De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626
Part 4
Met het oordeel van Coen stemde Lam volkomen in. Aan de bewindhebbers schrijft deze: "Mijne Ed. Heeren staet te considereren ende rijpelijcke toverwegen hoe hoognoodigh het is de tocht naar Manilla van jaer tot jaer werde gecontinueert" [78]; niet alleen, zooals hij zegt, om de schade, die men daardoor aan den handel te Manila toebracht en omdat men op die wijze de Chineezen dacht te dwingen de vaart op de Philippijnen te staken en die naar Bantam te verplaatsen, maar ook omdat hij daarmee allen toevoer naar de Molukken hoopte te beletten. Dat hij hierdoor ook Manila zelf trof en dat dit, wat trouwens van zelf spreekt, juist in zijne bedoeling lag, zegt hij duidelijk in een brief aan de bewindhebbers, waarin hij meedeelt, dat twee Hollandsche schepen vóór Manila kruisten om de jonken aan te halen, wat, zoo schrijft hij, van belang is, omdat uit de groote tollen, die de Chineezen betalen, de Spanjaarden hun voornaamste inkomsten putten nl. 150.000 realen van achten buiten de 250.000 realen die het hoofdgeld der Chineeschen inwoners hun opbrengt, terwijl bij dit laatste nog niet eens is gerekend, hetgeen de winkelhouders nog moeten betalen. "De Chineezen", gaat hij voort, "zijn te Manila over de 30.000 sterk en betalen in alles wel 500.000 realen van achten" [79]. Van de twee schepen, waarover Lam hier spreekt, kan ik er slechts één noemen, namelijk De Oude Son, die wij in het vorige hoofdstuk hebben verlaten op weg naar Cochin-China. Na gezamenlijk met De Galjas een vergeefsche poging te hebben aangewend om een kraak, die naar Macao bestemd was, buit te maken, voer den 9en Maart 1618 De Oude Son opnieuw naar Manila, terwijl De Galjas den 28en Maart naar Cochin-China zeilde. Dezen keer was De Oude Son gelukkiger. Den 4en Mei veroverde zij een groote Chineesche jonk, den 8en Mei nog een en kort daarop nog zes kleine, waarna het met dezen rijken buit, waarvan de waarde f 558.169 bedroeg, terugkeerde en den 7en Juni te Firando binnen liep. Kort hierop kwamen nog twee schepen te Firando: De Galjas, die teruggekeerd was zonder Cochin-China te hebben kunnen aandoen, omdat de scheepsofficieren het schip in den steek hadden gelaten, en het voormalige Engelsche jacht de Attandance, dat door de onzen bij Banda genomen en herdoopt was in De Vliegende Bode. Deze beide laatste schepen zullen wij weldra weer ontmoeten in de Philippijnsche wateren. Wij hebben in het vorig hoofdstuk gezien dat de vloot der Spanjaarden door storm bijna geheel was vernietigd. Zoodra de raad der Molukken dit door drie uit Manila ontvluchte Nederlanders had vernomen, besloot men spoedig hierop, den 23en April, om weder eenige schepen voor Manila te laten kruisen. Wel werd er door de verschillende moeilijkheden, waarin de Nederlanders zich vooral met de Engelschen gewikkeld hadden, niet onmiddellijk gevolg aan gegeven, maar nadat den 21en Juli en den 11en Aug. nogmaals op het wenschelijke van zulk eene onderneming op dat tijdstip was gewezen, werden in de bovengenoemde vergadering vijf schepen daarvoor bestemd en Adam Westerwolt tot opperbevelhebber benoemd. Reeds den 24en Aug. ging hij met de vijf schepen onder zeil. Ofschoon Coen in 1617 aan hem schreef, dat de zaak weer couragieuselijk moest hervat worden, bleek hij er in 1618 niet al te zeer mee ingenomen. Hij oordeelde de omstandigheden te gevaarvol, om er zooveel schepen heen te sturen. Hij was bang het zekere te verliezen "om een vogel die in de lucht vliegt, te bekomen" [80]. Gelukkig, het zekere bleef behouden, maar veel voordeel leverde de tocht niet op. Van de vijf schepen, die onder de vlag van Westerwolt waren uitgezeild, moesten er twee: De Oude Maen en De Vlissingen, nog voor Manila liggende, wegens "outheyt" gesloopt worden. Wel was de vloot weer tot hare oorspronkelijke sterkte terug gebracht door de aankomst van De Galjas en De Vliegende Bode uit Japan, die tevens provisie voor de vloot meebrachten, doch ofschoon ze tot 26 Mei 1619 omtrent het land van Manila bleven kruisen, maakten zij slechts drie jonken prijs ter waarde van f 33.894. Zes jonken wisten den Hollanders te ontkomen, en daar de Chineezen, door verschillende berichten van de Spanjaarden [81] op hun hoede, zich niet meer vertoonden, besloot Westerwolt naar Japan te vertrekken. De Swaen werd van daar met provisie naar de Molukken gezonden, weldra gevolgd door de Nieuwe Maen. Westerwolt zelf ging naar Jacatra onder zeil, waar hij den 16en Dec. 1619 behouden aankwam. Het geringe voordeel, dat deze tocht opbracht, moet voornamelijk geweten worden aan gebrek aan provisie, waardoor zij "gants machteloos" waren geweest [82].
