De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Part 5

Chapter 53,743 wordsPublic domain

Ofschoon de Engelschen en Hollanders zich meer vijanden dan bondgenooten voelden, zouden zij toch spoedig nog eens gezamenlijk een tocht ondernemen op bevel van den raad van defensie. Voor de chronologische volgorde komt het mij echter geschikter voor, eerst eenige andere ondernemingen der Hollanders te behandelen, die zij van de Molukken uit tegen de Philippijnen op touw hebben gezet. Herhaaldelijk hadden de Hollanders reeds getracht in vriendschappelijke verhouding te komen met de bewoners van Mindanao en den Soeloe-archipel, maar veel voordeel hadden deze pogingen niet opgeleverd. Dit lag natuurlijk grootendeels aan de weinige kracht en volharding, die wij toonden om de aangeknoopte betrekkingen in eene duurzame vriendschap te doen overgaan. Weinig kracht? Weinig volharding? Ja zeker! maar het zij verre dit den Hollanders te verwijten. Niet overal konden zij evenveel energie ontwikkelen. Vroeger had de vijandschap met de Engelschen veel van onze krachten gevergd en na het accoord met hen moesten wij zorgen den handel te behouden in de plaatsen, waar wij die bezaten, zooals de Molukken, Banda en Ambon [102]. Ook met de inboorlingen in de Molukken stonden wij op zeer gespannen voet. Te verwonderen was dit niet; wij wenschten monopolie, weerden alle kooplui en voorzagen bijvoorbeeld de Ternatanen niet van de noodzakelijke levensmiddelen. Zij moesten nagelen plukken--en wij gingen met de voordeelen strijken. En de forten opgericht om hen tegen de Tidoreezen en Spanjaarden te beschermen, moesten ter bezuiniging worden afgebroken. Lam keurde de harde behandeling, die de Ternatanen ondervonden, af, en dus werd hij als gouverneur in 1621 vervangen door Frederik de Houtman. Coen wilde gehoorzaamd worden. Veel had hij ondernomen en veel ten uitvoer gebracht. Zijne middelen waren dikwijls ruw, hard en wreed, niet evenredig aan het doel, zouden wij negentiende-eeuwers geneigd zijn te zeggen, maar wij houden de woorden terug: de objectieve historicus bedenkt zich, dat Coen geen grootscher doel kende, dan het bevorderen, uitbreiden van de macht der O.-I. Compagnie; hij herinnert zich dat het volk in den tachtigjarigen oorlog en in den krijg in den Archipel gewoon was geraakt aan bloedige tooneelen. En wat zeker niet het minst moet bijdragen tot zachter oordeel over Coen, is, dat men de inlanders niet als menschen beschouwde, maar als andere lager staande wezens. Hoe het ook zij, Lam werd teruggeroepen en Houtman vertrok met de voor de Ternatanen harde instructie, dat eenige forten geslecht moesten worden. Hoe nu aan deze instructie ook door Houtman niet is voldaan, zal eerst later door mij meegedeeld worden. Voorloopig wilde ik het slechts even aanstippen om te wijzen op de moeilijke omstandigheden, waarin wij verkeerden, een der redenen waarom wij zoo weinig gehoor gaven aan de vriendschapsaanbiedingen der inboorlingen van de Philippijnen, waarvan vele, als de bewoners van Mindanao, in voortdurenden strijd leefden met de Spanjaarden. Maar ook onze geringe bekendheid met het land had hieraan schuld. Wij wisten niet of zulk een tocht behalve den afbreuk onzen vijand aangedaan, ons wel genoeg voordeel zou opleveren. Toch besloot Coen, al waren de inlichtingen, die hij had verkregen ook oppervlakkig, een poging aan te wenden om iets meer over Mindanao te vernemen. In de instructie aan Fred. de Houtman, werd dezen, toen hij 11 Juni 1621 als gouverneur naar de Molukken vertrok, het volgende hieromtrent opgedragen: "Alsoo verstaen dat de Comp. op Mindanao seer goeden dienst gedaen can worden, sal UE. derwaerts een schip oft jacht met een goet cargasoen en bequaem coopman senden, soo haast de gelegentheit becompt, en dat principalyck om gout, was, slaven tegen cleden te verhandelen" [103]. Reeds zeer spoedig vond De Houtman gelegenheid derwaarts geschenken te zenden en tevens de komst van een schip te doen