De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626
Part 2
De vloot verdeelde zich in twee deelen; de zeilschepen onder bevel van Esquivel voeren direct door naar de Molukken, terwijl Acuña met de galeien zich eerst nog ophield aan de kust van Mindanao. Zoodra Esquivel voor Tidore aankwam, sloten de Tidoreezen zich met vreugde opnieuw bij de Spanjaarden aan, terwijl de Hollanders, die door Bastiaensz waren achtergelaten, in handen van de Spanjaarden vielen. Den 26en Maart voegde Acuña zich bij Esquivel en na nog eenige versterkingen bekomen te hebben van Tidoreesche Kora-Kora's, staken zij den 31en Maart naar Ternate over en sloegen op 1 April het beleg voor de vroegere vesting der Portugeezen. Het Hollandsche schip de West-Vriesland, dat voor Ternate lag, vluchtte met eenige van de zich op Ternate bevindende Hollanders naar Ambon, terwijl enkele andere de Ternatanen tegen de Spanjaarden hielpen. Deze bijstand was echter te gering om het fort te kunnen houden. Bij een uitval werden de Ternatanen terug geslagen en drongen hunne vijanden te gelijk met de vluchtenden het fort binnen. Hiermee was echter de tegenstand der Ternatanen niet gebroken, want Sultan Sahid en Kaitjil Hamdja en de prins-troonopvolger Modafar waren naar Takomi, een versterkte kampong op de Noordkust van Ternate, gevlucht. Zich hier nog niet veilig wanende, stak Sahid over naar Saboegoe op Djilolo. Hamdja kwam het echter verkieslijker voor zich te verzoenen met de Spanjaarden en door middel van dezen gelukte het den Spanjaarden Sahid te bewegen terug te keeren en een verdrag te teekenen, waarbij hij den koning van Spanje als heer erkende. Als belooning voor deze diensten werd Sahid opgelicht en naar de Philippijnen vervoerd. Tot de verovering van Ambon kwam het niet, daar Acuña's aanwezigheid in Manila dringend vereischt werd, door de dreigende houding der Japanners. Zijn geestkracht was bovendien aanmerkelijk verlamd door het hem toegediende vergif, waaraan hij ook spoedig na zijn terugkeer is gestorven. Ofschoon de Spanjaarden dus niet geheel hun doel hadden bereikt, was toch hun hartewensch vervuld: de Molukken waren nu grootendeels onmiddellijk onder Spaansche heerschappij gebracht, en Esquivel, die op Ternate achterbleef, kreeg dan ook den titel van "Gobernador del Maluco." Acuña had echter door de oplichting van Sahid een te duidelijk bewijs gegeven van de Spaansche trouweloosheid, wat zal blijken een politieke fout te zijn geweest, waarvan de Hollanders maar al te vlijtig gebruik zouden maken [25].
HOOFDSTUK III.
Toen Acuña de Molukken verliet, was Ambon de eenige plaats, die met Frederik de Houtman als gouverneur onder onmiddellijk gezag der Hollanders stond, terwijl zij verder op Banda een geringen invloed bezaten door middel van den, daar door Van der Haghen in 1605 achtergelaten, koopman Hendrik van Bergel. Dat deze invloed niet groot was, kunnen wij lezen uit een brief van Jacques l'Hermite, opperkoopman te Bantam, in November 1608 geschreven aan de bewindhebbers te Amsterdam: "Ick vreese, sooder geen ordre in dit eylandt gestelt en wort, eens qualick zal afloopen, want dagelycx in moetwille toenemen en daer en is nyet wel remedie toe, tensy dat men se met gewelt dwinght, dwelck oock zijn zwarickheden heeft. Niet alleen die van Banda, maer oock ten respecte van alle landen hieromtrent, die daermede groot achterdencken soude gegeven worden; die van Ambon werden seer door de Bandaneezen opgerockt, ende is te sorgen schier oft morgen daer oock uytborsten sal" [26].
Matelieff was de eerste Hollandsche vlootvoogd, die na Acuña's vertrek uit de Molukken, aldaar verscheen. Den 29en Maart kwam hij voor Ambon aan en trof hier de gezanten der Ternatanen, die reeds in Bantam waren geweest om hulp te verzoeken, welke hij hun beloofde, indien zij met 2000 man er toe mede wilden werken de zoo gehate Spanjaarden te verjagen.
