De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626
Part 12
Mede resolveerden den Raet dattet jacht den Haen op 25 deser met advysen naer Tayouwan aende E. Heer Gouvr. sal vertrecken ende dat wy dan voorts mette scheepen 't Wapen van Seelandt, Orange ende 't jacht de Fortuyn naer de cust van China onder de eylanden van Maccau sullen loopen ende aldaer ons water ingenomen hebbende, wederom naer de Piscadores ofte Tayouan sullen oversteken, om naerder ordre van de Heer Gouvr. te verwachten.
21 ditto wast lieffelijck weder; wij deden ons best om N. Hollant aff te vaerdigen.
22 ditto is 't schip N. Hollandt van de cust van Luconia t' seyl gegaen met 219 Chineesen; de Heere Godt wil hun in salvo geleyden; daer op is gegaen voor oppercoopman Harman de Coninck ende voor schipper Gerrit Andriessen [164].
STELLINGEN.
I.
Niet Malakka (vgl. prof. R. Fruin, Tien jaren), maar Macao moet de uiterste factorij der Portugeezen genoemd worden.
II.
Blumentritt (Holländische Angriffe) gelooft te onrechte, dat er in 1616 een verbond bestaan heeft tusschen de Hollanders en Mindanaers.
III.
Indien de politiek van J. P. Coen tegenover de Chineezen nog eenigen tijd was voortgezet, had dit waarschijnlijk het geheele verloop van den handel van Manila ten gevolge gehad.
AANTEEKENINGEN
[1] Een korte beschrijving van dit document.
[2] Vgl. Dr. H. C. Rogge, "De eerste Nederlandsche Handelsonderneming op Oost-Indië en Corn. de Houtman" in Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Aardrijksk. Genootschap, 2e Ser., dl. XII, blz. 399 vv.
[3] Jan Huyghen van Linschoten, Itinerarium ofte voyage ende schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien, Amsterdam, 1595-1596.
[4] Prof. Fruin noemt in zijn Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 's-Gravenh. 1889, blz. 221 Malakka de uiterste factory, die de Portugeezen bezaten en zegt, "dat zij wel handel dreven op de Soenda-eilanden en Molukken, maar er zich niet hadden gevestigd". Ik vermeen dit te mogen betwijfelen. In 1516 was reeds een jonk der Portugeezen naar China gezeild, wat had geleid tot eene voorloopige vestiging op de Chineesche kust, die wel is waar later weer moest opgeheven worden, maar toch gelukte het den Portugeezen na vele inspanningen door list en geweld in 1557 verlof te krijgen van het Chineesche Gouvernement om op een schiereiland aan den mond van de rivier van Canton een stad, Macao, te vestigen. Zie Danvers, The Portuguese in India, London 1894, vol. I, pag. 337, f., 486, f.
Op de Molukken, voornamelijk op Ternate, waren de Portugeezen gevestigd sinds 1521. In 1572 werden zij echter verplicht hun sterkte Gamoe-Lamme opTernate over te geven, waarna zij naar Tidore overstaken en zich aldaar vestigden in een sterkte Maboppo. Ook op Ambon bezaten de Portugeezen eene sterkte. Zie De Jonge, De opkomst van het Nederl. gezag in Oost-Indië, dl. II, blz. 176, 179, 181. Danvers, a. w., pag. 350, 550, f., vol. II, pag. 11 f., 63 f.
Verder blijkt het duidelijk uit een brief van Wijbrandt van Warwyck, 20 Jan. 1600, afgedrukt bij De Jonge, a. w., dl. II, blz. 377. "Op Tydore hebben deze Portugeesen een kasteel, van gelijcken de suytzijden van Ambona".
[5] F. Blumentritt, "Versuch einer Ethnographie der Philippinen" in Petermann's Mittheilungen, Ergänzungsband XV, 1882, S. 59, f.
