De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 11

Chapter 113,481 wordsPublic domain

Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren. Arekens is het patronymikon van Areken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden mansvóórnaam Are. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Arema in Friesland en Arink te Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aan Aringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man die Are heette. Arekens echter zou ook kunnen komen van Areken, Aarnken, verkleinform van Aarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaam Arend. Arnken komt ook als geslachtsnaam voor. Kannekens komt van Kanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamen Kanninga en Cannenga; Cankena (eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland; Canning en Cannington in Engelland. En uit de plaatsnamen Cantrup (d. i. Kandorp), dorp by Bassum in Hanover; Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk; Caneghem (Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen; Canum (Kanna-heim) en Canhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.--Seuntjens komt met Zoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht als Sonius, met Sönnichsen (van den verkleinform Sönnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma, Sonnema, † Sonningha, misschien ook met Sonnega (zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Friesland; Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland; Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen; Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie--allen van den oud-germaanschen, hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaam Sonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten form Zone draagt. Maatjes is een patronymikon van Maatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaam Mate, door Förstemann als Mato vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Maats, Maetens in Vlaanderen, Matena (een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. Over Bollekens zie men bl. 27, over Schellekens en Scheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; over Vennekens, van Venneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; over Bantjes van Bantje, Banne, bl. 51, enz. Brantjes is van Brant, een welbekende mansnaam, en Haantje, Lolke, Mintje, Onneke (Onno), Rinke (Rinne), Solke (Solco), Waalke zijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.

Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangsel ke, ken of tje, tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel als gen. Woorden als huysgen, kintgen, poertgen voor het hedendaagsche huisje, kindje, poortje treft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in 't overmaassche Holland, laat de volkspraak deze g (gie), ook wel ch (chie, chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men van borregie, poregie voor bordje, poortje, te Zwolle van lämmechie, in Drente van lammechien voor lammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen met g, gen. Namen als Barentgen, Marytgen treft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen als Alechien, Alechina; Lubbegien, Lubbechina (oorspronkelik Lubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d' oogen.

Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. in Bontgens, Fortgens, Heyntgens en Heintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens, allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen. Bontgens (Bontjes komt ook voor) is van Bonne; zie bl. 57 en 58. Heyntgens komt van Heintje, van Hein, Hendrik.--Lutgens, met Lutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaams Lute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog als Luut, Luit, in verkleinform Luutzen, Luitsen, in volle gebruik is. Over Wintgens van Wintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, als Bürsgen (Bürsgens in Nederland), Pörtgen, Röndgen, Wirtgen (Wiertjens in Nederland), enz.

§ 43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie § 23. Zy hebben deze eigene nieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.

De byzonder friesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland--welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.

By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:

1º. Namen die op eene enkele a eindigen (Gerbranda).

2º. Namen die op ma uitgaan (Abbema). De namen op na (Ukena) formen hier van eene bygroep.

3º. Namen, waar van de laatste lettergreep sma is (Geertsma). Hiervan formen de namen op sema (Geertsema), op sna (Snelgersna) en sena (Sierksena) bygroepen.

§ 44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eene a, of door verwisseling der toonlooze e, op het einde van eenig woord, met a. B. v. het woord campa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamval campa, van het gevecht; tunge, tong, wordt in den genitivus tunga, van de tonge; en are, oor, wordt ara, van 't oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16de en 17de eeu, die forming op a by gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d' oorkonden die in d'oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in het Register van den aanbreng van 't jaar 1511 en in de Oorkonden van 't St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In 't eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemd Jarich Focka zoen, dat is: Jarich Fokke's zoon, of Jarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. Dit Focka is hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezen Jarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v. Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in 't Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa", dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) van Boue en Beike.

Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen op ing, op s, op en, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook op de zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikon Homma, gelijk Renick Homma zoen bovengenoemd droeg naar den naam zijns vaders Homme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ook Hommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al mede Homminga en Hommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.

De geslachtsnamen op eene enkele a uitgaande, behooren, met die op inga eindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die 't meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.

In § 91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eene a, van plaatsnamen geformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze van mansvóórnamen afgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld: Alberda, Algra, Andla. [60] De oorsprong der namen Alberda (met Albarda), Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda (met Reenalda, Renalda, en zelfs verbasterd Ringnalda en Ringenalda) en Wynalda, van de mansvóórnamen Albert, Bernard, Bruno, Menald (Meinout, Meginhold, Meginhalt), Reinald (Reinout, Reginald, Raginholt) en Wynald (Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn. Andla en Andela, Gosliga (met Van Gosliga, Goslinga en Van Goslinga), Idsarda (met Idzarda en Idserda), Jilderda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda en Tjarda zijn patronymika van de mansvóórnamen Andle, Goslig (Goslich, Gosling), Idsart of Idsert (Edsart), Jildert, Ruurd, Sjoerd en Tjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn. Hameka, met Hammeka, komt van Hameke of Hamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden naam Hamo, die als Hamme by de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamen Hamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, † Hammama, Hamje (zie bl. 70) en Hammes met Hamkema oorsprong gaf. Algra en Algera zijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland als Alger nog gebruikeliken mansvóórnaam Algar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaam Algersma is afgeleid. Popta met Van Popta en Pupts zijn afgeleid van den mansvóórnaam Popt, door Brons als een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaam Pop, Poppe (Popke) te beschouen is. Rembada is een versleten form van Rembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud = kâ'd; wrald, wereld = wra'd); en Rembald (Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaam Rippert, die aan de geslachtsnamen Ripperda en Rypperda ten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17de eeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. Over Tjaard zie men bl. 62.