Den 13en Mei kwam hij voor Ternate, maar de hulptroepen, die onder Modafar en diens broeder van Gilolo waren overgestoken, bleken op verre na niet voldoende om, zoo ze Tidore al veroverd hadden, dit na het vertrek der Hollanders tegen de Spanjaarden te verdedigen. Modafar en de zijnen stelden dus zelf voor op Ternate een sterkte te bouwen en daarin hunne verstrooide landgenooten zooveel mogelijk te verzamelen. Dit voorstel werd met beide handen door Matelieff aangegrepen, zoodat de aan het strand gelegen plaats Malaya van een fort werd voorzien. Reeds den 26en Mei 1607 teekenden Matelieff en de koning van Ternate een contract, waarin o. a. de bepaling werd opgenomen, dat "alle Ternatanen, die verstroyt zijn, in d'omleggende landen met den eersten op Ternate komen, opdatt door de menighte van Ternatanen het verdrijven van de Castelanen te lighter sal vallen, ende 't volk gereit sall weezen, als daer secours van Hollandt compt" [27]. Nauwelijks was het fort den 8en Juni gereed gekomen, of Matelieff vertrok den 12en naar China, na eerst nog twee gezanten der Ternatanen op Mindanao te hebben afgezet, waar hen door den sultan van Mindanao stellig wel een gunstig onthaal zal zijn ten deel gevallen, daar deze nog steeds in oorlog was met de Spanjaarden [28].
Dat Matelieff reeds zeer goed het groote nut inzag, dat wij konden trekken uit de vijandschap van dezen sultan met de Spanjaarden, blijkt wel uit den raad, dien hij aan den Hollandschen vlootvoogd Van Caerden gaf, toen deze den 6en Januari 1608 te Bantam verscheen [29]. Hij haalde hem over naar de Molukken te stevenen en drukte hem op het hart toch vooral de Spanjaarden op Ternate niet roekeloos aan te tasten, maar zich veeleer met den sultan van Mindanao te verbinden, opdat hij met diens hulp den Spanjaarden allen toevoer uit Manila zou kunnen afsnijden. Van Caerden deed dit niet, maar zette, na een mislukte poging om Djohore te bereiken, direct koers naar Ambon en vandaar naar Ternate, waar hij den 18en Mei 1608 aankwam. Hoewel een achttal bodems onder zijne bevelen hebbende, voelde hij zich, misschien gedachtig aan de waarschuwing van Matelieff, niet sterk genoeg om de Spanjaarden op Ternate of Tidore aan te tasten, maar werd er besloten een aanval te wagen op het fort Makjan, dat slechts door Tidoreezen bezet was. Ofschoon goed verdedigd, werd het fort stormenderhand genomen en met nog twee andere plaatsen op Makjan opnieuw in staat van verdediging gebracht, waarna men er 120 man achterliet onder bevel van Appollonius Schotte. Alle hoofden van het eiland kwamen daar toen samen om zich aan het Nederlandsch gezag en de Ternatanen te onderwerpen. Met de verovering van dit nagelrijke en voor de Compagnie zoo rentengevend eiland stelde Van Caerden zich niet tevreden, maar ontnam den Spanjaarden ook nog een sterkte Tjio op het eiland Morotai ten Oosten van Gilolo. Doch hierna daalde zijn gelukzon en werd ons een gevoelig verlies toegebracht door Pedro de Heredia, die met twee Spaansche galeien het fregat van Van Caerden aanviel en den bevelhebber met zijn manschappen den 17en Sept. 1608 dwong zich over te geven. Wel werden er weldra weer 34 van hen ingewisseld tegen Spanjaarden van een veroverd Spaansch fregat, dat van Manila naar Ternate wilde om de Spanjaarden aldaar te proviandeeren [30], maar Van Caerden zelf bleef voorloopig nog de gevangene van Juan de Esquivel, die als losprijs niets meer of minder eischte dan de overgave van de forten op Makjan en van Malaya op Ternate. Gelukkig was deze eisch den Hollanders wel wat al te kras, hoewel toch "door verblint verstant der Hollandern Maleyo offte de fortresse op Ternate gelegen, Orangie, voor des Admiraels rantsoen werde geoffreert en gebooden". Op deze voorwaarde wilde Esquivel Van Caerden echter niet vrijlaten; "tot grote ontlastinge van degene die sulx hadden gepresenteert" [31], zegt de briefschrijver er bij. Door gevangenschap werd Van Caerden dus verhinderd, uitvoering te geven aan zijn plan om een tocht naar de Philippijnen te ondernemen.