aankondigen. Den 12en Juli 1621 schrijft hij hieromtrent aan Coen: "Vernemende, dat eenige Duitsen op 't eylant Solo bij Tagama [Basilan] bij Mindanao gecomen waren, vermoeden derhalve 't jacht Ternate daeromtrent zou zijn verongeluckt, hebben een Chinees schipper, die jaerlycks derwaerts vaert en ons volck de tijding gebracht had, een brief aan den coninck medegegeven met een geschenk en een tulbant. Alsoo mede de Koningen van Mindanao en Boaya nu omtrent 3 jaren tegen elkaer in oorlog zijn geweest, hebben aan ieder derselve een brief in 't Maleisch met een present gesonden en [verzocht] vrienden als te voren te worden, als oock [kennis gegeven] dat wij voornemens waren een schip derwaerts te senden" [104]. Bij beloften bleef het niet. Reeds den 22en Sept. 1621 zond hij het vaartuig De Hont met Christaen Francxz als opperkoopman naar Mindanao. In de eerste plaats moest deze, op dit eiland gekomen, zeggen, dat hij door De Houtman gezonden was, om zoo mogelijk den koning met dien van Boaya vrede te doen sluiten. Hiertoe moest hij alle "devoir aanwenden, belofte doende teeniger tijt een armade daer sullen senden om den Spanjaert onsen gemeenen vijandt alle afbreck te doen"; verder onderzoeken welk profijt voor den handel men zou kunnen bekomen en welke soort van kleedingstukken er den meesten aftrek zouden vinden. De Houtman had gehoord, dat er veel stofgoud op Mindanao gevonden werd; hier moest hij wat van koopen en tevens nagaan of het diep uit het binnenland kwam. Omtrent Tanda [105] "aan de Noordzijde" van het eiland Mindanao moest hij vernemen of daar werkelijk zooveel goud gevonden werd als men zeide. Voorts had hij onderzoek te doen welk soort van fort de Spanjaarden daar bezaten, hoeveel manschappen er in lagen en of men het met eenige macht niet zou kunnen veroveren. Van de ligging der bergen, waarin zich de mijnen bevonden, werd hem opgedragen zich op de hoogte te stellen, of wij daar gemakkelijk konden komen, welke wapenen de bewoners gebruikten, of zij nog heidenen waren, enz. Ook omtrent de hoeveelheden was en kokosolie had hij berichten in te winnen, terwijl hem aanbevolen werd een paar sterke slaven, inboorlingen der Philippijnen (Bisayas), te koopen. Het eiland Basilan zou hij ook aandoen, alsmede Soeloe (het eiland ten zuiden van Basilan liggende). Zooals De Houtman den 12en Juli aan Coen had geschreven, vermoedde hij, naar aanleiding van het bericht als zouden zich op Soeloe eenige "Duitsen" bevinden, dat aldaar het jacht Ternate gestrand was, hetwelk in 1620 van Jacatra over Soekadana, benoorden Borneo om naar de Molukken zou gaan. Indien dit vermoeden juist bleek, werd Francxz gelast pogingen aan te wenden om het volk, geschut en geborgen goederen terug te bekomen. Verder moest hij zijn verblijf aldaar ten nutte maken om te vernemen of de schoone paarlen, die aldaar gevonden werden, op het eiland zelf aan de Spanjaarden werden verkocht, of waarheen de inwoners ze anders vervoerden. Voor het een en ander werd Francxz een cargasoentje meegegeven van 3924.16 realen. Kon hij eenig voordeel op de Spanjaarden behalen omtrent La Caldera dan moest hij dit natuurlijk niet nalaten. Veel tijd zou hij daar echter niet voor hebben, daar in zijn instructie uitdrukkelijk werd vermeld, dat hij zoo spoedig mogelijk, in ieder geval tegen ultimo December, moest terug zijn om "neffens d'ander schepen op den vyant uyt kruuzen te mogen gaan" [106]. De instructie is duidelijk genoeg. Men stak de voelhoorns uit om te ontdekken of er met voordeel eenige handel gedreven kon worden. Waren zij nog heidenen, dan zou deze handel gemakkelijker te verkrijgen zijn dan van de ons vijandig gezinde Mohammedanen of Katholieken. Van het resultaat van dezen tocht is mij zeer weinig bekend. Den 20en Dec. 1621, kwam Francxz te Ternate terug, maar het door hem gehouden journaal, waarin een nauwkeurige beschrijving en kaarten der bezochte plaatsen voorkwamen, en dat Coen werd toegezonden, schijnt verloren te zijn gegaan [107]. Uit een brief van De Houtman aan bewindhebbers weten wij, dat het jacht Ternate niet op Soeloe gestrand was, maar volgens gerucht op zeker eiland Mingidara d. i. het landschap Mangidori op de noordkust van Borneo [108]. Zooals wij uit de instructie gezien hebben, moest Francxz in ieder geval vóór ultimo December weer terug zijn om met andere schepen op den vijand te kunnen gaan kruisen. Hiertoe werden De Maen en hetzelfde schip De Hond bestemd, die den 8en Febr. 1622 opnieuw onder bevel van Francxz uitzeilden. Houtman had hem opgedragen, dat hij zich eerst naar La Caldera zou begeven om den Spaanschen schepen, die mogelijk van Manila naar de Molukken zouden gaan, den doortocht te beletten. Ook moest hij trachten de vorsten van Mindanao en Boaya te verzoenen; mocht een hunner reeds de hulp der Spanjaarden hebben ingeroepen en de andere onzen bijstand verzoeken, dan moest hij dit verzoek voorloopig van de hand wijzen onder voorwendsel van een noodzakelijken tocht naar Japan. Daarna, aldus luidde de last, zou hij zich van Mindanao naar kaap Spiritu Sancto begeven om tot 1 Juli op 's vijands zilverschepen te kruisen, die in Mei of Juni aldaar verwacht werden [109]. Den eersten Juli moest hij den steven westwaarts wenden en door straat Bernardino naar het eiland Capoel zeilen om zich aldaar te ververschen en vervolgens te trachten het in Juli of Aug. van Manila naar Nova-Spanje vertrekkende Spaansche schip buit te maken. China of Japan was het einddoel van zijn tocht. Het resultaat is in korte woorden te melden. Zonder iets verricht te hebben, bereikte Francxz Spiritu Sancto en kwam hier "in het holle water", waar de schepen zoo lek werden, dat zij zich verplicht zagen naar Firando te gaan. Daar werden zij aan den wal gelegd en gesloopt [110]. Tot nu toe hadden dus de bewoners van de zuidelijke Philippijnen nog niet veel bijstand van de Hollanders verkregen. Toch verloren de vorsten van Mindanao en Soeloe het geduld niet. Herhaaldelijk riepen zij onze hulp in tegen de Spanjaarden. Maar hoe gaarne ook, wij waren er niet toe in staat, "wij mogten er niet eens aan denken". Den 28en Febr. 1624 schreven de gouverneur-generaal en raden aan Jacques Le Febvre, gouverneur der Molukken: "De koningen van Mindanao, Solock en Serengany, zoo nog om assistentie aanhouden, zal UEd. mogen aandienen, hoe dat wij alreede eene groote magt naar de Manillas tot afbreuk van den Spanjaard gezonden hebben, dat het ons derhalve niet wel mogelijk is geweest voor dezen tijd hen over de Molukkos (volgens hun verzoek) t'assisteren; hen met een verzekerende, als des vijands magt in Manilla verbroken wordt, dat hunne landen het soulaas daarvan gevoelen zullen; recommandeert hun, bijaldien eenige van onze schepen daar kwamen te paseeren, denzelven allen vriendelijk onthaal en ontzet van verversching te willen doen.... Dit is al de troost, die wij hun voor dezen tijd geven kunnen" [111]. En deze was wel gering: de koningen van Mindanao en Soeloe hadden reeds ingezien, dat zij hun politiek moesten veranderen. Zij maakten vrede met de Spanjaarden en meldden dit aan Jacques Le Febvre, zich verontschuldigende, dat zij het slechts pro forma hadden gedaan om den Spanjaard "te abuseeren". Ondanks deze geruststelling schrijft Le Febvre in waarschuwenden zin aan Pieter de Carpentier: "'t Staet te beduchten van onze assistentie tegens den Spangiaert beginnen te twijfelen. 't Waere niet goed, [dat zij zich] metten Spangiaert vereenichden......, daar in willichden forten te maecken, gelijck men hier rucht". Ook gouv.-generaal en raden betuigen hun spijt aan bewindhebbers over het sluiten van het verdrag en wijzen dan vrij uitvoerig op het nut, dat het eiland zou kunnen aanbrengen. "De koningen van Mindanao en Solock zijn zoolang van ons met belofte van adsistentie gevoed geweest, dat zij eindelijk, ziende daar niets op volgde, met de Spanjaarden bevredigd zijn..... 