Het jaar 1619 dreigde ons ook op andere wijze niet gunstig te zullen zijn. In Jan. toch kwam Kaitsjil Soliman, zoon en gezant van den koning van Mindanao, steun van de Compagnie verzoeken tegenover den koning van Boaya, die vertegenwoordigd werd door den reeds verdreven vorst van Sarangani. Gouverneur-generaal en raden wenschten door partij te kiezen niet een der vorsten in de armen der Spanjaarden te voeren en bewandelden dus een middelweg. Beide vorsten werden met een kluitje in 't riet gestuurd. Coen en later Lam, aan wien de beslissing door den gouverneur-generaal was overgelaten, zeiden, dat zij eerst wilden trachten de twee vorsten te verzoenen, daar beide toch vrienden van ons waren, dat wij zeker wel een gezantschap zouden hebben gestuurd om de verzoening tot stand te helpen brengen, maar dat wij daarvoor, wegens de twisten met de Engelschen, nu geen schip konden missen. Ook waarschuwde Lam in een brief, aan Kaitsjil Soliman voor diens vader meegegeven, voor de geheime bedoelingen van hun gezamenlijke vijanden, de Spanjaarden, om vijandschap en twist te verwekken en hen dan op het onvoorzienst te overvallen en "tot de uiterste extremiteiten" te brengen [83]. Op deze wijze wist men nog gelukkig de goede verstandhouding met beide vorsten te bewaren. Het moet dezen echter wel wat vreemd voorgekomen zijn, dat de Hollanders het volgend jaar wel weder schepen beschikbaar hadden voor een tocht naar de Philippijnen. Nu had men het echter niet gemunt op Chineesche jonken. Dezen keer hoopte men Manila in één slag geducht te knakken en zich een grooten buit te verschaffen. Men wilde toch het zilverschip van Acapulco vermeesteren. Mocht dit gelukken, dan werd den Spaanschen handel een gevoelig, ja bijna onoverkomelijk verlies toegebracht. Met dit doel had Coen aan Van Speult, den gouverneur van Ambon, in een geheim gehouden lastbrief opgedragen den 1en of uiterlijk half April drie schepen uit te zenden naar kaap Spiritu Sancto op 12 1/2° N.B. Van Speult kon zich echter niet stipt aan den tijd houden, omdat de schepen, waarmee hij moest uitzeilen, te laat in Ambon aankwamen. Den 13en Mei 1620 eerst verlieten De St. Michiel, De Swaen en De Expeditie van Ambon onder bevel van Bartholomeus v. Spilbergen [84] het eiland Ambon. Coen meende gegronde hoop te mogen koesteren op het welslagen van den tocht, daar een Spaansche stuurman, die reeds tweemaal de reis van Acapulco naar Manila meegemaakt had, zich als gevangene op de vloot bevond. Eerst moesten zij, volgens den wil van Coen, Ternate aandoen om den vijand geheel en al te misleiden en daarna tot het laatst van Juni omtrent Kaap Spiritu Sancto kruisen. En waarlijk, het geluk scheen Spilbergen te dienen. Den 26en Juni kwamen de zilverschepen in het gezicht. Gewoonlijk werd het zilver door slechts één schip overgebracht, dezen keer waren het er drie [85] onder bevel van Fernando de Ayala. In de meening dat het schepen waren, die de in 1618 nieuwbenoemde gouverneur der Philippijnen Fajardo, hun tegemoet gezonden had, kwamen zij met volle zeilen op de Hollanders af. Na zonsondergang waren zij zoo dicht genaderd, dat zij van weerszijden elkander konden hooren spreken. Toen eerst ontdekten de Spanjaarden hun vergissing. Door de ingevallen duisternis en het ruwe weer gelukte het hun te ontkomen. Een der schepen werd echter door de Hollanders op het strand van Albay (ten Noorden van de straat van Bernardino) gedrongen. Aan Coen werd bericht, dat het twee millioen zilver in had. Deze schreef hierop aan bewindhebbers: "'t Heeft Godt niet gelieft, dat die becomen zouden, want daer d'onze meenden, dat het zilverschip al hadden, zijn door een uit der maten grooten storm daer van geraect en alle te samen in groot peryckel van stranden gecomen" [86]. In denzelfden