De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 10
§ 39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet op es of eene enkele s, maar op is eindigen; b. v. Avis, Duyvis. Uitsluitend aan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf--gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyze is in plaats van es achter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden" kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand als Hemka Reenkys zoen vermeld; dat is Hemka, Reenkes zoon. In een ander geschrift--aldaar dl. I, bl. 28--, van den jare 1457 komt Jarich Joenkis zoen voor; dat is: Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar--dl. I, bl. 30--slecht weg Jarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld: Bauke Sickis--in plaats van Sickes, zoon van Sikke-- [48], Hiilgond Siiurd Buiickis wiif--Hillegonda, de vrou van Sjoerd Buikes (zoon)-- [49], Jan Nannis [50], Jan Mennis [51], Trin Jeppis [52], en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld, Take Sapis. [53]
Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen op is en isz heden ten dage juist niet meer in 't eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.
De geslachtsnamen op is en isz, my bekend, zijn de volgenden: Alvis, Arisz, Avis. [54] Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaam Ave wordt door Leendertz vermeld. In verkleinform, als Aafje of Aafke is hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naam Duif, waarvan Duyvis een nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; over Fene, de stamnaam van Veenis, bl. 58. Jonxis komt van Jonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamen Jonks, en † Joenkema oorsprong gaf, en zekerlik één is met den frieschen mansvóórnaam Jonge. Zoo dat ook de geslachtsnamen Jongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonks enz. met Jonxis uit den zelfden wortel voortspruiten. Gale, tegenwoordig in Friesland ook als Geale voorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, met Galis, nog de geslachtsnamen Galama en Galema, Galen en Gales, en, van den verkleinform, Gaaljema afgeleid zijn.
Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgang is in plaats van es, ook in eenige met sen (zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamen Alberdissen (Alberdes zoon, Alberts zoon), Breunissen (van Bruno? of van Bronno?), Domissen (als tegenhanger van Domis en Dommisse, dat de n verloren heeft, (van den ouden mansnaam Domme; zie § 46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in § 34 zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika op is, als b. v. Bruinssins tot Bruinssens, Gerdessen tot Gerdes.
§ 40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen--afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten op s en op en: Dirks huis en Dirken huis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form op en verworpen, en dien op s behouden. Heden ten dage is de genitivus op en geheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog van Dirken wægen, Gijsen skoit, Louen seun en Krijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechts Dirks wagen, Gijsbrechts schuit of Gijs z'n schuit, Laurens' zoon of Lou z'n zoon en Krijns dochter of de dochter van Quirinus kent.
Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo op en. Zulke namen en toenamen als Marten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoon en Harm Foppen seun kan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woord zoon sleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over: Marten Huyghen, Govert Thysen of Thyssen (zóó geschreven om den scherpen klank der s af te beelden, om te verhoeden dat men Thyzen zou lezen), Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam. Laurens, de zoon van Joost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam als Laurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen op s. Dat komt omdat reeds sedert de 16de eeu de schrijftaal den form op s begunstigde boven dien op en, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. van Dirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan) Dirken genoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel als Dirks of Dirksz hebben neêrgesteld, wijl de mode dat eischte.
Zie hier eenigen van die geslachtsnamen op en, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders. Alderden, Barten, Fransen [55]. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen in oud-hollandsche afkortingen: Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo), Joris en Goris (oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaam Georgius, George), Joost, Kerst (Kerstiaan, Christiaan), Luik (Lucas), Nolt (Arnold), Onno, Otto, Rijk, Thijs (Mattheus). Kees is de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaam Cornelis. De patronymika Keessen, Krelissen, Nelissen, Knelisse en Cornelissen stammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaam Wyn, waarvan Wynen en Wijnne zie men bl. 97. Aan den geslachtsnaam Alderden ligt de volle oud-nederlandsche mansnaam Aldert, in Friesland meest Allert, ook Allart, voluit Adelhart, ten grondslag. De geslachtsnamen Aldringa en Van Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, Allertsma en Allersma, Alers, Alerding, Alring, met Aldring en Aldrington in Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamen Aldrington in Sussex, Engelland; Aldringa-burcht te Bedum in Hunsego, Groningerland; Audrehem, dat is Alderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats van Aldert, in Artesie, Frankrijk; Aldersbach by Vilshofen in Beieren; Allersma-heert te Godlinse in Fivelgo, Groningerland; en Alerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.
