De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Part 13

Chapter 131,922 wordsPublic domain

[117] Brief van Coen en raden aan bewindh., 16 Nov. 1621, Hs., R. A., gedeeltelijk afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 289. Merkwaardig is deze brief zeker. In de instructie van 13 Juni 1620 wordt bevel gegeven slechts vijandig op te treden tegen de Chineezen, die op Manila varen, en in dezen brief van Februari 1621 zien wij, dat zijn later uitgevoerde plannen omtrent China reeds een vasten vorm hebben aangenomen; hierin toch spreekt hij van alle Chineesche joncken aan te tasten.

[118] Resolutie van den raad van defensie, 30 Juni 1621, Hs., R. A.

[119] Vgl. Oskar Nachod, Die Beziehungen der Niederländischen Ostindischen Kompagnie in Japan, Leipzig, 1897, blz. 175. Dezen schrijver schijnt slechts één tocht van de defensievloot bekend te zijn. Na de instructie, opgemaakt voor den eersten tocht, genoemd te hebben, geeft hij als resultaat gezegde som, die het aandeel van den buit uitmaakte behaald in den tweeden tocht.

[120] Coen aan J. Z. Dayman op Solor, 5 Jan. 1623, Hs., R. A.

[121] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.; brief van Specx van 20 Sept. 1621, afgedrukt bij Valentijn, a. w., blz. 28, vv.

[122] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.

[123] J. le Febvre aan den gouv.-generaal P. de Carpentier, 27 Oct. 1623, afgedrukt bij Heeres, a. w., dl. II, blz. 2.

[124] Coen aan bewindh., 20 Juni 1623, afgedrukt door Leupe, Bijdr., 3e R., dl. III, blz. 321.

[125] Coen aan W. Jansz, 3 Mrt. 1622, Hs., R. A. Deze bevelen waren W. Jansz geworden door middel van het jacht St. Nicolaes, dat 30 Mei 1622 naar Manila was afgevaardigd om ze over te brengen. Men hoopte, dat dit jacht hem eerder zou bereiken, dan de hem via de Molukken gezonden bevelen van denzelfden inhoud.

[126] Dit schip behoorde eigenlijk niet tot de vloot van defensie, maar had deel uitgemaakt van de vloot, die onder Reyersz in April 1622 naar China was gezeild. Het was 3 Aug. met tijding voor W. Jansz naar Japan gezonden.

[127] Coen aan bewindh., 6 Sept. 1622, Hs., R. A., en "Verclaringe van Jonas Adriaensen (uitgevaren met Swarte Teunis, gevangen in de Tidore, gebracht naer Manilias) van eilanden van natividas tot het eylant van Mindanao". Deze verklaring is aan admiraal l'Hermite meegegeven om hem inlichtingen over de Philippijnen te verschaffen (Hs., R. A.). Hierin lezen wij: "De stad Manilla moet meest te water geproviandeert worden, want met dat Wittert daer lach liep de rijs de Gantam op 4 enkele realen. Men koopt gemeen 25 Gantam voor 5 ofte 6 realen, dat is zooveel als een hanega; het compt al van 't zelfde eylandt van Clocas, Cangayan en andere plaetsen".

[128] Coen deelt dit mede in een brief aan bewindh., van 26 Jan. 1622 (Hs., R. A.). Hij put dit uit onderschepte brieven van de Audiencia aan den koning van Spanje. Dit door de Audiencia ingediende beklag over Fajardo was blijkbaar niet bekend aan Blumentritt, die in Holl. Angriffe, blz. 23, zegt: "Fajardo wehrte sich so gut es gieng"; terwijl hij hem even verder noemt "den wackeren".

[129] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.

[130] Coen aan bewindh., 21 Jan. 1622, gebruikt door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 287.

[131] W. P. Groeneveldt, "De Nederlanders in China", Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 6e R., dl. IV.

[132] Combon, het Chineesche Koen-boen, is een titel, die destijds aan den gouverneur-generaal gegeven werd; hier bedoelt men echter den te Hoktsioe (Foetsjou) gevestigden gouverneur der provincie Hokkiën. De voordeelen, die deze trok uit den handel met Manila, werden door de Chineesche gezanten op wel 80.000 realen per jaar geschat. Zij rekenden, dat er door elkander 40 jonken Manila bezochten, die elk 2000 realen tol betaalden. Vgl. Groeneveldt, Bijdr., 6e R., dl. IV.

[133] "Instructie voor den Ed. Commandeur Cornelis Reyersz en de raad van de vloote naer de cust van China varende," afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 312.

