De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 1
DE NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN In oorsprong, geschiedenis en beteekenis
Door JOHAN WINKLER
Goedkoope uitgaaf Haarlem H. D. Tjeenk Willink
Boeck, ey soo men di wil laecken, Segg' dat si yet beters maecken. Laecken end maecken is groet verscil, Dye nyet en can maecken magh swigen still.
?
D'æbarre traeppet plomp yn 't gnod, Oer 't goe kruwd hinne in sykt de Podd'. Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje, Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje.
Gysbert Japicx.
Wy willen gheerne 't onse om een beter gheven, Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene. Maer qualick can ment elck te passe gheweven: Want niemant volmaeckt, dan God alleene.
Marcus van Vaernewyck.
VOORBERICHT.
In dit boekwerk bied ik mynen land- en volksgenooten de vrucht aan van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschiedkundig gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de beteekenis der hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen.
Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden, als waar mede het geschreven is! Maar dit is naueliks te denken. Immers byzonder veel genoegen verschafte my het opstellen van dit namenboek. Allerlei verrassende, ten deele ook belangryke uitkomsten verkreeg ik, vooral op taalkundig gebied, by myne navorschingen in deze zake. En dies leverde my mijn arbeid zoo veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat ik in 1873 schreef by 't voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch en friesch Dialecticon. Te weten deze woorden: »de arbeid, aan mijn boek besteed, was my zoo aangenaam »(en leerrijk)", dat, waneer door een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond na dat ik de laatste letter er van op het papier zette, was vernietigd of verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn werk beloond zoude gerekend hebben, door het genot dat ik er door gesmaakt had."
De Nederlanders in 't algemeen hebben tot nog toe, in wetenschappeliken zin, weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen geschonken. Immers meen ik dit te mogen afleiden uit de omstandigheid dat zy er zoo weinig over geschreven hebben. Alles wat er tot nog toe hier te lande over dit onderwerp in het licht kwam, bestaat uit eenige weinige, veelal kleine en min belangryke opstellen, verspreid in verschillende tijdschriften van deze eeu. Het belangrijkste daar van, wat de nederlandsche geslachtsnamen in 't algemeen aangaat, is zekerlik de »Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen", van Mr. L. Ph. C. van den Bergh. Ook mag ik, met de noodige bescheidenheid, daartoe tellen de opstellen over de friesche geslachtsnamen die, voor en na, van myne eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De vrije Fries en De Navorscher.
Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- en geschiedkundig onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als men in aanmerking neemt aan den eenen kant de zeer byzondere en eigenaardige belangrijkheid der nederlandsche maagschapsnamen in taal- en geschiedkundig opzicht, en aan de andere zyde waarneemt dat onze hoogduitsche stamverwanten reeds zoo veel belangrijks en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen in verschillende, meestendeels wetenschappelike werken, aan het licht gebracht hebben.
Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon voelde ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onderwerp myne onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat ik toen zoo bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig-nederlandsch onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven vond, noopte my tot jaren lang voortgezet verzamelen van boustoffen en gegevens, eer ik daar aan denken kon, mijn onderwerp nader uit te werken. In der daad, gedurende verscheidene jaren heb ik een goed deel myner anders ledige uren besteed aan het samenbrengen en ordenen van alles wat ik noodig had tot het schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite en veel arbeid, mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door geworden en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds meermalen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking my te verheugen en te roemen, voor dit geslachtsnamenboek stond ik aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het werk is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Opsettelik heb ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis genomen van het gene door onze hoogduitsche stamverwanten geschreven is over hunne geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo nau aan de onzen verwant zijn. Zelfs het werk van Pott, [1] dat zeker te recht by onze oostelike buren als een standaard-werk over dit onderwerp beschoud wordt, en heb ik met opset nooit geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien. [2] Men moge meenen dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden en zuiver nederlandsch, overdreven is en slechts tot schade voor de volledigheid van dezen arbeid kon gedyen! Wel! ik heb nu toch de voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen landsgenooten, mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. En hier in verblijd ik my.
Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit het Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel als uit Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Limburg zoo wel als uit Zeeland en Gelderland de namen by elkanderen gebracht. En ik heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. Maar omdat ik mijn leven lang nooit ergens elders gewoond heb als in Friesland en Holland, zoo zijn my natuurlik de friesche en hollandsche namen bekender en eigener als die uit andere gewesten. Intusschen, het ontbreekt my in geen der andere oorden, in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland, aan vrienden en bekenden die my geerne de behulpsame hand boden, door my adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten, enz. uit hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild floeiende bronnen ter verzameling van byzondere namen.
Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den opmerksamen lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschreven is, eeniger mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling van de hedendaagsche hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan ook geen Hollander. Een Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed Nederlander. Waarom zoude ik dan my zelven dwingen om myne gedachten, gelijk zy in friesche bewoordingen, en vooral in friesche formen, in mijn friesch brein ontstaan, kunstmatig om te zetten in schoolsch-hollandsche woorden en formen? Zoo doende zoude ik zelve mijn eigen werk bederven, mijn stijl gekunsteld, stijf, gewrongen, onnatuurlik, leelik maken. En zoo dwaas ben ik niet. Ook in deze zake geldt my »Vryheid, blyheid." En al is dan myne taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch schoolmeesters-hollandsch,--goed-nederlandsch, zuiver dietsch is zy zeker. Zy is louter. Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon, dat ik herhaalde malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met het anders al te vaak voorkomende woord vadersnaam), is alles zuiver nederlandsch. En dat kan men van de meeste werken der hedendaagsche Hollanders niet getuigen. Ach neen!
Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen waar mede hollandsche geleerden, zeer verdienstelike en hoog geleerde mannen, maar wier opvatting van taal niet de myne is, ons aller algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters klinken. Toch is myne kettery niet al te bar, zoud' ik meenen. De man, die onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen oorsprong, moet my gelijk geven als ik b. v. aleen (al en een), waneer (wan en eer), Engelland (het land der Engelen of Angelen), enz. schryve, in stede van alleen (al en leen?), wanneer (wan en neer?), Engeland ('t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik in Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou en de woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in schoolschen waan bevangen, aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel voorbeeld te noemen: in het gebruik van het woordje dan, in plaats van als, na den vergelykenden trap der byvoegelike naamwoorden. Waar de doode regel van den schoolmeester in strijd is met den regel dien de levende spreektaal volgt, daar geldt voor my slechts de laatste. Hier en daar, waar het pas gaf en het my zoo vryelik behaagde, heb ik ook gebruik gemaakt van 't oude loochenwoordeken en, dat wel door onze hedendaagsche taaldwingelanden verworpen is, maar dat in den volksmond, vooral in onze zuidelike gewesten, en ook hier en daar in Holland, nog leeft, en dat door de beste vlaamsche schryvers nog wel gebezigd wordt, terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal verleent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden, waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan, en juist zoo als op dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt of uit de pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my, naar eigen welbehagen, en in spijt van wien er zich aan moge ergeren.
Dat ik eene, zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet verwachten. Menig man zal, om menige redenen, in arren moede dit geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak dat vele lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk van hunne namen. O! bewijs dien ryken en verwaanden opkomeling niet dat zijn geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen oorsprong is! Toon dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn maagschapsnaam, die nu in spelling een weinig anders is als de gelijkluidende naam van zynen burgerliken buurman, met dien naam oorspronkelik geheel en al eenzelvig is. Immers en zal hy u geen dank wyten. Maar zoo hy u al niet met hoon en smaad overlaadt, zal hy, in het beste geval, uit der hoogte en met voorname minachting op uw werk en misschien op u-zelven nederzien. En dan nog, hoe vele lieden--ja immers een zeer groot gedeelte der menschen, is aangaande zynen geslachtsnaam wat oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen bevangen! Vooroordeelen, die in den regel reeds als erfdeel hunner voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om verre te werpen, zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden niet van hunnen ydelen waan! Gy en zoudt daar geen eere mee behalen. En dank even min. O! ik heb dit herhaaldelik ondervonden.
Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de nederlandsche letterwereld in.
Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my, by de samenstelling er van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid heb ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namenboek (even als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude wezen voor den eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb ik getracht het niet geheel verwerpelik te doen zijn voor den geleerde, voor den taalkundige en den geschiedvorscher in d' eerste plaats. Ook zal de man, die zich met de geschiedenis en het wezen der beschaving van ons volk inlaat, en die geerne d' uitingen van ons volksleven gadeslaat, dit boek, zoo ik hope, niet zonder eenige voldoening ter zyde leggen.
Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn op het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen, eenvoudig, sliucht end riucht.
Moge men het, in dezen zin, welwillend aanveerden!
Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van
Haarlem, Midzomer, 1885.
Johan Winkler
INLEIDING.
§ 1. De eerste menschen, of liever zy, wier namen het eerst in onze geschiedboeken vermeld worden, hadden, ieder voor zich, maar éénen enkelen naam. By alle volken der oudheid, by Joden, Egyptenaars, Grieken, Romeinen, by allen, van welken stam ook, was dit oorspronkelik het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor eenen enkelen persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroeger de menschen leefden, wier namen ons bewaard gebleven zijn, hoe eenvoudiger hunne namen waren. Later kwamen ook samengestelde namen in gebruik, en nog later namen de menschen, de machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen aan. Van die twee namen was echter slechts één de eigenlike naam, die uitsluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam was gewoonlik een patronymikon of vadersnaam, soms ook oorspronkelik een by- of toenaam van den man zelven of ook wel van zynen vader; in het laatste geval gold die naam dan voor al de kinderen van eenen en den zelfden vader. Deze tweede namen werden in verloop van tijd ook wel erfelik; zy gingen niet alleen van den vader op den zoon, maar ook wel op de kleinzonen over, en op de volgende nakomelingschap. Dit was de oorsprong van de geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene en de zelfde maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen, volkomen in den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd aan dat woord hechten, hadden de ouden niet. Deze zaak was by hen niet, of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen en afleggen van namen, vooral van by- en toenamen, die de plaats vervulden der hedendaagsche geslachtsnamen, gingen de oude volken zeer willekeurig te werk. En onze eigene voorouders vóór 1811, toen de wetgeving op den burgerliken stand, en daar mede op de geslachtsnamen, geregeld werd, deden niet anders.
Juist zóó als by de volken der oudheid, is ook de geschiedenis der persoonsnamen, en der daaruit ontstane geslachtsnamen by onze eigene voorouders, by de Germanen in 't algemeen. De oudsten onzer voorouders, 't zy ze van frieschen of van saksischen stam waren, 't zy ze deel uitmaakten van de talryke kleine stammen--Batauers, Kaninefaten, Maresaten, Sicambriers, Taxandriers, Morinen, Menapiers, waar van er velen later zich onder den naam van Franken vereenigden--zy allen droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te eenvoudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo, Edo, Fritho, Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren, by honderden in getale, by de verschillende volken van germaanschen bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden in gebruik gebleven; by de Friesen vooral is dit met betrekkelik velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, by toenemende volkrijkheid, waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den zelfden stam, soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus verre elk op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen Gero en Hart b.v. maakte men Gerhart (Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en Win formde men Athalwin (Alewijn), en Thiudo (Tiede) en Rik voegde men samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige of andere wetten gebonden, behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstammen Gang en Olf of Wolf zoo wel Gangolf maken als Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hartger; beide formen komen voor. Men had dus tamelik vry spel, en vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen by honderden telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon men honderd-duizenden van nieue namen formen. By duizenden zijn deze samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden; by honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch.
Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. Integendeel! zy hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren het allen eenvoudige woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De namen werden toen nog door het volk verstaan; het waren zinryke namen, en als zoodanig verstond men ze. En wijl alle Germanen oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal gesproken hadden--hoe wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en woordenschat by de verschillende stammen--zoo verstonden ook allen deze namen, en gingen die namen, zonder bezwaar, van den eenen volksstam tot den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer deze, by het andere meer gene namen in gebruik, en kon men dus daar uit, met eenige zekerheid, afleiden, tot welk volk, tot welken stam, tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. Maar overigens hadden de namen weinig kenmerken waar uit men weten kon, van welk volk of welke maagschap de dragers dier namen deel uitmaakten. Er waren geene algemeene namen, aan al de leden van een enkel geslacht eigen, en waaraan men elkanderen kennen en herkennen kon. In deze leemte, welke zich, by de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds drukker wordende verkeer der menschen onderling, hoe langer hoe meer deed gevoelen--in deze leemte werd voorzien door den kinderen samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of moeder, zoo deze namen enkelvoudige naamstammen waren, of ook deelen van de namen der ouders, zoo dezen reeds samengestelde namen voerden, in voorkwamen. Heette