De geslachtsnaam Alderden komt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nog meer was, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. Behalve Alderden bestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamen Lubberden (van Lubbert, Ludbert, Ludbrecht), Syberden (van Sybert, Sîgbrecht), Jooren (van Jore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten wordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Joors (aan de Zaan) en Jorink (in Twente), en aan den plaatsnaam Jorum (Jora-heim, woonplaats van Jore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaam Kommerden (zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevens Blommerde (van Bloemhart, zie bl. 93 en 94) en Remmerde (van Remmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.
By alle geslachtsnamen, patronymika op en, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen: Binken, Blanken en Blenken, Coelen [56]. De friesche mansvóórnamen Binke, verkleinform van Binne, Benno (zie bl. 28), Foppe (waarvan ook de geslachtsnamen Foppema, Fopma, Foppes, Foppens), Hedde (waarvan Heddinga, Heddema, Heddes, en Hedding in Engelland), Heere of Hero, Luit, (in verkleinform Luutzen) Makke, Okke of Occo, Poppe, Rense of Renso of Rinse, Sine (zie bl. 72), Temme of Tammo, Uneke of Unico, ook Oenke, Oentsen, alles verkleinformen van Uno, Oene; Warre en Wobbe, in verkleinform Wobke, Wopke, Wopco--die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika. Blank, Blanco, waarvan Blanken en Blenken, even als Blanksma en Blanks, is een oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamen Coelen, Koelinga, Coelingh, Colinck en Koelinck, met Koolsma en Coolsma, Coolen en Coole, met Coles in Engelland (Coleshill heet eene stad in Warwickshire, Engelland; en Koolskamp is een dorp in West-Vlaanderen); met Kooltjes, van den verkleinform, misschien ook met Kool en Cool, wyzen duidelik op eenen mansvóórnaam Koele of Kole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet. Hubben (de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaam Hubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaam Hobbe is in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Hobbing, Hobbema, Hobma, Hobbes en Hobbie (zie bl. 70) alle in friesche gouen; Hobbes en Hobson komen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaam Pollen, zoo mede aan Pollema en Polsma met Polsius in Friesland, Polling in Drente, aan Pols en Pollsen, waarschijnlik ook aan Pol (in Friesland), en aan de plaatsnamen Polleben, dorp by Eisleben in Saksen; Polling, dorp by Weilheim in Beieren; Pollhorn by Rendsburg in Holstein, moet een mansvóórnaam Pol of Polle ten grondslag liggen--al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamen Pelle en Palle, waarvan Pelsma, Pels, Pellens en middellik Van Pellecom, met Palma, Palsma en Pals. Het patronymikon Snellen eindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaam Snel, door Leendertz en Brons vermeld, en welke naam, volgens Förstemann, als Snello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamen Snellens en Snellings, met Sneltjes--in den verkleinform--, misschien ook met het enkele Snel, en de plaatsnamen Snelleghem (Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen, Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden en Schnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af van Snello, dat is gezeid: de snelle, de vlugge.
By eenige geslachtsnamen, patronymika op en, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over 't algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamen Dyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, Vinken en Vossen meervoudsformen te zien van de woorden, dijk, roos, staal, ster, struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijn zy dit laatste in der daad. Over de namen Fene en Fere, waar van Veenen en Veeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan. Dike, waar Dyken van komt, met Dykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, Dykens en Dijksen, ook met Diekenga en Dikena in Oost-Friesland, en met † Dicing dat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking van Dideke, dat weêr een verkleinform is van Dide.--Roozen, met Roosen, misschien ook met Rose en Roos, stamt van den oud-nederlandschen, door Leendertz vermelden mansnaam Roos, die ook door Förstemann als oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaam Roos oudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijn Rosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozenga in onze friesche gouen, Rösing in Oost-Friesland, Roosens, Rooses en Reusens in Vlaanderen; en van de verkleinformen: Roosjen in Friesland, Roosjes en Roskes in Holland en Brabant, Röskens in Oost-Friesland.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en alle geslachtsnamen die er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden dat Stale of Stalle, Sterre of Stere of Star, Struuk, Finke (verkleinform van Finne) en Fosse allen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.
Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Franken en Sassen, met Franke en Sasse in versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men § 69 nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamen Thoden, Tholen, Tjaden en Uden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy men Tholen misschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika op en, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamen Thode of Tode, Thole of Tole, Thiad of Thiado, (door de Friesen als Tjaad uitgesproken, zie bl. 62) en Udo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor als Udeke (Udico), Oedke, in middeleeusch friesch Oedtse (k = ts), tegenwoordig meest Oetse, Oetzen en Oeds gespeld. Van Thole hebben wy nog de geslachtsnamen Tholema, Tholing, Tolings, Tolens en misschien ook Tool. Van Thiado, Tjaad kwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamen Thiadama en Tyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. En Udo, Oeds heeft oorsprong gegeven aan Oedsma en Oetsma, Oetzes en Oetzen, Udinga, Udema, Udens en Udink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinform Oetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook wel Oetgen schreef, en in Brabant als Oetken; van daar de geslachtsnamen Oetjes, Oetjen en Oetgens en Oetkens. Te Amsterdam is een Oetgenspad, en Oetingen (patronymikon van Udo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.
§ 41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-n achter de woorden niet uit; in § 35 is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonlooze e eindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen op en uitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen op en, als de namen op se (Pieterse) staan tot de namen op sen (Pietersen),--oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-n tot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy: Bane en Baane, Boone, Faasse, Huighe, Koene en Kuene, Koppe, Louwe, Nolte en Steene. Over Faasse en Nolte (Faassen en Nolten) zie men bl. 88 en bl. 101. Huige en Huighe komen van Hugo; zie bl. 100. Koene (Koenen komt ook voor) is het versletene patronymikon van Koen, de gewone verkorting van Koenraad; dit Koen (Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden. Kuene (en Kuenen, dat ook voorkomt, benevens Kühnen, Kühne en Kühn op hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam. Koppe en Koppen komen van Kop, een der talryke volkseigene verkortingen van Jacob; zie bl. 93; zoo ook Louwe van Lou, eene hollandsche verkorting van Laurens.--Bane en Baane, Boone en Steene, met de volle formen Banen, Boonen, Steenen en Steinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn. Bane is tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. Behalve Bane, Baane en Banen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamen Banema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, en Bahntje in verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaam Bono, Bone is tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam. Leendertz heeft hem nog in zyne naamlijst als Boontje, in den verkleinform. De geslachtsnamen Boning (in Engelland), Boninga (in Groningerland), Böning (in Duitschland), Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamen Boninghall, in Salopshire, Engelland; Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk); Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.
De mansnaam Steen, ook Stein, Stien en in Skandinavie Sten, is geenszins zoo zeldzaam als Bane en Bone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid--om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: † Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, Steensen en Steenis; zie bl. 98.
§ 42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform op en minstens even oud als die op s, zoo hy niet ouder is. Maar de form op en is uitgestorven, terwijl die op s behouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in 't eene gewest eerder, in 't andere later, dat het volk dien form op en niet meer verstond; dat het de beteekenis niet meer kende van patronymika of toenamen als Huigen en Joosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, op s uitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen die Pieter Joosten heette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man--gesteld de jongen heette Klaas--niet Klaas Pieterszoon of Klaas Pieters, zoo als d'oude zede vorderde, maar Klaas Joostenszoon of Klaas Joostens. En dit Joostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen op ings, inkx, die in § 18 en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.
De geslachtsnamen op ens zijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen: Bertens, Dierkens, Eppens. [57] Behalve de algemeen nederlandsche mansvóórnamen Bert, Dierk (Dirk, van Diederik saamgetrokken), Hugo en Rijk, van Bertens, Dierkens, Huigens en Rykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen, Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeue of meest Lieue (Lieuwe), Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe (Tjebbe), Tonco, Ubbo, Uilke (zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden: Eppinga (Epping in Engelland--Epping-forest, een bekend engelsch woud), Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, Ubbinga en Uilkema.
Deze geslachtsnamen op ens zijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooals Martens en Feltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn op s, en dus tot de groep behooren die in § 37 behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit op en. Marten en Felten zijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namen Martinus en Valentinus.
En evenmin moeten de geslachtsnamen op ens verwisseld worden met anderen die ook den uitgang ens vertoonen, maar die toch tot de groep der eenvoudige genitiven op s behooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (ken en tjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eene n daarachter, in de noordelike zonder die n (als ke en tje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus, en en s, ens, meer in het noorden t'huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn: Arekens, Bollekens, Boomkens. [58] Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinform op en (Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen als Bantjes, Brantjes, Buyskes, [59] ontleend aan verkleinformen op tje en ke, zonder slot-n.