brief meldt Coen, dat naar men zegt, het zilver door de Spanjaarden geborgen is en dit stemt overeen met de door Blumentritt gebruikte Spaansche bronnen. Ayala liet het, nu op zijn hoede voor de Hollanders, over Borongan aan de kust van Samar met karren naar Manila voeren. Van onze drie schepen kwamen slechts De Expeditie van Ambon en De Swaen behouden te Firando. De Expeditie echter ging, reeds in behouden haven, toch nog voor onze vloot verloren, daar het door harden wind in de haven omsloeg. Van de St. Michiel, waarop Spilberghen was, werd nimmermeer iets vernomen. "Waarschijnlijk", schrijft Coen, "is het met man en muis in de storm gesoncken" [87].
HOOFDSTUK VII.
In het vorig hoofdstuk heb ik er reeds op gewezen, dat Coen in 1618 van meening veranderd was, omtrent het zenden van een vloot naar de Philippijnen. Wel vond hij het goed, dat er schepen gezonden waren, maar, naar den stand en tijd, ware 't beter geweest, schreef hij aan 't Lam [88], "dat men zooveel van de beste schepen niet gezonden hadde". Hij vreesde, dat de Molukken Ambon en Banda door het uitzenden van vijf der beste schepen te zeer ontbloot zouden worden, waardoor aan de Engelschen gelegenheid werd gegeven aldaar hun slag te slaan [89]. En Coen's vrees was gerechtvaardigd. Het was den Engelschen ernst, toen zij dreigden de "Dutchman" niet alleen uit Ambon, Banda en de Molukken, maar uit den geheelen Indischen Archipel te verdrijven. Half December, na aankomst van hun admiraal Thomas Dale, sloten zij heimelijk een aanvallend verbond tegen de Nederlanders met den koning van Bantam. Samen zouden zij het Nederlandsche fort te Jacatra veroveren. Hoe Coen genoodzaakt werd, het fort aan zijn lot over te laten, en den wijk te nemen naar Ambon; hoe hij, een grootere scheepsmacht verzameld hebbende, het volgende jaar is teruggekeerd en Jacatra verwoestte, is algemeen bekend. De Engelschen trof Coen er niet meer aan. Zij waren reeds eerder, bevreesd voor de dubbelzinnige houding van Bantam's koning, naar de hoofdstad van dien vorst terug gezeild. Toen zij hier hoorden, dat Coen met een vloot van zestien schepen teruggekeerd was, waren zij door straat Soenda gevaren en hadden van daar koers gezet naar het westen. Hierna werd Bantam door Coen geblokkeerd, drie schepen naar Patani en zes naar Sumatra's westkust gezonden om de factorijen van kapitaal en koopmansgoederen te voorzien, waarbij tevens den gezagvoerders werd opgedragen, waar zij konden, de geleden schade op de Engelschen te verhalen. Dit gelukte volkomen. Het eerste eskader nam twee Engelsche schepen, het andere vier. Aldus was Coen op het punt een zijner vurigste wenschen, de Engelschen uit den Archipel te verdrijven, vervuld te zien, toen hem plotseling in Maart 1620, als een donderslag uit een helderen hemel, het bericht trof, dat de Engelsche- en Nederlandsche Oost-Ind. Compagnie in Europa den 17en Juli 1619 een verbond met elkaar hadden gesloten. In de eerste artikelen waren voornamelijk bepalingen opgenomen, waarbij de handel voor beide partijen werd geregeld, terwijl de laatste artikelen op het oogenblik voor ons doel van meer belang zijn. Er werd nl. een raad van defensie in Indië opgericht, bestaande uit acht leden, vier Hollandsche en vier Engelsche, waarvan beurtelings een Nederlander en een Engelschman voorzitter zou zijn. Ter beschikking van dezen raad van defensie werd een vloot gesteld van 20 schepen, de vloot van defensie. Dat dit geheele verbond Coen verre van aangenaam was, schreef hij weliswaar in ronde woorden aan de bewindhebbers, maar hij moest aan de bevelen gehoorzamen [90]. Het kwam er nu slechts op aan, zooveel mogelijk partij te trekken van het verbond en--dit was volkomen aan Coen toevertrouwd. Reeds den 28en April werd op het schip de