't Is wel te gelooven, dat zij het niet regt met den Spanjaard meenen, maar ondertusschen brengt de tijd zulke verandering mede, dat zij zich zoo ligt niet van hem zouden kunnen ontlasten als zij wel voornemen. De koning van Serengany heeft mede zijn Goegoege aan den koning van Ternate en aan ons gezonden, om assistentie tegen den Spanjaard te verzoeken, die alreeds een fort op Bessaye gelegd had; op dit eiland [deze kust] van Bessaye heeft de vijand negen vlekken onder contributie, waarvan de drie hem 370 tayl goud 's jaars opbrengen, behalve nog tribuut van rijst en andere victualiën tot onderhoud van zijn garnizoen; d'andere plaatsen geven mede naar hun vermogen, in voege dat de vijand dit fort buiten zijne lasten met profijt is houdende. De inwoners van Serengany, Bessaye en d'omliggende landen zijn meest heidenen, die ligtelijk tot het Christengeloof kunnen gebragt worden, tot welken einde de Spanjaarden daar eene kerk gebouwd hebben, trachtende vast de heidenen tot hun geloof te trekken. 't Is een volkrijk land, geeft veel goud, was, honing en schoone rijst in abondantie; item varkens, hoenderen, bokken, visch en allerhande lijftochten. De Ternataan heeft zijn oog mede op deze plaats geworpen. Zoo het mogelijk is, zal hij dezelve trachten onder zijne subjectie te brengen en Moorsch te maken. Wij verstaan, dat op Mindanao en de landen daaromtrent volk in menigte zoude te bekomen wezen, die nog heidenen zijn, ongelijk beter slag en laborieuser als de slaven, die van de kust gehaald worden, zeer bekwaam om UEds. landen te peupleren. Zoo wij de middelen hadden die kwartieren met eene redelijke magt en ervaren personen eens te bezoeken om volk vandaar te halen, wij meenen de Compagnie dienst daaraan geschieden zoude" [112]. Deze berichten worden aangevuld door den brief van Le Febvre aan den gouverneur-generaal, waaruit deze met zijne raden hunne gegevens putten. Het fort der Spanjaarden te Bessaye, Lappetau geheeten, waartegen de vorst van Sarangani onze hulp en die der Ternaten inriep, hoopte hij met twee à drie schepen en de hulp van eenige Ternatanen te vermeesteren. Het lag ongeveer een etmaal zeilens van Tandó, bezuiden Pto Cauit [113] aan de oostkust van Mindanao en was bezet met 30 soldaten. Onder de bescherming van het fort was een kerkje gebouwd, dat bediend werd door een daar wonend priester, die met grooten ijver de heidenen tot het katholicisme trachtte te bekeeren. Le Febvre raadde nu aan om de Spanjaarden vandaar te verdrijven en dit te eer, omdat den Bessajers de heerschappij der Spanjaarden, van wie zij veel overlast leden, verdroot en zij, nog heidenen zijnde, gemakkelijk tot het Christendom konden bekeerd worden. De onderneming moest echter geschieden zonder hulp van de Ternatanen, omdat deze ze "Moorsch" zouden maken. Wanneer we er toe overgingen, dan, raadde de gougou van Sarangani, moesten we het Spaansche fort slechten en een ander bouwen in het midden van Bessaye te Liangan [114]. In het volgend jaar berichtte Le Febvre weder het een en ander aan de bewindhebbers omtrent Mindanao. Er was namelijk een gezant vandaar bij hem gekomen, met zich brengende een brief van den koning. Hierin werd gemeld, dat de koning van Solock met dien van Mindanao in oorlog was geraakt, dat eerstgenoemde door de Spanjaarden werd gesteund, tengevolge waarvan de Mindanaers nu hoopten op Nederlandsche hulp. Volgens den gezagvoerder van de jonk, die den gezant had overgebracht, was Mindanao zeer vruchtbaar. Hij maakte zich sterk elken moesson wel 200 lasten rijst, à 50 realen het last, te kunnen leveren, behoudens veel arak; ook klapperolie, varkens en andere provisie was er vrij goedkoop te bekomen en niet te vergeten ook slaven, "alles in mangelinge van cleeden". Ook deze gezant moest met een kluitje in het riet gestuurd worden: het kwam nu niet gelegen, maar den volgenden moesson zouden wij er op letten [115]. Ook dien volgenden moesson echter ontbraken de middelen nog, waarvan het gevolg was, dat bij resolutie van 30 Oct. 1625 de tocht voorloopig werd uitgesteld.