François Wittert zou na Van Noort de eerste zijn, die zich voor den hoofdzetel van het Spaansche gezag in de Oost zou vertoonen. Voor wij echter over kunnen gaan tot de beschrijving van dezen tocht, zien we ons genoodzaakt een oogenblik te verwijlen bij de verrichtingen van twee andere vlootvoogden, namelijk den admiraal Pieter Willemsz Verhoeff en schipper Simon Jansz Hoen, die den 15en Februari 1609 voor Bantam verschenen. Lang vertoefden zij hier niet, maar vertrokken direct naar Banda, om die eilanden aan de Compagnie te verbinden "met tractaat ofte met geweld". Verhoeff viel aldaar als slachtoffer van de trouweloosheid der Bandaneezen, waarna aan Simon Jansz Hoen als vice-admiraal het opperbevel werd opgedragen. Nadat Hoen de opdracht zijner principalen op Banda had volbracht, door er na heftigen strijd het fort Nassau gebouwd en den Bandaneezen een tractaat afgedwongen te hebben, stelde hij Hendrik van Bergel [32] daar als gouverneur aan en zeilde naar Ternate. Hier kwam hij den 23en Sept. aan, versterkte op Ternate het plaatsje Tacomi, dat Willemstad gedoopt werd, en was daarna zoo gelukkig aan de macht der Compagnie een groote uitbreiding te geven door de verovering van Batjan. Tidore kon hij helaas niet machtig worden, daar de dood hem in Januari 1610 wegrukte, waardoor dit gedeelte der vloot, uit gemis aan een aanvoerder en door onderling krakeel, niets van belang meer heeft kunnen uitrichten. Vóór Verhoeff naar Banda vertrokken was, had hij volgens besluit van den breeden raad zijn vice-admiraal François Wittert bevel gegeven met vier schepen naar Makasar te zeilen, om aldaar rijst en andere levensbehoeften voor de Molukken te koopen en tevens pogingen in 't werk te stellen om een verbond met den vorst te sluiten. Het is hier de plaats niet te verhalen, hoe Wittert geslaagd is. Genoeg zij het te vermelden, dat hij, na te Makasar eenige maanden vertoefd te hebben, den 22en Juni 1609 voor Ternate verscheen. Na hier vernomen te hebben, dat Van Caerden gevangen was genomen, versterkte hij het eilandje Motir, sloot een voordeelig tractaat met de Ternatanen en ging daarna den 22en September, juist één dag voor de aankomst van Hoen te Ternate, naar de Philippijnen onder zeil. De weinig energieke gouverneur van die eilanden, Telez de Almansa, was in 1609 opgevolgd door Don Juan de Silva. Deze had, zoodra hij aan het bestuur kwam, de haven Cavite en andere forten op de Philippijnen versterkt en één der vijf door hem meegebrachte compagnieën soldaten onder Fernando de Ayala tot hulp naar de Molukken gezonden. Uit deze maatregelen blijkt wel, dat Wittert een krachtig tegenstander tegenover zich zou vinden. Of hem de tocht naar Manila te Bantam reeds was aanbevolen, weten wij niet, maar het is wel zeer waarschijnlijk, daar hij zich geheel houdt aan het advies, dat Matelieff aan Van Caerden hieromtrent 4 Jan. 1608 heeft gegeven [33]. Na eerst op de moeilijkheid te hebben gewezen, om met onze vuile schepen de vlug bezeilde Chineesche jonken in de Philippijnsche wateren te achterhalen, geeft hij den raad om met twee groote vaartuigen, die krachtig genoeg waren om den vijand te weerstaan, en twee jachten "dapper op de seylage gemaeckt", voor Manila te gaan kruisen. Tevens acht