De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 12
Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen op ma eindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform op a (zie bl. 112). Dit zijn b. v. Dykama (zie bl. 104), Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namen Ekema en Eekma naast Ekama; Galema naast Galama; Gerkema naast Gercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaam Ekama, den mansvóórnaam Eke, ook als Eco voorkomende. Dit Eke, Eco is anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam of kosename in gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaam Eelke of Eelco. De vrouelike form van Eelke is Eelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ook Eeke (Eke) en, weêr verkleind, Eekje genoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen form Eelke is ook de meer hollandsche form Eeltje als mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichter Eeltje Hiddes Halbertsma b. v. heette alzoo. Eelke en Eeltje nu zijn verkleinformen van Ele, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. En Ele is eene samentrekking van Edele, een naam die in haren oudsten form als Adel, Athal onder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daad de edele (man), de adellike beteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen Ekama met Ekema, Ecoma en Eekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorvene Adelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon van Athal.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonlooze e is overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld: Attema, Aukema, Balkema, [63] enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamen Benno en Otto zijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en Ottema. Ook de mansvóórnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lycklama (zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolai en vele anderen, volkomen het zelfde beteekenen. Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.
Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon op ma eindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eene e gevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. By Beintema, Gjaltema en Klasema, afgeleid van Beint, Gjalt en Klaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamen Frankema en Joostema, van de mansvóórnamen Frank en Joost.
De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eene a op 't einde werden geschreven (Humma of Homma, Hetta, Saka, tegenwoordig Homme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eene o als sluitletter geboekstaafd; b. v. Eelke = Eelco, Otte = Otto, Rinse = Renso, Harke = Harco. De o is in deze namen van jongere dagteekening dan de a, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelike a tot eene toonlooze e verfloeide. Deze o is althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen, dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze met o weêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonlooze e. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen die o reeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonlooze e, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslacht Albertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam tot Alberthoma verfraaiden. Albert Albertema (dat is: Albert Albertszoon) schreef zynen naam, als dominus: Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!
By eenige ma-namen is die o tot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. by Deroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, Tacoma en Takoma, enz.
Velen van deze ma-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevens Ekema met Ekama en Ecoma ook de geslachtsnaam Eekma; naast Abbema, Bokkema, Bottema, Eikema en Hobbema komen ook Abma, Bokma, Botma, Eickma en Hobma voor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. Namelik man of zoon van Eke (zie bl. 120), Abbe, Bokke, Botte, Eike en Hobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.
§ 46. Nevens de ma-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die op na uitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met de ma-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat de na-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen de ma-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her de geslachtsnamen Attena, Habbena, Sydsena, Ottena enz. nevens Attema, Habbema, Sytsema en Ottema in Friesland tusschen Fli en Lauers.
Den oorsprong, in taalkundigen zin, dezer na-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgang na kan evenzeer als ma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgang mona (zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaam Frouwana zoo wel uit den ouden vollen form Frouwa-mona ontstaan zijn, als de groningsch-friesche naam Frouwama. Het hedendaagsche verschil tusschen m en n kan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgang na kan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform op en, welke in § 40 besproken is. De omstandigheid dat deze oud-friesche na-form in geschriften uit de 15de en 16de eeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform op en, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15de en 16de eeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze als Ayolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze als Ayolt Wyben geschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelik Ayolt, (zoon) van Wibe of Wybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens als Thiark Jellena, dan eens als Tjarck Jellen vermeld. En een derde nu eens als Sibad Atsena, dan eens als Sybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15de eeu levende, wordt in oude oorkonden nu eens Marten Sitzena, dan weêr Martinus Sytzen genoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af als Fokke Uken en Focke Ukena. En geen wonder! In die dagen verstonden en gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnen toen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15de en 16de eeusche Friesen was het even duidelik of zy Marten Sytsena zeiden en schreven, of Merten Sytsema of Maerten Sitzen of Sytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten: Marten, zoon van Sytse, of Marten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v. Epena, Epen, Epema en Epesz, van den frieschen mansvóórnaam Epe afgeleid, en allen (zoon) van Epo beteekenende.
Komen de na-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen de na-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter der na-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat der ma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend dan Altena, Bultena, Domna, [64] enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid. Domna b. v. van Domme of Dome, een mansnaam die in de lijsten van Leendertz nog vermeld wordt, en eveneens in Förstemann's Namenbuch. De geslachtsnamen Dommisse (zie bl. 99) en † Doma zijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam. Doma-sate is nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaam Domme door niemand in Friesland meer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaam Domme of Dome heeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoord dom, maar is oorspronkelik ons woord doem (nog in verdoemen over), Oud-hoogduitsch tuom, Oud-noorsch tôm, en judicium, oordeel, beteekenende. Zie Förstemann's Namenbuch op den naam Dom.
De namen Bultena en Altena dienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschap De Bult by Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en dat Bultena wel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaam Bult. Deze oude naam is, met Bultet, een byform van den mansvóórnaam Bulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamen Bultema en Bultsma in Friesland, en Bultynck in Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehucht Bultinge by Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehucht Bulthusen by Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).
Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaam Altena aan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre als Alte een oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaam Altena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, als al te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaam Denkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken; denk na! Niet te min is Denkna eenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Denke Dank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamen Danklef, Dankwart (Tanquart) en Dankret (Tancred). En zoo heeft men ook dien naam Altena gegeven aan huizen en plaatsen, die al te na by iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dus al te na daar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stad Altona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum, Altena heet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehucht Altena by Idsegahuizen, met het voormalige blokhuis Altena vlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteel Altena vlak buiten de Schoolpoort te Delft; met Altona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), met Altona by Sengwarden in Jeverland, met Altona by Tettens in Wrangerland, enz.--deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslacht Altena in Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikon Altena.
§ 47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die op sma of sema, sna of sena eindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geen afzonderlike groep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van de ma- en na-namen. Want oorspronkelik behoort de s van sma en sna niet tot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvende ma (ema) en na (ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechsel ma en na, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamen Halbertsma en Geertsema b. v. bestaan niet uit de lettergrepen Halbert en sma, Geert en sema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uit Halberts en ma, uit Geertse (omzetting van Geertes) en ma. En die s, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechsel ma, is werkelik niets meer of minder dan de s, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt. Halbertsma wil dus eenvoudig zeggen: de ma of man, dat is: de zoon of de volgeling van Halbert, van den stamvader die Halbert heet; dus Halberts man. En Geertsema is Geertes man, de zoon van Geert.
Uit een taalkundig oogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgang ma), als saksische of frankische (de s in den tweeden-naamval). Het patronymikon op ma van de mansvóórnamen Halbrecht en Gerhart zoude in zuiver oud-frieschen form Halbertama en Gertama moeten zijn. De sma- (en sema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in 't algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. De sma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkele a, op inga, ma en na uitgaan. In de 13de eeu mogen er reeds hier en daar enkelen van deze sma-namen voor den dag gekomen zijn--dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudste sma-namen, my bekend, is die van het geslacht der Bolesmona dat in de 13de eeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was. Bolesmona, Boles mona, dat is: de Boles mannen, de mannen van Bole, en Bole (Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naam Bolesmona treedt later als Bolesma en Bolsma voor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook de Sirikesmona en de Brungersmona vermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen van Sirik, Sierk en van Brungar, Bronger beteekenende, komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamen Sierksma en Brongersma voor.
De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, als Bolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen op sma eindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 1432 [65] den hedendaagschen geslachtsnaam Sjuksma als Siukisma geschreven. (Aangaande dit byzonder-friesche is in plaats van es, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die op is uitgaan, en die in § 39 behandeld zijn). De man die in dat stuk Benka Siukisma genoemd wordt, komt in eene oorkonde van 1436 [66] voor als Beenka Siukesma, en in eene andere van 1442 [67] als Beenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaam Siuk (Sjoek), als Sjuksma gespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen--duidelik het ontstaan van het achtervoechsel sma uit esma en isma aantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen kan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.
§ 48. De sma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door de sema-namen vervangen. De sma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelike sma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgang sma te voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in § 64 en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld. Van het groote getal oorbeeldige sma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen: Albertsma, Arendsma, Barendsma, [68] enz. Van dezen namen zijn Albertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsma met de verwante formen Meinderdsma, Meindersma, Mindertsma en Mindersma, Pietersma met Petersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, van Albert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert (Meinart, Meginhart), Pieter en Peter, Siger of Zeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamen Dure (zie bl. 46 en 47), Gelder, Hoite, Jorrit (zie bl. 116), Nammen, Riemer (Redmar), Sierd (Siard, Sîghart), Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer (Thiadmar), Wiger en Wierd (Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aan Duursma, Geldersma, Hoitsma, enz. Nevens Arendsma komen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formen Aartsma en Arensma (oudtijds ook † Aarnsma) voor; nevens Brandsma nog Brantsma en Bransma; verder Folkersma en Volkersma nevens Folkertsma; Lammersma nevens Lammertsma; Siersma en Wiersma nevens Sierdsma en Wierdsma (oudtijds ook † Syardsma en † Wyardsma); Wiegersma, Wygersma en Wiggersma nevens Wigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaam Gelder, waar Geldersma van afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaam Geldra; over Sierd zie men bl. 115; en over Steen bl. 106. Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Tiemersma en Tymersma ten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken form Thiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfden naam stammen ook de geslachtsnamen † Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ook Diemer en Diemers met Dethmers (van Dietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamen Tjamsweer (samengetrokken uit Tiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam; Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland); Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds als Tiedmarum (dat is, Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmars woonplaats) geschreven werd; Timertsma-state te Idaart, enz.
Een byzondere friesche geslachtsnaam is Leefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaam Levi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-friesche sma-namen opgemaakt. Dat men van Levi en sma niet Levisma gemaakt heeft, is niet vreemd. De form Levisma druischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de form Leefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men de f niet te scherp uitspreekt, maar ongeveer Leevsma zeit. Buitendien wordt de vóórnaam Levi by de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort als Leev, Leef uitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, als Löv, Löw, en zelfs als Löb. Onze nederlandsche form Leip (ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte form Leef maakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaam Leefmans. Leefsma is de friesche wederga van de geslachtsnamen Levyssohn en De Levie (de = van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by de sma-namen te bepalen: Abelsma, Jacobsma, Simonsma (met Siemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor, omdat Abel, Jacob en Simon mansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijl Levi tot de Israëliten beperkt is. [69]