HOOFDSTUK IX.

De eerste tocht, dien de Hollanders en Engelschen gezamenlijk naar de Philippijnen hadden ondernomen, was, zooals wij medegedeeld hebben, niet met een zeer gunstigen uitslag bekroond. Toch zouden de beide naties zich nog eens voor een dergelijke onderneming vereenigen. Voor dat Coen iets van den afloop wist, of kon weten, gaf hij hieromtrent reeds een bevel aan Willem Jansz. Terwijl deze zich den 3en Jan. 1621 pas op zijn eersten tocht bevond, schreef Coen hem tusschen 14 en 23 Febr. [116] uit Ambon, "dat hij toecomende jaer met de Engelschen soo haer daertoe bewegen can, wederom een tocht na de Manilha's doe(n) ende bij aldien de Engelschen de tocht weygeren en herwaerts keeren, dat ZE. dan alleene macht genoeg hebbende, den tocht doe(n) en soo onse macht alleene niet suffisant is, dat dan met onse vlote na Chincheu loope omme aldaer den Chineeschen handel op Manilha te beletten ende die te procureren, tzij in Batavia of elders, en geordonneert, dat op de custe van China alle Chineesche jonken aentassen sullen, uitgesondert alleene die, welcke met onzen pas na Batavia souden mogen voeren. . . . . . Met alsulcken recht, als zij ons uit China houden, sullen haer daerin doen blijven, tot dat anders resolveren" [117]. Blijkbaar was de invloed van Coen in den raad van defensie zeer groot, want, ofschoon het eerst zeer twijfelachtig was of de Engelschen er voor te vinden zouden zijn, wist hij den 30en Juni dezen raad een besluit te doen nemen, waarover hij Willem Jansz reeds in Februari zijn bevelen had gegeven. Volgens deze resolutie [118] moest de vloot van defensie, wanneer zij van haar eersten tocht naar Manila in Japan was teruggekeerd, zich aldaar van al het noodige voorzien en dan wederom naar Manila vertrekken. Op dezen tweeden tocht zou het admiraalschap bekleed worden door Willem Jansz, terwijl Robert Adams vice-admiraal zou zijn. Het Engelsche schip de Peppercorn en het Nederlandsche De Muiden werden uit Batavia als versterking naar Japan gezonden. Uit Ambon zond Houtman De Maan en De Hond, die zich echter, zooals wij gezien hebben, niet hebben kunnen vereenigen met de vloot, maar te Firando binnen liepen en gesloopt werden. Den 28en Oct. 1621 vertrokken de beide jachten Muiden en Peppercorn van Firando naar de kust van Chinchu om aldaar op de jonken te kruisen, die met het begin van den moesson naar Manila zouden varen. Hier werden zij door het ruwe weer verhinderd eenig voordeel te behalen, tengevolge waarvan de scheepsraad besloot om naar de Philippijnen over te steken en zich eerder, dan hun opgedragen was, bij de vloot onder Jansz te voegen. Den 3en Dec. vertrok Jansz zelf met de overige schepen, bestaande uit vier Hollandsche: De Bantam, De Trouw, Haerlem en De Hope, en vier Engelsche: de Engelsche Maen, de Paltsgraef, de Elisabeth en de Bull. Deze vloot voer rechtstreeks naar Manila en zoodra zij op de kust van Luçon verscheen, werd er bij Pangasinan een zeer rijke Chineesche jonk genomen, die het vorig jaar uit vrees voor genoemde vloot in China was achtergebleven. Na nog twee jonken vermeesterd te hebben, sloot men de baai van Manila in, waar de Spaansche vloot, bestaande uit zeven groote schepen, zich wederom te Cavite in veiligheid had gebracht. Toen eenige jonken, alvorens naar Manila te loopen, de kust van Luçon ten noorden van Manila aandeden, werden ze hier door de Spanjaarden gewaarschuwd, waarna zij bezuiden de baai landden, hun goederen losten en vandaar met "chimpans" naar Manila voerden. De onzen, dit vernemende, stuurden eenige schepen om de zuid, die respectievelijk op twee plaatsen vier groote met brandhout geladen jonken vonden en drie, die eenzelfde lading