hij het wenschelijk eenige plaatsen van de Spanjaarden daar af te loopen, voornamelijk Otong op het eiland Panay, van waar uit veel rijst en vleesch naar Manila wordt gestuurd. "Verzeker u echter eerst", zegt Matelieff, "van de hulp der Mindaers". Geheel overeenkomstig dit advies van Matelieff aan Van Caerden, richtte nu Wittert zijn tocht in. Den 25en October kwam hij met het schip De Amsterdam en drie jachten: De Valk, De Arend en De Pauw, voor Otong aan. Hier konden ze echter weinig uitrichten, daar Ayala, die, zooals wij gezien hebben, met hulptroepen voor de Molukken onder weg was, zich nog op deze plaats bevond. Wel gelukte de landing, maar toen zij hier buiten verwachting zoo'n krachtigen tegenstand ontmoetten, trokken zij zich weder terug op de schepen en zetten hun tocht voort. Ook Cavite was door Juan de Silva te goed versterkt, om dit met eenige kans op succes te kunnen aanvallen. Wittert voer nu terug en stationneerde zich aan den ingang der baai voor het eilandje El Frayle, waar hij alle schepen uit China, Macao en Voor-Indië komende, overviel en zonder de minste moeite buit maakte. Drie-en-twintig rijk geladen jonken bemachtigde hij hier [34], behalve nog twee Japansche, die hij echter weder vrij liet. Deze rijke gemakkelijk verkregen buit en misschien ook de hoop dat hij nog het zilverschip uit Mexico zou bemachtigen, verleidde hem langer te blijven dan met de voorzichtigheid overeenkwam. Wanneer hij echter dacht, dat de Spanjaarden zonder verzet zouden aanzien, dat Wittert op deze wijze de welvaart van Manila bedreigde en de bron van inkomsten deed opdrogen, had hij buiten den energieken De Silva gerekend. Alle krachten spande deze in, om een behoorlijke vloot uit te rusten. Dag en nacht werd gearbeid, het ijzer der hekwerken gebruikt en kerkklokken vergoten tot geschut. Op deze wijze verkreeg hij een vloot van acht schepen, twee galjoenen, twee galeien en vier kleinere schepen, bemand met 1000 koppen, bijna alle Spanjaarden, onder aanvoerders als Pedro de Heredia en Gallinato. Hierbij voegde zich nog een in Marinduque gemaakt schip. Het opperbevel over deze scheepsmacht verkreeg De Silva's neef Don Fernando de Silva. Op 21 April 1610 verliet Fernando met zijn vloot Cavite en 25 April raakte hij met drie schepen van Wittert slaags--een jacht en een sloep van het schip Delft lagen aan de andere zijde van de baai op wacht. De uitslag was niet twijfelachtig, de overmacht te groot. Wittert en velen met hem sneuvelden, twee schepen werden genomen en het derde vloog in de lucht. Toen het jacht De Pauw en de sloep, op het schieten afkomende, den uitslag bemerkten, vluchtten zij en kwamen behouden in Patani [35]. Bijna de geheele Hollandsche macht voor Manila was dus vernietigd, en dit niet alleen: ook de ontzaglijke buit [36] der Hollanders en hunne papieren vielen in handen der Spanjaarden, 125 man werden krijgsgevangen gemaakt, en 50 stukken geschut van de Hollandsche schepen zouden voortaan tegen die Hollanders zelf hunne goede diensten bewijzen. Van de krijgsgevangenen bleven zij gespaard, die door de vermaningen der Jezuïeten--en misschien ook door de vrees voor den dood, of liever door de hoop op het leven, tot het katholicisme werden bekeerd.
HOOFDSTUK IV.