Theems Royal voor Bantam eene vergadering van den raad van defensie gehouden, waarin op voorstel van Coen besloten werd, gezamenlijk een tocht te ondernemen naar de Philippijnen om den Chineeschen handel op Manila te beletten. Tien schepen werden hiertoe bestemd, vijf Engelsche en vijf Hollandsche, terwijl de Engelschen volgens accoord de vlag op de groote steng zouden voeren, de Hollanders op de voorsteng [91]. Reeds den 31en Mei werden twee Hollandsche De Haerlem en De Hoope en twee Engelsche de Elisabeth en de Bull vooruitgezonden om tot 5 Aug. tusschen China en Japan te kruisen; daarna, aldus luidde de instructie, moesten ze langs de kust van Japan alle Spaansche of Portugeesche schepen buit maken, maar van de Chineesche jonken slechts, die op Manila voeren. Het Engelsche schip de Hope zou over Patani gaan en zich daarna met bovengemelde vier schepen vereenigen. In het begin van Juni werden deze vijf schepen gevolgd door vier andere, te weten de Engelsche: de Maen en de Paltsgraeff en de Hollandsche: Nieuw Bantam en De Trouw. Firando werd als vereenigingsplaats aangewezen, waar het tiende Hollandsche schip, De St. Michiel, zich bij de andere zou voegen. Admiraal van de vloot was de Engelsche schipper Robert Adams, vice-admiraal Willem Jansz. [92], Raad van Indië. In plaats van De St. Michiel, die, zooals wij gezien hebben, vergaan was, werd aan De Swaen, te Firando van Kaap Spiritu Sancto teruggekeerd, door Willem Jansz bevel gegeven mee te zeilen [93]. Den 1en Jan. 1621 moesten zij volgens de instructie Firando verlaten. Na eenigen tijd vergeefs op het Engelsche schip de Hope, dat reeds lang uit Patani aangekomen moest zijn, gewacht te hebben, ging men op 13 Jan. 1620 met negen schepen en twee jonken, die als branders moesten dienst doen, onder zeil. De instructie luidde, naar de baai van Manila te loopen om de Spanjaarden afbreuk te doen en den Chineeschen handel, "van daer t' onswaert te trecken", daar tot omstreeks 30 Juni 1621 blijven en over Japan terugkeeren, tenzij Chineesche jonken met den zuidermoesson verwacht werden. Dan moest men hen afwachten en over Patani terugkeeren, daar men Japan in dat geval niet meer zou kunnen bezeilen. Men moest, (indachtig aan de fout, die Lam in 1617 had begaan) de vloot goed bijeen houden, geen Japansche jonken schade berokkenen noch Chineesche, die op vrije plaatsen voeren. De Chineezen der veroverde jonken moest men zooveel mogelijk naar Batavia brengen. Zoodra de vloot voor de baai van Manila verscheen, moesten, ter voorkoming van geschillen, eenige Nederlanders op de Engelsche en omgekeerd eenige Engelschen op de Nederlandsche schepen worden geplaatst "om te registreeren al sulcke goederen als bij d'een oft d'ander verovert en overgenomen zoude mogen worden" [94]. In een particuliere instructie aan W. Jansz drukt Coen dezen bevelhebber op eigenaardige wijze groote waakzaamheid tegenover de Engelschen op het hart. "Het gemeene spreekwoort, weest trouwe ende vertrouwt niemant, sult alsoo niet verstaen alsof d'Engelschen niet zouden mogen vertrouwen, maar brengt mede, dat men altoos trouw moet wezen en de niemant dan [95] met een goet ommesien en goede circonspectie vertrouwen sall." De uitslag van deze expeditie was niet schitterend. De Spaansche schepen: drie galjoenen en zes galeien en drie andere vaartuigen [96], hadden zich, op bevel van Fajardo, zoo goed gedekt, [97] dat de gecombineerde vloot er zelfs geen branders op kon afzenden, zonder dat deze gevaar liepen in de handen der vijanden te vallen daar "twee galeien met veel roeituig in inkomen van het gat, recht voor de schepen op de wacht lagen" [98]. De Spanjaarden bleken dus gewaarschuwd, evenals de Chineezen, daar deze zeven van de rijkste jonken in Chinchu hadden opgehouden. Slechts