[6] P. A. Tiele, "De Europeërs in den Maleischen archipel" in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 4e Reeks, dl. V, blz. 189. Voor den handel van Manila in het midden der 17e eeuw zie men Thevenot, Relation de divers voyages curieux, Paris, 1664.
[7] "Om den alleenhandel van Batavia te bekomen", schreef Coen aan bewindhebbers 20 Juni 1628, "moeten wij niet alleen den handel op Manila, Macao, Cochinchina en gansch Indië beletten, maar hem daarenboven langs de geheele kust van China zoozeer kwellen en incommodeeren als doenlijk is". Medegedeeld door Tiele, Bijdragen 1887, 5e R., dl. II, blz. 295. Uit de missieven van Goeverneur-Generaal en Raden aan bewindhebbers van 20 Juni 1623 (Rijks-Archief) sprak dezelfde geest. Kenschetsend zijn bijvoorbeeld hierin de volgende woorden: "Met vriendschap is niet alleen geen handel te vercrygen (met de Chineezen), maar 't is onmogelijk gehoor te bekomen ende alsoo 20 jaer tervergeeffs vrientelijck daer naer getracht hebben, dunckt ons om verscheiden redenen meer dan tijd te wezen, dat geen meer tijdt verliesen, maer ondersoecken, wat met herdicheit verwachten connen. De Chinesche schepen [sullen] de handel op Manilla om 't verlies van goederen niet naarlaten, maar soo haer van daer willen houden, dat al 't volck 't welck becomen, gevangen gehouden off doden moeten".
[8] Oud-Nieuw Oost-Indiën, Amsterdam, 1726.
[9] Mr. L. C. D. van Dijk, "Neerland's vroegste betrekkingen met Borneo, den Solo-archipel, Cambodja, Siam en Cochin-China, Amsterdam, 1862.
[10] F. Blumentritt, Holländische Angriffe auf die Philippinen. Separat-abdruck aus dem Jahresberichte der Communal-ober-realschule in Leitmeritz.
[11] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 5.
[12] Blumentritt, Holl. Angriffe, meende dat dit twee Hollandsche matrozen waren.
[13] Dr. Antonio de Morga, Sucesos de las Islas Philipinas, Mexico, 1609. Slechts enkele bibliotheken bezitten dit werk, o. a. het Britsch museum. Don Joze Rizal Mercado heeft het voltooid en te Parijs uitgegeven; dezelfde, aan wien eenige jaren later (30 Dec. 1896) te Manila de doodstraf is voltrokken. Het werk is vertaald door Stanley onder den titel: "The Philippine islands etc.", Londen 1868.
[14] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 6.
[15] Zie Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VI, blz. 160.
[16] In dezen scheepsstrijd had Van Noort 5 dooden en 26 gekwetsten bekomen en waren slechts 17 Hollanders ongedeerd gebleven.
[17] Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, spreekt slechts van 50 omgekomen Spanjaarden, maar Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 6, noot 6, wraakt dit getal.
[18] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 7, en Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, blz. 161.
De Jonge, a. w., blz. 223, noot, meende, dat het schip aan Alcega ontzeild en in ontredderden toestand voor Ternate was aangekomen. Dit was echter de Hendrik Frederik, die bij het uitvaren van de straat van Magelhaens van Van Noort was afgedwaald. Zie Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, blz. 163.
[19] Oppergerechtshof der Philippijnen, tijdens de regeering van Philips II tevens belast met het opperste beleid in regeeringszaken. Vgl. Tiele, Bijdr. 4e R., dl. V, blz. 181.
[20] De meening van Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, blz. 203, als zou tot het opbreken van het beleg ook meegewerkt hebben het bericht, dat zich Hollandsche schepen voor Banda bevonden, is onjuist, daar de schepen van Wolfert Harmensz den 24en Juni 1602 Banda reeds hebben verlaten. Zie den brief zonder handteekening, te vinden bij De Jonge, a. w., dl. VI, bl. 534, v.
T. C. Danvers, The Portuguese in India, vol. II, pag. 123, behandelt de kwestie zeer oppervlakkig en verkeerd, door te zeggen: "He then appeared before Ternate, but was driven thence by bad weather, and returned to Amboina."