[134] Het buitmaken van Chineesche jonken, die op Manila voeren, werd niet als een vijandelijkheid tegen de Chineezen beschouwd.

[135] Uit mijn vorig hoofdstuk is reeds gebleken, dat het vermoeden omtrent de schepen van Jansz. juist was. Van Nieuweroode waren ook werkelijk drie schepen te ver afgezakt en gedwongen naar Batavia door te zeilen, terwijl wij gezien hebben, dat Nieuweroode zelf eerst den 7en Dec. naar de Pescadores terugkeerde.

[136] Reyersz was nl. ook met den gouverneur overeengekomen, dat er 2 jonken met handelswaren naar Batavia zouden gaan, tegelijk met zich voerende twee gezanten, die direct met onzen gouverneur-generaal zouden onderhandelen. Dat dit verbod werkelijk zou zijn uitgevaardigd, acht Groeneveldt, Bijdr., 6e R., dl. IV, blz. 165, zeer wel mogelijk, maar volgens hem volgt daaruit nog niet, dat de Chineesche autoriteiten aan onzen eisch van monopolie toegaven, maar alleen, dat zij voorloopig deze bron der moeilijkheden stoppen wilden.

[137] "Extracten uit de resolutiën van den raad van Reyersz, 11 April 1622-23 Sept. 1623", afgedrukt bij Groeneveldt, in Bijdr., blz. 411 als bijlage VI.

[138] Brief van C. Reyersz aan gouv.-generaal en raden, 26 Sept. 1623, afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 458.

[139] Zie den brief van Reyersz aan totock Chiam Soutchia van 27 Aug. 1623 afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 204.

[140] Groeneveldt, Bijdr., blz. 291.

[141] Gouverneur-generaal en raden aan bewindh., 4 Maart 1624, Hs. R. A.

[142] Brief van den gouv.-generaal en raden aan bewindh., 29 Jan. 1624, Hs., R. A.

[143] Brief van P. de Carpentier aan bewindh., Jan. 1625, Hs., R. A.

[144] Gouv.-generaal en raden aan bewindh., 4 Maart 1624, en Corn. van Nieuweroode te Firando aan P. de Carpentier, 3 Dec. 1624 (Hs., R. A.) De laatste spreekt van 8 groote galjoenen en eenige mindere schepen, 6 groote galeien en eenige fregatten.

[145] Dagregister van het Kasteel van Batavia, 27 Jan. 1624, uitgeg. door Mr. J. E. Heeres.

[146] Het bericht bij Blumentritt, Holländische Angriffe, blz. 23, dat de pogingen der Jezuïeten om de Spaansche heerschappij over het eiland Mindanao uit te strekken door Hollandsche schepen werd verhinderd, kan ik niet toelichten, daar hierover niets door mij gevonden werd.

[147] Brief van Le Febvre aan P. de Carpentier, 18 Aug. 1624, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 6.

[148] Brief van gouv.-generaal en raden aan bewindh., 3 Jan. 1624, bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 355, vv. Brief van J. Le Febvre aan gouv.-generaal De Carpentier, 18 Aug. 1624, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 6.

[149] Nachod a. w., S. 187. Ofschoon Nachod den brief van Nieuweroode aanhaalt, zegt hij verkeerdelijk, dat de ambassade in 1624 plaats had. In den brief van den gouv.-generaal en raden aan bewindh. van 4 Maart 1624, (Hs., R. A.) wordt gezegd, dat het schip, waarmee de gezanten naar Manila vertrokken, in Sadsinna was gemaakt, terwijl Nieuweroode, uit wiens brief gouv.-generaal en raden putten, uitdrukkelijk meldt, dat het uit Amerika kwam en Manila niet eerst had aangedaan, waardoor "al 't volc, uit Nova-Spanje gecomen" zich er nog op bevond.

[150] Zie meermalen aangehaalden Brief van J. Le Febvre aan P. de Carpentier, 27 Oct. 1623, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 2.

[151] In een brief van Corn. v. Nieuweroode te Firando aan P. de Carpentier van 8 Dec. 1624, (Hs., R. A.,) lezen we, dat naar men meent, Fajardo door vergif is gestorven en Geronimo de Silva zich met geweld van de regeering heeft meester gemaakt, maar zeer gehaat is.

[152] Brief van J. Le Febvre aan den gouv.-generaal P. de Carpentier, 18 Aug. 1624, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 8. Hieromtrent vermeldt Blumentritt, Holländische Angriffe niets. De tocht van de Spanjaarden naar Sangy heb ik achterwege gelaten, daar deze van Tidore uit heeft plaats gehad.