de vader b. v. Bruno en de moeder Hildigunda, dan kregen de zonen dezer echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun, Brunolf, de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gundtruda. Deze samengestelde namen waar de namen of naamstammen van vader en moeder in voorkwamen, waren eene eerste, zwakke poging om algemeene namen te formen, die aan alle leden van een gezin iets eigens gaven, waar door zy zich van anderen onderscheidden, en als kinderen van één paar ouders, of als afstammelingen van eenen enkelen stamvader, aan anderen kenbaar waren. Later bereikte men hierin beter doel, door ware patronymika te formen; te weten, door den uitgang ing, op zich zelven een oude naamstam, te voegen achter den naam van den vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athalbercht heette, den naam droeg van Athal, dan noemde deze jongeling zich Athalbercht Athaling, dat is Athalbercht zoon van Athal, ter onderscheiding van anderen die ook wel Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal waren. (Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal Albert Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen in gebruik gekomen waren, was er eenen grooten stap voorwaarts gedaan, ter verkryging van geslachtsnamen. Immers niet aleen Athalbercht voegde dat patronymikon Athaling achter zynen eigenen naam, maar ook zyne broeders Athalgar (Alger), Athalwin (Alewijn) en Athalhart (Allart) deden eveneens, wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen waren. En zoo hadden zy, alle vier gebroeders, in dien gemeenschappeliken vadersnaam eenen band die hen verbond, en waren ze ook aan geheel vreemden, als broeders, als zonen van éénen zelfden vader kenbaar. Deze patronymika, als oorsprong van duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts- en plaatsnamen, zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger behandeld en verklaard.
Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, waren deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle gebruik, en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu kwamen er ook andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding van personen. Dit waren soms bynamen, afgeleid van de eene of andere persoonlike eigenschap van de dragers dier namen, of ontleend aan plaatsnamen, of aan andere byzondere zaken. En het bleek soms, dat deze namen zoo vast verbonden waren aan de personen die ze droegen, dat zy ook op de zoons van die personen overgingen, en later op de kleinzoons; met andere woorden dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze om vadersnamen of patronymika te formen, in zwang; eene andere wyze dan de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing achter den vaders naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uitsluitend in dien form, was het woordje ing in onze taal als 't ware versleten geraakt. Het had by het volk zyne beteekenis verloren; men verstond het niet meer. De namen die op ing uitgingen, en die er nu eenmaal waren, bleven wel voor en na in gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een jongeling die Wolther heette, en zijn vader droeg den naam van Bruno, dan noemde hy zich nu niet meer, naar oude zede, Wolther Bruning, maar Wolther Bruyns soen, Wouter, de zoon van Bruin,--wat overigens geheel op 't zelfde uitkomt.
§ 2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne vaste, vaak afgezonderd liggende woonsteden te verlaten, en door andere gouen te trekken, door verre landen te zwerven. Zy kwamen, zoodoende, veelvuldig met andere, tot dus verre hen geheel onbekende menschen in aanraking en verkeer. Zy kregen hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by- of toenamen, ter onderscheiding van de gelijknamige personen, die zy in andere plaatsen gezeten vonden, en die dikwijls in hun gezelschap naar het Heilige-land trokken. Immers vroeger, op de eenzame hoeve, mocht één enkele naam, Hugbrecht b. v., voldoende geweest zijn voor éénen enkelen man,--vroeger, in het kleine dorp waar maar twee mannen waren die Hugbrecht heetten, mocht het voldoende geweest zijn, zoo men dien eenen man Hugbrecht Woltering noemde, naar zynen vader Wolter, en den anderen man Hugbrecht Bernding, naar zynen vader Bernd (Bernhart)--thans, onder die duizenden kruisvaarders, onder dat groote getal tochtgenooten, waar mede zy gezamentlik naar 't Heilige-land trokken, waren er zoo velen die Hubrecht heetten! Maar er waren slechts weinigen, soms was er ook niemand by de schare, die wist dat de vader van den eenen Hubert den naam had gedragen van Walther, die van den anderen den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een Woltrink, de andere een Bernharding was. De noodzakelikheid drong dus spoedig om die verschillende Hugberts van elkanderen te onderscheiden. En daarop wist het redzame volk wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had, noemde men Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met de scherpte van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem weldra, eerst spottender wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. De vierde eindelik had zich in zyne woonplaats Keulen by 't heir der kruisvaarders gevoegd; dies noemde men hem Hubert de Ceulenaere. En die bynamen bleven in gebruik zoo lang de kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de personen hechten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren terug gekeerd, en gingen ook later wel op hunne kinderen over.