[21] Zie Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VI, blz. 226 en "Uittreksel uit het dagboek gehouden door H. Jansz. Craen" afgedrukt bij De Jonge a. w., dl. III, blz. 186.
[22] Valentijn, a. w., dl. II, blz. 30, en "Accoort van Capitan oock de hoofden van Hitoe ende den admiraal S. v. d. Hagen", afgedrukt bij De Jonge a. w., dl. III, blz. 207.
[23] Zie "Uittreksel uit het Dagboek gehouden door H. Jansz. Craen" afgedrukt bij De Jonge a. w., dl. III, blz. 173. Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VI, blz. 236.
[24] Deze vrees was ontstaan door een copie van een brief, door een Holl. admiraal geschreven aan den Sultan van Ternate, om hem te verzoeken het verdrag met den Sultan van Mindanao te vernieuwen en dezen vriendschap voor de Hollanders in te boezemen. De Hollandsche admiraal beloofde met een nieuwe vloot, die hij uit Holland verwachtte, in de Molukken te komen om de Spanjaarden te verjagen en het gebied over de zee tot aan China te bevestigen. Een zekere Antonis de Silva, vroeger tolk der Hollanders op Ambon, gaf deze copie aan Acuña. Vgl. Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VIII, bl. 53 noot.
[25] Ook bij deze gelegenheid vergist Danvers, a. w., blz. 135, zich waar hij zegt, dat de Spanjaarden na de verovering van Ternate de Hollanders van Tidore verdreven.
[26] De Jonge, a. w., dl. III, blz. 251.
[27] Zie het geheele contract bij De Jonge, a. w., dl. III, blz. 226.
[28] Over de verrichtingen dezer gezanten heb ik niets naders kunnen vinden.
[29] Zie "Journael van Matelieff" in Begin en Voortgang der O. I. Comp., dl. II, 13e stuk, blz. 74.
[30] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 269.
[31] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 266.
[32] Deze, sinds 1605 reeds als koopman op Banda gevestigd, vond in die benoeming een erkenning van zijne goede diensten, onder zulke moeilijke omstandigheden bewezen.
[33] De Jonge, a. w., dl. III, blz. 238.
[34] Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VIII, spreekt van 17 jonken; vgl. echter den brief van H. v. Raey bij De Jonge, a. w., dl. III, blz. 278 en een brief van P. K. Segers, koopman op de Pauw, uit Patani, 2 Nov., 1610 (Hs. R. A.)
[35] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 278.
[36] De bepalingen omtrent de grootte van den buit loopen nogal uiteen. Apol. Schotte achter 't journal van Verhoeff, blz. 114-115 spreekt van ettelijke millioenen gouds. Zie hierover Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VIII, noot 4, terwijl ook Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 13, op grond van Spaansche geschiedschrijvers spreekt van een gezamenlijk bedrag van 500.000 pesos (ongeveer gelijke waarde hebbende als een zilveren ducaat = f 2.50).
[37] Later, in 1612, toonden wij evenmin ernstig het Bestand te willen handhaven; tenminste tijdens de onderhandeling hierover met den nieuwbenoemden gouverneur van de Molukken, Don Geronimo de Silva, schijnt het, dat wij getracht hebben hem op te lichten, wat echter mislukte. Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 261. Trouwens in de resolutiën stond vermeld, dat, indien de Spanjaarden zich niet aan het Bestand stoorden, ook de Nederlanders zich daaraan niet behoefden te houden. Zie Resolutiën Stat.-Gen., 23 Maart 1611, R.A.
[38] Zie den brief van J. P. Coen aan bewindhebbers van Jan. 1614, afgedrukt bij Tiele, Opkomst van het Nederlandsch gezag in O.-Indië, dl. I, blz. 55, vv.
