaatsnaam Hammerum (Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, door Förstemann ook vermelden mansvóórnaam Hamar (Hamr, Hammer) af. Men houde echter in 't oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is als hamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aan Thor's hamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens: Ger, Geer (Gerhart, Gerolf) = speer; Bronno = schild, harnas; Brant (Hildubrant, Hadubrant, Adelbrant) = zwaard, enz.
Wakkersma eindelik, met Wakkers en misschien Wakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaam Wakker, by Förstemann als Vacar, Wacchar, voorkomende.
§ 49. Tusschen de geslachtsnamen die op sma en die op sema eindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak. Sma komt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor, sema in Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v. Geertsma in d' eene, Geertsema in d' andere gou. En zoo is 't ook met Bonsma en Bonsema, met Boersma en Boersema, Bylsma en Bylsema, Duursma en Duursema, Hansma en Hansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op 't onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in 't algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval op is of es. Van den mansvóórnaam Geert b. v. maakten zy in den tweeden-naamval Geertis of Geertes. Kwam daar nu het oude woord ma achter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaam Geertisma of Geertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14de en 15de eeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form; Aylufsisma (later Alofsma), Juwisma (Jouwsma), Jarichisma (Jarichsma), Siukesma (Sjoeksma), Siwrdesma (Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16de en 17de eeu in. Zy verloren hunne toonlooze i of e, en werden Alofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonlooze e in deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formen Jeltisma, Geertesma zelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen van Jeltesma tot Jeltsema, van Geertesma tot Geertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak men es als se uit. De oorspronkelike formen Geertesma en Hoekesma werden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken tot Geertsma en Hoeksma, by de oosterlauersche tot Geertsema en Hoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.
Eenige weinige sma-namen, allen in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch, hebben deze samentrekking van isma of esma tot sma niet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v. Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, Sibesma met Siebesma en Sybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamen Age, Auke, Minne of Menno, Pebe of Pibo en Sibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nu Aagsma, Auksma, Minsma, Peepsma en Sypsma luiden.
De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden der sema-namen gelden: Ausema, Bansema, Brondsema [71]. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar van Ilpsema is de oorsprong my duister. Franssema is van Frans afgeleid, dat weêr eene verkorting is van den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaam Frank ligt er aan ten grondslag. Roelfsema is duidelik genoeg, en stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van den bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is Klootsema reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen mansvóórnaam Aue, die hedendaags meest in verkleinform als Auke in gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen † Auwema en Auwen oorsprong gaf. Bansema komt met de maagschapsnamen Banning, Olden-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden mansvóórnaam Banno.--Brondsema en Brontsema, met Bruntink, Brunten en Brunt, stammen af van Bront of Brunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eener t, van den naamstam Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende, althans van 1850-1870, die Bronno Brons heet), stammen de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema, Bronsema en Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brunnico, dat is Bronno in verkleinform.--Jelte, Tiete en Weite, waarvan Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.--Luurtsema eindelik en Luursema zijn met de geslachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lührs en Luyrink afgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waar Luurt en Luur afgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luursema zijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachten Luyrtsma in Friesland bewesten Lauers, Lyursna in Friesland beoosten Eems.
Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds de s als beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door de z vervangt, is by eenigen van de sema-namen die uitgang in zema veranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn: Gerzema (de goede form Gersema komt ook voor), Hoekzema (nevens Hoeksema), Roelfzema (naast Roelfsema), Rinzema, Schultzema, Wiertzema en Zetzema. En by sommige sma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, op k eindigt, is de s van sma met die k tot eene x versmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namen Blinxma (zie bl. 46), Boxma, Haaxma (zie Haex op bl. 96), Harinxma en Van Harinxma (de zuivere form Haringsma komt ook voor), Looxma, Sixma (Siksma en zelfs Sixsma bestaan ook), enz.
Eenige geslachtsnamen zijn slechts sema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot de ma-namen (zie § 45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven op se eindigt; b. v. Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamen Haitsema, Reitsema, Ritsema en Sytsema van afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet in Hait en sema, maar in Haitse en ma, Reitse en ma, enz. Haitse, Reitse, Ritse en Sytse zijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, als Haitsma, Reitsma, Ritsma en Sytsma voor.
De geslachtsnamen die op sna en sena eindigen († Edzardsna, † Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke op na uitgaan (zie § 46), als de sma en sema-namen staan tot die welke ma tot uitgang hebben. Deze sna- en sena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in 't algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen in De vrije Fries, deelen XIII en XIV.