[153] Brief van Carpentier aan bewindh., Jan. 1625, Hs., R. A.

[154] "Instructie voor P. Muyser en zijn vloot, gaende naer de Manilha's" en Brief van P. de Carpentier aan bewindh., Jan. 1625, Hs., R. A. Weliswaar had het in de bedoeling van de staten-generaal gelegen, dat de Nassausche vloot zich meester zou maken van Manila, maar omdat een te geringe macht van Batavia uit aan deze vloot kon te hulp gezonden worden, gaf Carpentier reeds den 11en Juli in een brief aan l'Hermite, meegegeven aan Sonck, zijn twijfel aan het bereiken van dit doel te kennen. Dezelfde twijfel werd ook uitgedrukt in de instructie van Sonck. Wel hadden de Japanners in Manila ons aangeboden te helpen, maar dit aanbod was niet te vertrouwen, daar allen die daar woonden katholiek waren. Zie "Instructie voor den E. Martinus Sonck", afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 554.

[155] In de resolutiën wordt gesproken van drie Chineesche jonken, maar van vier in het "Cort verhael van de voyagie gedaen met 't jacht Victoria naer de kust van Manilla in 't afwesen van de vloot". Hs., R. A.

[156] Zie Bijlage III, waarin dit gedeelte van de kust uitvoerig wordt beschreven.

[157] Brief van P. Muyser aan Sonck, 22 Mei 1625 (Hs. R. A.). De in dezen brief voorkomende inhoudsopgave geeft ons een eigenaardige bijdrage tot de kennis van de waren, waarin de Chineezen handelden. Er bevond zich in de jonk een kastje met 16 bos gouddraad, een kastje met kamfer, twee met waaiers en een met tabak. Verder wat grof porcelein, kammen, lint, schoenen, timmermansgereedschappen, blauw, groen en geel gedamasceerd papier en poppengoed.

[158] Op De Haen bevonden zich ook, om verantwoording te doen bij Sonck over het te vroeg verlaten van De Victoria, de schipper van het jacht, Keyser, Michel Golliaert en stuurman Frans Bisschop. Zie brief van Muyser aan Sonck, 22 Mei 1626 (Hs. R. A.).

[159] Dit jacht, groot 50 à 60 lasten, had aan den gouverneur van Malakka 3000 dukaten gekost en maakte pas zijn eerste reis. Brief van Muyser aan Sonck, 24 Juni 1626 (Hs., R. A.).

[160] Gheen Huigen Schapenham, admiraal van de Nassausche vloot, aan den gouverneur-generaal Pieter de Carpentier uit Ambon, April 1625, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 34, vlg.

[161] In de instructie van den admiraal l'Hermite, (Hs., R. A.) staat hierover slechts: "Aldaer (omtrent Bolinao en eilanden van Frailes) te wachten, wat ordre de goeverneur-generael van Indië soude mogen gegeven hebben, om volgens zijn raad ende advisen, den meesten dienst aan het land ende aan de O. I. Comp., ende afbreuck aan de Portugesen en Spanjaarden te doen".

[162] Eenige Chineezen, die De Wit, den opvolger van Sonck, gezegd hadden, dat Geronimo de Silva was onthoofd, waren dus niet goed ingelicht. Zie brief van De Wit aan Carpentier, 29 Oct. 1625, (Hs. R. A.). Het was mij niet mogelijk steeds aan te geven, waaruit ik de gegevens putte, daar hetzelfde meermalen in verschillende brieven voorkomt Voor dit mijn laatste hoofdstuk gebruikte ik nog, behalve het reeds opgegevene: Brief van Sonck aan Carpentier, 12 Dec. 1624; Brief van Carpentier aan bewindh., 3 Febr. 1626; Carpentier aan Sonck, 13 Mei 1625; Resolutiën bij den E. Commandeur Pieter Muyser en Raad van de schepen en jachten genomen, gaende van Tayoyan naer de Manilha's, 27 Jan. 1625 tot 20 Mei 1625 en 20 Mei tot 6 Juli; Reus, gezagvoerder van de Oranje, aan Sonck, 24 Mei 1625; Sonck aan Carpentier, 31 Maart 1625; Pieter Muyser aan Carpentier, 23 Mei 1625; Carpentier aan l'Hermite, 11 Juni 1624. Alle in Hs. berustende op het Rijks-Archief.

[163] "Er staat een zeer hooge zee". Goed modern Spaansch zou zijn: "haz muchos grande mar".

[164] De rest van het journaal, als niet direct op mijn onderwerp betrekking hebbende, is door mij achterwege gelaten.