[39] Zie den brief van V. d. Velde van 1 Mei 1614 aan Both, afgedrukt bij Tiele, Opkomst v. h. Nederl. gezag, dl. I, bl. 17. "Hadde brieven gedateerd den 28en Meert van den heer Gouverneur Royael uyte Molucques, die inhouden, de vyand noch nyet en was gecomen, maar voorgenomen hadde in 't lest van April te comen, meenende onze vlote als dan zoude verstroyt wezen, hetwelck vuyt eenen overlooper hadde verstaan".
[40] Hierin vergisten zij zich, daar Reynst eerst in Nov. te Bantam kwam.
[41] In het journaal van Reaal komt de naam aldus voor; in de resolutiën, op den tocht genomen, wordt hij Kaliwen genoemd, terwijl de Spanjaarden hem den naam van Duarte gaven en ook Coen den 13en Dec. 1619 aan den koning van Siau, Duarte Pereira, schreef.
[42] De tolk Maerten Jansz. Vogel was door Reaal, toen hij zich in 't begin van Oct. in La Caldera bevond, naar hen afgezonden.
[43] Zie Journaal van Reael, 20 Juni 1614 tot 11 April 1615, Hs., R. A.; Van Dijk, Neerland's vroegste betrekkingen met Borneo, blz. 216, vv. Resolutiën van Reael en zijne Raden, 20 Juni 1614-11 April 1615, Hs., R. A.
[44] Zie Bijlage I.
[45] Coen aan bewindhebbers, 22 Oct. 1615, aangehaald bij Van Dijk, a. w., blz. 217, noot.
[46] Zie verder hieromtrent den brief van Steven v. d. Haghen aan bewindh., 10 Maart 1616, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 129. Vergelijk ook nog Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 22, en Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 291.
[47] Proposicion de Don Juan de Silva; zie Bijlage II. Vgl. hierover Tiele, Opkomst, dl. I, blz. LX, en Tiele, Bijdr., 5e R., dl. III, blz. 312, noot.
[48] Zie "Correspondencia de Geron. de Silva", blz. 176 vv., 217 vv., 319 vv., aangehaald door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 299.
[49] Dat Juan de Silva op komst was, werd aan de Portugeezen te Malakka bericht door Gonçalo Rodrigues de Sousa. Zie Bocarro, Decada XIII da hist. da India, blz. 416 vv., aangehaald door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 309.
[50] Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 110, en brief van Steven v. d. Haghen aan bewindh. v. 10 Maart 1616, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 118.
[51] Danvers, a. w., blz. 177, noemt als sterfjaar verkeerdelijk 1615.
[52] Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 291 vv.
[53] Zie de in margine gedrukte tegenwerpingen op de "Proposicion de Don Juan de Silva". Bijlage II.
[54] Brief van V. d. Haghen, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 124.
[55] Zie De Jonge, a. w., dl. IV, blz. 44.
[56] 1 arrobas = c. 11 1/2 KG.
[57] Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 16.
[58] Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 317.
[59] Deze schepen stonden onder bevel van Lam, die kort geleden, 10 April, Banda geheel had onderworpen. Tiele, Bijdr., dl. I, blz. 316.
[60] Lam aan Reaal, 11 Febr. 1617, Hs., R. A.
[61] Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 18, spreekt van 87 dooden en 100 gewonden.
[62] Lam aan Reaal, 11 Febr. 1617, Hs. R. A., gebruikt door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I blz. 325.
[63] Resolutiën van Lam's scheepsraad, 23 Sept. 1616-17 Febr. 1617, Hs. R. A.
[64] Op de N.W.-kust van Luçon.
[65] Oorspronkelijk waren er twee zilverschepen geweest, doch het eene was vergaan, nadat volk en lading in het andere geborgen waren, aldus schrijft Lam aan bewindhebbers in een brief van den 11en Oct. 1617, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 172. Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 322, zegt, dat het andere schip, nadat de Hollanders zich uit de baai hadden verwijderd, van de gelegenheid gebruik maakte om binnen te vallen.