reeds hadden gelost. Deze met nog vele kleinere werden verbrand. In het laatst van Mei 1622 werden De Trouw, De Hope, de Paltzgraef en de Bull, onder bevel van Le Febvre naar Macao gezonden, waar zij een Portugeesch schip, met zijde geladen en voor de Philippijnen bestemd, veroverden. Drie dezer schepen vertrokken daarna naar Firando, het vierde, De Hope, bleef in Macao achter. De overige zes schepen gingen begin Juni van de baai van Manila onder zeil en wierpen in Juli, na nog twee jonken genomen te hebben, wederom voor Firando het anker uit. Dezen keer had de tocht meer voordeel opgeleverd. De Nederlandsche en de Engelsche compagnie verkregen elk als aandeel in den buit f 262912.12.5 [119]. Coen schreef dan ook, "dat er rijckelijck soo veel verovert [was] als d' oncosten sal connen goet maken" [120]. Dat deze kaapvaart, ook zelfs wanneer de onkosten werden goedgemaakt, een groote schaduwzijde bezat, had Coen reeds vernomen uit een brief van Specx [121], waarin deze vermeldt, dat verschillende voorrechten, die de Hollanders tot dezen tijd toe in Japan bezeten hadden, waren ingekort. Coen schreef hierover aan bewindhebbers, dat door het vervolgen der Chineesche jonken veel Japanners groote schade leden, waardoor onze reputatie in Japan zeer verminderde en wij en de Engelschen slechts betiteld werden met den eerenaam van zeeroovers [122]. Jammer, dat tegenover deze vermindering van reputatie en dus achteruitgang van den handel geen rijkere buit werd behaald, om, gewogen op de schaal van vóór- en nadeel, deze te onzen gunste te doen overslaan; maar de vaartuigen, die wij gaarne hadden veroverd, waren ons ook nu weder ontsnapt. Twee groote en twee kleine schepen, ruim voorzien van volk, geschut en zilver, waren benoorden Luçon omgeloopen en hadden behouden de haven van Pangasinan bereikt. Ook waren vier schepen in de baai van Segoura, aan de oostkust van Luçon "recht achter de stadt Manilla gelegen" gekomen en was het zilver over land naar de hoofdplaats gebracht [123].

De orde werd op genoemden tweeden tocht beter gehandhaafd. Coen schrijft hierover [124]: "Desen tocht is redelyck en vredich gegaen, 't schijnt, dat 't ééne mes 't andere in de schede gehouden heeft; d' eerste reys dreeft d' een d' ander met gewelt uytde joncken. In Firando wapende hun d' een tegen d' ander, vochten niet weinich ende eenige bleven doodt, waarop den Raedt elck over de syne recht deedt, maer deze reys is 't Godt loff beter gegaen"2. Toch zouden deze gezamenlijke ondernemingen niet meer hervat worden. De Engelschen waren niet in staat ze verder voort te zetten, tengevolge waarvan Adams dan ook bevel had ontvangen met zijne schepen terug te keeren. Ook de Nederlanders wenschten dergelijke tochten niet meer. Coen had aan Willem Jansz opgedragen zich op behendige wijze van de Engelschen te ontslaan door te zeggen, dat hij niets meer in Japan te doen had, maar op avontuur naar Patani, Chiampa of China wilde varen. Hij moest zich dan vereenigen met de vloot, die in April 1622 van Batavia naar China was gezonden [125]. Overeenkomstig dezen last vertrok Jansz 18 Sept. 1622 uit Japan naar Pehou; den 25en stak echter een hevige storm op, waardoor hij genoodzaakt werd terug te keeren. Maar niet alle schepen liepen behouden te Firando binnen. De St. Crux [126] leed schipbreuk. Den 27en Oct. poogde Le Febvre met drie en 5 Nov. de admiraal W. Jansz nogmaals, eveneens met drie schepen, den door Coen gegeven last op te volgen, maar vergeefs. De vaartuigen geraakten van elkander en door het onstuimige weder bezuiden de Pescadores, waarna zij genoodzaakt waren door te zeilen naar Batavia. Achtereenvolgens kwamen ze hier behouden aan.

HOOFDSTUK X.