§ 50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetsel van voor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past dit van volstrekt niet vóór deze namen. Van past slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen met van er voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als 't ware, te adelliken, door er van of von voor te zetten. [72] Die zoo deden, hebben niet bedacht dat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken--het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen, de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v. Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woorden state en sate wel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon op Abbinga", en »ik kom van Allinga". Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen met van er voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v. Van Baarda en Van Bloemersma eigenlik in de plaats staan voor Van Baarda-state en Van Bloemersma-sate--dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts in dat geval. Anders zijn namen als Van Hottinga en Van Buma in het Friesch even dwaas, als b. v. Van Jansen en Van Pietersen in het Hollandsch wezen zouden, als Von Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzer in het Hoogduitsch zijn. Zie ook § 26.
Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v. Olferda-state), dien alouden naam met van er voor, als Van Olferda voor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslacht Olferda nog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zich Van Olferda(-state), omdat hy op Olferda(-state) woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naam zonder van, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form met van eenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met dit van voorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is dit van een byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16de of 17de eeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor, zonder van, 't welk er ook niet by behoort. Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmania zijn in de middeleeuen slechts als Cammingha, Bothnia, Burmania bekend.
Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechsel van: Van Goslinga en Van Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema (zie bl. 132), Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zonder van: Goslinga met Gosliga; Haga met Ter Haagha [73]; Eisinga en Eizenga; Hettinga en Hettenga, Hania en Hanje; Abbema en Abma; Ietsma en Ytsma.
Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonk b. v. en Cranendoncq, Derx en Derks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in 't algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde 't wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding; Kamminga b. v. en Kammenga, Raadersma en Radersma, Attama en Attema.
Ook gebeurde 't wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmelden en vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v. Scheltinga en Van Scheltinga, Van Eysinga en Van Eisenga (zie bl. 26 en 60), Van Harinxma en Haringsma, Van Heemstra en Heemstra, Van Cammingha, Kamminga en Cammenga, Aylva en Aleva, Buwalda en Buwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.
§ 51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »de Jan, de Piet en de Klaas," zooals men in Opper-Duitschland wel doet: der Wilhelm, der Joseph, die Maria," enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, als Swolfs, Smertens, dat is: des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoord des (tweede-naamval van de) is by deze namen tot s ('s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v. 's Heeren goedheid; 's prinsen beleid; 's mans berou; voluit: des Heeren goedheid, of de goedheid van den Heer; het beleid van den prins; het berou van den man. Zoo ook Swolfs, 's Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man die Wolf heet.
Behalven Swolfs en Smertens zijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend: Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.--Smaassen, dat ook als Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is 'S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon van Maas. En Maas is eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaam Thomas.--Speters en Spiers, met de verwante en versletene formen Speers, Spies, Spees, Speessen, is 's Piers, des Piers zoon, de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus.--Stillemans komt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Tilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en als Tilmans, Tielmans als geslachtsnaam voorkomt.--Stielen en Stieltjes komen eveneens van Tiel en Tieltje, dat is: Tyl, Tilo, welke naam als Tijl, en, in verkleinform, als Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekent Stieltjes: zoon van den kleinen Tyl.--Stiemens eindelik staat in de plaats van 'S Tiemens, des Tiemens zoon; en Tiemen, Tymen, Tieman, Timan (niet te verwisselen met den griekschen mansnaam Timon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelik Tiedman, Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemens af.
De oud-germaansche naam Godfried, vernederlandscht tot Godefert, Godevaert, Govert, Govaert (waarvan de geslachtsnamen Govaerts, Goevaert en Govertz) is de naam waar aan de geslachtsnaam Schoevaerts ontleend is. Deze zelfde naam komt ook als Schovaers, Schoovaert en Schoevaart voor. Schoevaerts is eene wanspelling voor Sgoevaerts, 'S Goevaerts, dat is: des Goevaerts zoon, de zoon van Goevaert of Godfried. Wijl overigens de letterverbinding sg in het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taal niet voorkomt, zoo kwam men er toe om Sgoevaerts als Schoevaerts te schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval de sch als sg wordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging van sg door sch komt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaam Keerschieter, die oorspronkelik Keersgieter was, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naam Keersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in § 165). Zoo zag ik den naam der stad 's Gravenhage en dien van het dorp 's Gravezande wel geschreven als Schravenhage en Schravezande, en de geslachtsnaam 'S Grauwen komt ook als Schrauwen voor; zie § 64. In den geslachtsnaam Schoevers vinden wy 't oorspronkelike Schoevaerts, 's Goevaerts nog meer verbasterd.
Deze geslachtsnamen met voorgevoegde s, afgesleten uit des, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.
Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar de s van des niet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam 'S Jacob. Vreemd is het ook dat de naam Jacob zelve hier niet verbogen is. Ware het 'S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Deze s, van des versleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen ('s Gravenhage, 's Hertogenbosch, 's Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in § 64 te vinden zijn.