[66] In geen der beide brieven van Lam, noch in dien van Claes Maertensz 't Hoofling (vice-admiraal), vond ik iets, wat zou kunnen wijzen op de bekendheid der Hollanders met het verblijf der Mindanaers.
[67] Het 10e schip, De Walcheren, was, zooals wij gezien hebben, naar Ternate gezonden.
[68] De zuidermoesson maakte het hun onmogelijk om naar Bantam te loopen.
[69] Resolutiën genomen bij den Comm. Lam en zijn Raad van 14 April 1617 tot 15 Maart 1618, Hs. R. A. Hiervan is reeds gebruik gemaakt door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 325.
[70] Hoewel mij "Galjas" als eigennaam vreemd voorkomt, meen ik toch in dezen het voorbeeld van Tiele te moeten volgen.
[71] In Resolutiën van Lam en zijn Raad van 14 April 1617 tot 15 Maart 1618, wordt dit schip genoemd De Hollandsche Leeuw. Ook Van Dijk, a. w., blz. 229 vv., noemt hetzelfde schip met de beide namen, terwijl dit ook plaats vindt in de resolutiën genomen door Reaal op zijn tocht naar Manila. Ik vermoed dat de volle naam van het schip luidde "De Hollandsche Roode Leeuw."
[72] Zie den brief van Specx aan Coen uit Firando, 12 Oct. 1617, Hs. R. A. Deze brief wordt genoemd door Tiele, Bijdr., 5e. R., dl. I, blz. 325, noot.
[73] Hierom had hij reeds bevel gegeven de goederen uit De Roode Leeuw te lossen, wat, toen dit schip, evenals de Chineesche jonk door den moesson op 't strand werd geworpen, zeer gelukkig was.
[74] Dit was in den aanvang van het gevecht met een veroverde jonk komen aanzeilen, maar om deze te behouden heimelijk weggezeild. De schipper en koopman van de Engel werden bij sententie van 15 Dec. 1617 van hun ambt ontzet. Zie Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 180.
[75] Zie den brief van Lam aan bewindh., 10 Juni 1618, Nera, Hs., R. A., genoemd door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 324, noot 2; en verder den meermalen aangehaalden brief van Lam aan bewindh., 11 Oct. 1617, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 170.
[76] "Factuur van de goederen onder de vlagge v. J. Dz. Lam in de Manilla's uyt verschillende (10) Chineesche jonken verovert".
't Schip Vlissingen in Japan gelost f 396.036.18.4 't Schip De Roode Leeuw ,, ,, ,, f 345.855.14.8 't Schip De Oude Sonne ,, ,, ,, f 1.521. 8.14 Nieuwe Maen in Molucos aangekomen Engel en in Malleyo gelost f 164.806. 8 De rest v. d. goederen per schip Nieuw Bantam voor Yaccatra f 84.453. 7.11 --------------- Samen f 992.674.64.5
Van de Oude Maen vond ik niets vermeld.
Deze Factuur genoemd bij Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 325, noot.
[77] Zie over het boven behandelde verder Van Dijk, a. w., blz. 224, vv.
[78] Zie Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 180.
[79] Lam aan bewindh., 10 Juni 1618, Nera; in een noot gedeeltelijk aangehaald door Van Dijk, a. w., blz. 235.
[80] Zie Van Dijk, a. w., blz. 234; brief van Coen aan Lam van 30 Dec. 1617, aangehaald bij Tiele, Bijdr., 5e R. dl. II, blz. 224. Tiele ziet hier de veranderde meening van Coen over het hoofd.
[81] Coen schrijft: Portugeezen, maar dit zal wel eene vergissing zijn (Coen aan bewindh., 22 Jan. 1620, Hs., R. A.)
[82] Brief van Coen aan bewindh., 22 Jan. 1620. Zie verder den brief van de XVII aan Coen, 1 Mei, 1619, aangehaald door Van Dijk, a. w., blz. 234, noot.
[83] Zie brief van Lam aan den Koning van Mindanao, afgedrukt bij Van Dijk, a. w., blz. 236.