Zooals wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, was in 1610 de toestand in de Molukken verre van rooskleurig. Van Caerden was gevangen genomen, Hoen plotseling gestorven en Wittert gesneuveld. In Februari 1610 kwam een Spaansche versterking, bestaande uit zes fregatten, in de Molukken. Gelukkig maakten de Hollanders zich van een dezer schepen meester, waardoor zij in staat gesteld werden Van Caerden in te wisselen tegen de zich daarop bevindende officieren en paters. Dadelijk werd Van Caerden als gouverneur erkend, maar niet lang daarna voor de tweede maal krijgsgevangen gemaakt door de Spanjaarden, die hem nu naar Manila voerden, waar hij in de gevangenis omkwam. Zoo waren de Molukken dus weer zonder een erkend hoofd. Wel zou het Bestand in Oost-Indië 9 April 1610 ingaan, maar de Spanjaarden hadden hiervan nog geen bericht ontvangen. En toen zij dit later van de Hollanders vernamen en met de stukken overtuigd werden, weigerden zij toch het bestaan ervan, zonder last van hooger hand, te erkennen [37]. Integendeel, Don Juan de Silva maakte zich gereed tot een tocht naar de Molukken. Uit de buitgemaakte papieren van Van Caerden had hij den juisten toestand, waarin zich de forten in de Molukken bevonden, leeren kennen, en in de hoop den Nederlanders voor de tweede maal een even geduchte nederlaag toe te brengen, als in het vorige jaar, besloot hij, tegen het gevoelen der Audiencia in, aan zijn voornemen gevolg te geven. In 1611 verscheen hij met een vloot, waarop zich 2000 soldaten en matrozen en vele inboorlingen bevonden. Reeds spoedig bemerkte hij, dat de forten in veel betere conditie waren, dan hij zich had voorgesteld, zoodat hij den ongelukkigen sultan Sahid, die door hem uit Manila was meegebracht, in de Spaansche vesting achterliet en wederom met zijn vloot naar Manila vertrok. Op dezen terugtocht maakte hij zich van Gilolo en Saboegoe, twee door de Hollanders versterkte plaatsen op de Westkust van Halmaheira, meester. Deze beide plaatsen waren daarom wel van eenig belang, omdat van daar uit Ternate en Tidore gemakkelijk van levensmiddelen konden worden voorzien. Er verliepen een paar jaar voor de Hollanders zich sterk genoeg gevoelden een tocht naar de Philippijnen te ondernemen. Weliswaar bevond de eerste gouverneur-generaal Both zich in 1613 met dertien schepen in de Molukken en werd toen het voorstel gedaan om een kaapvaart naar de Philippijnen te doen, maar Both en de meerderheid der bevelhebbers vonden het van meer belang eerst de forten in de Molukken in flinken staat van verdediging te brengen, zoodat er toen geen gevolg aan werd gegeven [38]. Laurens Reaal bleef als gouverneur in de Molukken achter. Steeds liepen onder diens bewind geruchten omtrent de aanstaande komst der Spanjaarden [39]. Wij zullen later zien, dat deze niet uit de lucht gegrepen waren.
Reaal had reeds lang het plan gekoesterd den vijand in Manila op te zoeken en daar hij in 1614 een voldoend aantal schepen onder zijn vlag kon vereenigen, maar geen leger bezat, dat sterk genoeg was om den vijand te land op Ternate of Tidore aan te tasten, besloot hij met zijn raad deze scheepsmacht te gebruiken tegen de Philippijnen. Tegenover de tien schepen der Hollanders hadden de Spanjaarden er weliswaar veertien gereed, maar deze waren volgens de ingewonnen informatie slechts met zeer weinig soldaten en met nog minder matrozen bemand. Bovendien waren onze forten in de Molukken in goeden staat van verdediging, en mocht hier onverhoopt iets voorvallen waardoor de hulp der vloot noodig zou blijken te zijn, dan kon deze altijd met den aanstaanden noorder moesson snel terugkomen. En als de nieuw benoemde gouverneur te Bantam was aangekomen, zoo oordeelden Reaal en zijn Raad den 17en Aug. [40], dan zou hij zich wel zoo spoedig mogelijk over Macao en Manila naar de Molukken begeven. Deze reisroute toch zou hem een paar maanden eerder aldaar doen zijn. Wilde het geluk nu, dat de beide vloten elkaar in de Philippijnsche wateren ontmoetten, dan zou er misschien iets "treffelycks" kunnen uitgericht