Sjoerda en Sjoorda zijn vadersnamen van den mansnaam Sjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam is Sigurd (Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitsche Siegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in de Nederlanden als Sîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuert werd uitgesproken, en waar de geslachtsnamen Sieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van afkomstig zijn. De zachte friesche g van den oud-frieschen form dezes naams Sigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eene j: Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spelling Sjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden als Siud, Siut, zonder r, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam de r niet hooren laten (Sjoe'd). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy van Hette maakten Hector, van Tjaard Tarquinius, van Tjibbe Tiberius, toen verformden zy Sjoerd tot het barbaarsche Suffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. Nevens Sjoerda en Sjoorda zijn van den mansnaam Sjoerd nog afgeleid de geslachtsnamen Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma (in oude oorkonden als Siurdisma geschreven), Sjoerds (deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, de d verloren en is tot Sjoers geworden), Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland. Sjoerda-staten eindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.

De mansvóórnaam Sjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamen Sjaarda, Sjarda en † Sjaardema ten grondslag ligt, moet met Sjoerd niet verward worden. Sjaard immers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, van Sighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam is zegaart of overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naam Victor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den form Siegart voor, waarvan Segaar en Siggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woord cigaar is by de verklaring dezer namen niet te denken.

Wiard is een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenals Wierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naam Wîghart (Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamen Wiarda, die over geheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is, Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naam Wiard als Weiert; vandaar de geslachtsnamen Wyerda en Weyerda. De naam van het oud-friesche dorp Wiarden in Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaam Wiard is afgeleid, wordt in de wandeling ook als Weierden, Weieren, Wei'rn uitgesproken.

Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Jorna en Jurna ten grondslag ligt, zoomede aan † Jornsma en misschien ook aan Jörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het is Jorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Eburwin, die als Eberwein in Duitschland, en als Everwijn in Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is. Eburwin of Evorwin, Ivor(w)in, I(v)orin, Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorp Jorwert (waarvan de maagschapsnaam Jorwerda--zie § 91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaam Jorrit (waarvan de patronymikale geslachtsnamen Jorritsma en Jurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaam Jorrit is de zelfde naam als Eberhart, Everhart, Everaart in andere germaansche talen. Jorrit is eigenlik voluit Jorhart, volkomen zoo als Gerrit eigenlik voluit Gerhart is. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaam Jorwert als Everwert of ook Everwirth geboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stad York, in het Latyn Eboracum, schreven de oude Engelschen Eurewic (Evrewic), [61] de Angel-Saksen Eforvic, dat is I(v)or(r)ic of York. De friesche plaatsnaam Jorwert en de engelsche plaatsnaam York moeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven worden Everwert en Everwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlanders aldus; Kiliaan b. v. heeft: »Eberwijck of Jork." En de friesche patronymikale geslachtsnamen Jorna en Jorritsma zijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaam Everwijnse (zie bl. 89), als Everijnsz dat ik elders vond, en als Everaarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.

Aangaande het verschil tusschen Jorna en Jurna, Jorritsma en Jurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men § 78, by de namen Van Borkum en Van Burkom.

§ 45. De friesche patronymikale geslachtsnamen op ma eindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechsel ma; b. v. Gercama, bestaat uit Gerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaam Gerke (een verkleinform van den ouden naamstam Ger, Gero), en uit ma. En dit achtervoechsel ma beteekent eenvoudig man. Dus Gercama is letterlik man (zoon, hoorige) van Gerke of van den kleinen Gero; Lycklama is man van Lykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaam Nicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam van Likelsgea of St. Liklesgea aan het dorp St. Nicolaasga (ga of gea is dorp in het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.

Het woord man of ma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die op ma eindigen, heeft in dit geval in 't algemeen de beteekenis zoowel van zoon als van kleinzoon en nakomeling, ook van neef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog van hoorige, volgeling, dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate. De oude Gerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezen clan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zich Gercama of Gercamannen, mannen van Gerke.

Het woord man vinden wy in het Oud-friesch gewoonlik als mon, soms ook als man, en als men of mena in het meervoud, ook als mona in den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-n als ma luidde, leert ons het woordje men, dat in 't Oud-friesch als ma, later ook als me voorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v. me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordje men (ma, me) is anders niet als het woord man in meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat door men beheerscht wordt; ma scoene sizze, en niet ma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordje men beheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen: men zou zeggen, en niet men zouden zeggen.

Maar genoeg! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam Frouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en 14de eeu voor als Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men § 60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Sirikesmona, Brongersma als Brungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle form mona ook, door verfloeiing der klanken, in mena over. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam der Luidera-mena in Garreweer (Fivelgo). Luidera-mena, dat is letterlik: de Luidera-mannen, de mannen van Luider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen op mona, mena, ma eindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13de en 14de eeu, nog ten vollen bewust. Sicco Siccama b. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluit Siccamona geweest was, dat hy dus de Sicco of Sikke was der Sicca-mannen, der mannen van Sicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechsel mona, mena, ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy Mariëngaarde door Æ. W. Wybrands uitgegeven, op 't jaar 1224, de Blondera-viri genoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, de Sembranda-viri, de Ummegga-viri (Umminga-mannen), de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri, als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13de eeu te Uithuizen (Groningerland) de Aybadamani (Aybada-mannen, mannen van Aybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum de Dincinga-manni, de Obeka-manni en de Onninga-manni, en dat er te Oldesyl eene area Aylbadis-mannorum was. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen de Beninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers de Ludigmannen (Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen aanzienlike geslachten waren. [62] (Jellaman, nog heden als geslachtsnaam Jellema bestaande, is man van Jelle, en Jelle is een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).