[84] Barth. Spilbergen was opperkoopman op Batjan geweest, had daarna Westerwolt op zijn kruistocht voor Manila met raad en daad terzijde gestaan en was na zijn terugkomst door Coen den 28en Febr. tot opperbevelhebber van dien tocht benoemd.
[85] In Hollandsche berichten wordt slechts van twee schepen gesproken. Coen aan bewindh., 6 Mei, 1621, aangehaald bij Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 286. Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 21, noemt het getal drie.
[86] Coen aan bewindh., 6 Mei, 1621, aangehaald door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 286.
[87] Zie Van Dijk, a. w., blz. 237, vv.; Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 21; meermalen aangehaalden brief van Coen aan bewindh., 6 Mei, 1621, aangehaald bij Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 285.
[88] Brief van Coen aan Lam, 29 Oct. 1618, aangehaald bij Van Dijk, a. w., blz. 234.
[89] Brief van Coen aan Reaal, 24 Oct. 1618, aangehaald bij Van Dijk, a. w., blz. 234.
[90] Zie hierover De Jonge, a. w., dl. IV, blz. XXXV vv.; Tiele, 5e R., dl. II, blz. 216 vv. en P. A. Leupe "W. Jansz van Amsterdam" in Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 3e R., dl. VII, 1872.
[91] Coen aan bewindh., 31 Juli 1620, Hs., R. A.; "Instructie voor de schepen Elisabeth, Bull, Haerlem en Hoope", afgedrukt (maar vertaald) bij Nachod, Die Beziehungen der Niederländischen Kompagnie zu Japan, 1897, Beilage 19. De Elisabeth en De Haerlem moesten direct doorzeilen naar de kust van China; de Bull en De Hoope naar Macao, om zich daarna bij de twee vorige schepen te voegen.
[92] "In vougen, dat minder meerder commanderen sal, welck niet wel en past", schrijft Coen hierover aan bewindh., 31 Juli, 1620. (Leupe in Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 3e R., dl. VII, 1872, blz. 317.)
[93] Zie de instructie van Rob. Adams, W. Jansz en den raad van 10 schepen, 13 Juni 1620, afgedrukt bij Nachod, a. w., Beilage 20.
[94] Zie bovengenoemde instructie.
[95] Particuliere instructie aan W. Jansz., afgedrukt bij Leupe, Bijdr., 3e R., dl. VII, blz. 317.
[96] Zie de verklaring van Vincent Romeyn (van Lieswyck bij Blanckenburch), aangehaald bij Van Dijk, blz. 239, noot; Coen (brief aan bewindh., 6 Mei, 1621, Hs., R.A.) noemt het zelfde getal schepen, maar in andere verhouding: "4 groote schepen, 4 cleine en 4 galeien".
[97] Fajardo was zelf met 3 groote schepen, 3 jachten en 2 galeien in zee geweest om op de onzen te kruisen, maar had het blijkbaar verstandiger gevonden, zich terug te trekken. Zie Coen aan bewindh., 6 Mei 1621, Hs., R.A. Gebruikt door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 286.
[98] Zie den brief van Jacques Le Febvre (gezagvoerder op de Trouwe) aan bewindh., 14 Oct. 1621, (Hs. R. A.) Coen was waarschijnlijk verkeerd ingelicht, toen hij aan bewindhebbers schreef: "De Spaansche schepen, die voor Cavite lagen, durfden niet uitkomen"; Coen aan bewindh., 20 Dec., 1621, Hs., R. A.
[99] Brief van Coen aan Bewindh., 20 Dec., 1620, gedeeltelijk afgedrukt in een noot bij Van Dijk, a. w., blz. 239. Zie verder Tiele, Bijdr., 5e R., dl. VI, blz. 250 en 258; Leupe, Bijdr., 2e R., dl. VII, blz. 320.
[100] Brief van Coen aan W. Jansz., 10 Maart 1622, Hs., R. A.