vijf van zulke scheepjes vielen ons in handen, en daar het weer zeer onstuimig werd, besloot men 19en Juni niet op de Chineesche jonken, die mogelijk met den zuidermoesson zouden aankomen, te wachten, maar naar Firando terug te keeren. Twee dagen daarna--wat zullen de op buit belusten zich geërgerd hebben--liepen drie zeer rijk geladen fregatten van Macao de haven van Manila binnen, den 28en Juli gevolgd door de zilverschepen van Acapulco met 300 man en de door de Chineezen opgehouden jonken. Wanneer de vloot dus langer was gebleven, hoeveel rijker zou dan de buit geweest zijn! Nu bekwamen de Engelschen en Hollanders slechts elk f 63807.10.4, "maar 't beste deel, naar wij verstaan, is naar men zegt," schrijft Coen, "door de officieren en het gemeen volk genomen, daaraan voor omtrent f 120.000 te Firando verkocht en geconsumeerd. Hiervan geven de onzen de Engelschen schuld, want daar zij naar hun believen roofden en plunderden, kon men het de onzen ook niet verbieden". Reeds vroeger had Coen aan de bewindhebbers geschreven, dat "zij geen hulp, maar niet dan hinder van de Engelschen te verwachten hadden". En dit is zeker niet te verwonderen daar de Engelschen regel, orde noch recht kenden, niet door de hoofden in bedwang gehouden konden worden en op brutale wijze te kennen gaven dat zij voor geen ander wilden stelen, dat zij op koopvaardij, niet ten oorlog gehuurd waren en liever tegen ons dan tegen de Spanjaarden wilden vechten [99]. Had Coen dus al geen reden om zeer ingenomen te zijn met de houding onzer bondgenooten, ook den Nederlandschen commandeur W. Jansz betuigde hij zijn ontevredenheid, dat hij zooveel Chineezen had vrijgelaten in weerwil van zijn bevel om ze alle naar Batavia of de Molukken te zenden. In Maart schreef hij het nog op verschoonende wijze aan een misverstand toe [100], maar een maand later in een instructie aan Reijersz die, volgens Coens meening, ook W. Jansz zou lezen, werd het zelfs een nalatigheid genoemd. "Seer ernstelycken," aldus de instructie, "hebben voor dezen d' Heer Commandeur Willem Jansen gerecommandeert, gelijck mede aen d'andere Commandeurs die voor hem geweest zijn, soo veel Chinezen te houden naer de Moluccos, Amboyna, Banda ende herwaerts te zenden als eenichsints doenlycken wesen soude, maer alsoo naert schijnt verstonden, hoeveel de Compa hieraen gelegen was, is daer op niet gevolcht ende de saecken geensints beherticht, maer de nalaticheyt met frivole vonden ende praetjens geexcuseert. Hierover sal UEd. veradverteert wesen, dat de Compa aen een goet getal Chinezen soovele gelegen is, dat daeromme soo eene vloote als deze wel expresselijcke naer Manilha ende na de custe van China zoude mogen gesonden worden, want als de lande van Batavia, Amboyna ende Banda behoorlyck met volck beseth ende gepeupleert worden, zal de Compa daerdoor mettertijt soo groote benefitie genieten, dat alle de forten daer mede ofte daer door volmaeckt ende onderhouden sullen connen worden. Hadde de Commandeur W. Jansen een goet getal Chinezen naer Amboyna ende Banda gesonden, gelyck zeer wel doen cond, meer dienst soude de Compa daeraen geschiet wesen, dan alle sijne veroverde goederen waerdich zijn" [101]. Men ziet hieruit waarom, en hoeveel, waarde gehecht werd aan Chineesche gevangenen. De woorden, waarin de nalatigheid van W. Jansz wordt besproken, waren natuurlijk daarom zoo scherp, om Reyersz op het hart te drukken, vooral niet in dezelfde fout te vervallen. Ware het anders, had Coen werkelijk in Jansz zoo'n verkeerd werktuig gezien, dan was hij zeker in dezelfde instructie niet aangewezen om, zoodra hij zich met zijn vloot bij Reyersz zou voegen, het opperkommando over te nemen. De moesson heeft dit echter, zooals wij later zullen zien, verhinderd.
HOOFDSTUK VIII.