worden. Den 17en Aug. werd met den tocht een aanvang gemaakt door Jan Rossingeyn, die vooruit gezonden werd naar Siau, het vroeger door Reaal veroverde eiland, om aldaar Kaitjil Kaluwan [41] in plaats van den naar Manila vervoerden ouden Koning, als zoodanig aan te stellen. Den 11en Sept. ging het tweede deel van de vloot onder bevel van Reaal van Ternate onder zeil. Het bestond uit zeven schepen. Het admiraalschip De Son, Groot Hoorn, Seelandt, Ceylon, Middelborch, Patana en De Hope. Reeds den 15en derzelfde maand kwamen ze voor Siau, waar zich Jan Rossingeyn met De Arend, De Hollandsche Leeuw en De Maen bij de vloot voegde, zoodat deze nu bestond uit tien schepen. Nadat Sangir was aangedaan, kwam den 26en het eiland Tagima (tegenwoordig Basilan) in het gezicht en bereikten zij den 29en Samboangan aan de zuidpunt van Mindanao, waar zij veel ververschingen bekwamen van de inwoners die hen tevens was en "canello de matto" te koop aanboden. Drie dagen later wierp de vloot voor La Caldera het anker uit, waar de Mindanaers, zoowel als de bewoners van den Soeloe-archipel, onzen vlootvoogd hulp aanboden, terwijl de laatsten te kennen gaven niet te twijfelen, of hun koning zou eerstdaags komen. Reaal zeide echter niet te kunnen wachten, daar de moesson bijna verloopen was. Als hun vorst ons echter wilde volgen, dan zou hij ons te Otong of elders kunnen aantreffen. Spoedig zeilden zij dan ook naar het eiland Panay en kwamen daar den 14en Oct. in de haven van Ilo-Ilo aan. De Spanjaarden, door Geronimo de Silva op de hoogte gebracht van Reaal's komst, namen, zoodra deze zich met zijn vloot vertoonde, in de bosschen van het eiland de wijk, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden den Hollanders het bezit van het houten fort te Otong te betwisten. Hier besloot Reaal te landen om den vijand door "branden en blakeren" zooveel mogelijk afbreuk te doen. De dorpen Jaro, met een zich daar bevindend klooster, Arevola en Otong in de nabijheid van Ilo-Ilo werden met den grond gelijk gemaakt en alles wat waarde had medegenomen. Hetzelfde lot ondergingen twee fregatten en vele op de rivier liggende fusten. Ook werden er 110 à 120 "beesten" buitgemaakt. Vergeefs gewacht hebbende op wat gunstiger weer en wind, besloten zij eindelijk hun tocht naar Manila voort te zetten, maar noordelijker dan Panay konden zij niet komen. Na herhaalde mislukte pogingen om tegen den moesson op te zeilen, werd den 24en Nov. het besluit genomen naar La Caldera terug te keeren, waar zij den 28en opnieuw het anker uitwierpen. Zij vernamen hier, dat ongeveer een maand geleden twee galeien, twee fregatten en twee kleinere scheepjes, naar Ternate bestemd, voorbij gezeild waren. Waarschijnlijk naar aanleiding van dit bericht vertrokken De Hoorn en Patana den 4en Dec. naar de Molukken. De overige schepen hielden zich nog eenigen tijd in La Caldera op, waar een paar gezanten van den sultan van Mindanao en wat later de koning van Soeloe kwamen om met Reaal een verbond te sluiten [42]. Reaal bewees hun groote eer en vriendschap en van "die van Solock" zegt hij, dat ze "zijn een civiel volk, altemaal sprekende goed Maleitsch, alsoo met Maleyen en die van Broenei veel handelen in paarlen, die er schoon vallen, was, schildpadhoorn en goud" [43]. Van hen werd ook vernomen, dat er twee of drie schepen gezien waren in de nabijheid van Soeloe, die door de straat tusschen Soeloe en Basilan poogden door te zeilen. De Hollandsche Leeuw werd er op afgezonden, maar keerde onverrichterzake terug. Eerst den 14en Jan. 1615 kon Reaal er toe besluiten La Caldera den rug toe te keeren en de Molukken wederom op te zoeken. Den 26en Jan. wierp de vloot voor Malayo het anker uit. Veel voordeel was met dezen tocht niet behaald, daar zij volgens Reaal "meer schrick als schade aan den vijandt ofte proffijt voor ons hebben gedaan" [44]. "Zij hebben", schrijft Coen, "27 ankers verloren en veel perykel van stranden geleden" [45]. Boven maakte ik reeds melding van de vele geruchten die in de Molukken liepen omtrent de komst van een groote Spaansche macht.