[101] "Instructie voor den Ed. Commandeur Cornelis Reyersen en de Raedt van de vloote nae de cust van Chyna varende", afgedrukt bij W. P. Groeneveld, "De Nederlanders in China" in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 6e R., dl. IV, blz. 323.
[102] Dat we hierin goed slaagden, kunnen we in een brief van Coen aan bewindhebbers lezen, waarin hij zegt, dat de Engelschen den handel op de Molukken, Ambon en Banda hadden moeten staken en hem hadden verzocht, hun volk en goederen op de Hollandsche schepen te mogen overbrengen. Vgl. Tiele, Opkomst, dl. I, blz. LVI.
[103] Instructie aan Fred. de Houtman gaande naar de Molukken, in 't Kasteel Amboyna, 11 Juni, 1621, afgedrukt bij Van Dijk, a. w. blz. 249, noot 3.
[104] Brief van Fred. de Houtman aan Coen, 12 Juli, 1621. Reeds gebruikt door Van Dijk, a. w. 249, vv.
[105] Tanda is volgens de meening van Tiele Tandoc op de Oostkust. Zie Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 310.
Op de kaart van Blumentritt in Petermann's Mittheilungen, Ergänzungsheft LXV, komt op de N. O. kust van Mindanao op 9° NB. een plaatsje Tandó voor, wat zeer wel het bedoelde Tanda kan zijn.
[106] "Instructie voor Christaen Francxz oppercoopman gaende met het schip De Hont naer Mindanao" afgedrukt in Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 308 vv. Van deze instructie is reeds gesproken door Van Dijk, a. w. blz. 250.
[107] Op het R. A. is het althans niet te vinden.
[108] Brief van Houtman aan bewindh., 16 Maart 1622, aangehaald door Van Dijk, a. w., blz. 250, noot, en Tiele, Opkomst, dl. I, Inleiding, blz. LXIII.
[109] Het is vreemd, dat kaap Spiritu Sancto alleen genoemd wordt als de plaats, waar de zilverschepen moesten opgewacht worden, terwijl toch door Reaal reeds in 1615 was geschreven aan bewindh. dat zij de embrocadero niet meer zoo precies aandeden. Zie Bijlage I. Tiele meende, dat de gouverneur der Philippijnen, Fajardo, voor het eerst een dergelijk bevel had gegeven na de poging van Barth. Spilberghen in 1620 om de zilverschepen te bemachtigen. Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 286.
[110] Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 288; Van Dijk, a. w., blz. 251; Gouv.-generaal en raden aan bewindh., 1623; Coen aan bewindh., 6 Sept. 1622 en Coen aan bewindh., 20 Juni 1623, Hs. R. A.
[111] Brief van gouv.-generaal en raden aan XVIIen, 27 Jan. 1625, afgedrukt bij Van Dijk, a. w., blz. 252.
[112] Brief van gouv.-generaal en raden aan XVIIen, 27 Jan. 1625, afgedrukt bij Van Dijk, a. w., blz. 252.
[113] Ik schrijf Tandó; in het oorspronkelijk staat Tandau; eveneens staat in het oorspronkelijk 't eylant Cauwel. In Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 7, noot 1, wordt gesproken van Tandag bezuiden Pto Cauit. Vgl. boven, blz. 63, noot 1.
[114] Brief van Jacques Le Febvre aan gouv.-generaal Pieter de Carpentier, 18 Aug. 1624, afgedrukt bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 6, vv. Ik schrijf Liangan op voorbeeld van Heeres. In den brief staat Ligou.
[115] Brief van J. Le Febvre aan gouv.-generaal Pieter de Carpentier, 15 Aug. 1625, afgedrukt bij Heeres, a. w., blz. 47.
[116] Coen deed in 1621 op zijn tocht naar Banda eerst Ambon aan, waar hij 14 Febr. aankwam en dat hij 23 Febr., na er alles in orde bevonden te hebben, wederom verliet. Brief van Coen en raden aan bewindh., 6 Mei 1621, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 272.