De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626
Part 10
Y por la proposicion y rasones referidas y la sedula de su Mag. de treinta de Dieziembre de seiscientos y catorse se conose que su yntencion es que esta jornada se haga con las mayores fuerças que se pudieren juntar del estado de la Yndia y estas yslas comunicando entre el dho Virey y su Señoría la parte donde se podran juntar y la forma de hazer la guerra lo qual y a esta fecha por escripto como esta dicho en quanto a las fuerças no se puede esperar que crescan antes vayan en diminucion y asi mismo por la breuedad y prestesa con que manda se haga la dicha armada no dando lugar a que mas se ynposiblite pide a todos los de la junta traten y confieran este caso como tan ynportante al seruicio de Dios y de su Magestad, y sobre el de sus pareceres para que oydos y entendidos se haga lo que mas conuenga a su Real seruicio Don Iuan de Silua ante mi Gaspar Alvarez.
BIJLAGE III.
JOURNAEL VAN DEN TOCHT GEDAEN VAN TAYOUAN NAER MANILLA AO 1625.
Journael vande tocht ofte voijage gedaen van Taijouan naer de baey van Manilla ende custe van Luconia mette scheepen 't Wapen van Hollandt, Noorthollant ende Orange--mitsgaders de jachten den Haen, Fortuijn ende Victoria ondert commandement van Pieter Jansen Muijser vande 27 January 1625 totten [22en Mei].
Januarij 1625, Maendach. adij 27 ditto des morgens syn wij mette voorsz. ses seylen van Taijouan naerde cust van Manilla seijl gegaen, ophebbende te samen 432 coppen ende gevictualieert voor 5 maenden. De Almachtige Godt gunne dat voorn. tocht mach gedyen tot sijner ere, dienst ende voordeel vant gemeen beste int generael ende der heeren Maijores int perticulier, ende eyntlijck tott onser aller salicheyt.
In see comende setten ons cours S. ten O. langs de wal ende sonden de jachten Fortuijn ende Victoria voorwt om de drye Chineese joncken, die met ons gedestineert waeren naer de cust te gaen ende ons een stuck weechs voorwt ondert landt souden verwachten, te waerschouwen dat wij in see waren ende daerom aff souden comen ende hun onder de vloote begeven.
Des achternoens d'wtterste hooge berch vant landt aen boort hebbende, vernamen noch al laech lant tot des avonts toe, streckende hem al S. ende S. ten Westen. Des avonts quam de Fortuijn wederom onder de schepen maer Victoria noch de joncken hebben niet vernomen. Godt geve terecht mogen comen. 's Nachts seijlden wij langs de wal met cleene seylen S. ende S. ten Westen.
28 ditto vernamen noch Victoria noch joncken niet, waerom niet alleen verwondert maer oock bedroeft werden. Den breeden raet quam aen boort ende ordoneerde een zeijn brieff voor de vloot; oock mede dat de Fortuijn een stuck weechs om d'Oost soude loopen om te sien off geen tijdinge van Victoria conste vernemen; quam des avonts wederom, hadde niet vernomen tot middachs. Hadden hoochte van 22 gra., 22 minuten; des avonts cregen een harde regencaeck; de wint N.N.O., stijve coelte.
29 ditto des morgens waren d'ander schepen een groot stuck after wt soodat wij mr van hun allen waeren.
30 ditto hadden hoochte van 17 gra. 50 minuten; gingen suijen aen om de caep Bolinao int gesicht te loopen; die lach noch 18 mijlen van ons. 't Was drooch maer windich weder; wij waren de scheepen wel een marsseyl te cloeck behalven de Fortuijn die hart seylde.
31 ditto hadden onse stierman des nachts hoochte van 16 gra., 10 minuten, waermede de caep opt lijf mosten loopen, maer soo wij sulcx metten dageraet niet vernamen bevonden dat ons de stroom om de West hadde geset, waerom ons cours om de wal te naecken Oost aen setten. De wint was te Oost; des middachs hadden hoochte van 10 gra., 40 minuten; wij seijlden soo hooch om d'Oost als wij conden.
Februari 1625, Saterdach.
1mo ditto hadden de hoochte van 16 gra., 28 minuten; vernamen noch geen landt, soo dat ons de stroom hart om de West hadde geleyt.
2 ditto des morgens sagen wy de caep Bolinao S. O. ten S. van ons. 't Is laechachtich vlack landt. Wij sagen oock 't hoogelandt van de baij van Pangassivan, wierpent datelijck op de leij ende verwachten de scheepen. Wij resolveerden alhier onder de caep tot morgen toe bij te leggen oft wij eenige tijdinge vant jacht Victoria ende joncken consten vernemen ende dat wij dan recht naer Witters eylandt souden loopen. Des achternoens begon het hart te waijen; wij lietent leggen drijven W. ende W. ten Noorden; des nachts woey het vliegende storm wtten Noorden, ons halsport brack aen stucken waerdoor, eer wij die conde stoppen, een hoope waters in cregen; die see liep overmaten cort ende onverbolgen.
3 ditto des morgens wast hantsamer weder; de scheepen waren bij malcander behalven N. Hollant, die noch niet vernamen. Hadden hoochte van 15 gra., 43 minuten; wy seylden met fock ende voormarsseyl S. O. in de wal met stijve coelte, de wint Noorden.
Des avonts sagen wij Witters eylandt voor wt ontrent 6 mijlen, ende mits dat de son laech begonst te gaen ende 't jacht den Haen een groot stuck after wt was, vondent niet geraden voorts te laten staen, wierpent op de leij ende lieten leggen drijven. Tegens avont quamen de scheepen Orange ende Haen bij ons, claechden veel in voorleden nacht geleden te hebben; Orange meende sijn fockemast een crack hadde; hij vreesde oock dattet met Noort Hollant niet wel en was; den Haen claechde dat veel waeters in genomen hadde ende veel armoede gepasseert. Wij hieldent aff ende aen; sagen des nachts vele vieren opt landt, apparentelyck die van Manilla waerschouwende van ons compste.
4 ditto smorgens wast stilletgens, de wint wtte lande. Orange schoot een schoot ende quam aen boort, claechde dat sijn fockemast dwars door midden was; wij gaven hem een groote marsseyl ree daer hij mede wangde tot dat wij bequamelyck hem beter mochten helpen. Wij lietent voorts in staen, maer vernamen noch N. Hollant noch Victoria niet; wij conden oock Witters eylandt noch niet beseylen.
5 ditto des morgens quam Noort Hollant wederom, Godt lof, by ons; claechde mede dat in voorlede storm veel hadde wt gestaen. De wint was uijtte wal; consten Witters eylandt niet becomen, waeromme wij metten raet resolveerden ons best te doen om inde baij van Manilla te geraecken, om ons van des vijants macht t'informeren.
6 ditto des morgens was het stilletiens; wij dreven ende seylden den heelen dach, maer conden des avonts Mariavelle niet beseylen. Wy sagen dicht ondert landt een cleen vaertuijch, daer 't jacht Fortuijn naertoe sonden, maer condent niet becomen; wy gisten het een chaloupe geweest is, wt gesonden om ons te besichtigen. Des avonts quam de wint wtte wal; wy settent in de mont vande bay op 32 vadem waesachtige gront op het eylant Mariavelle; worden geweldich geviert.
7 ditto. Deden ons best om op te laveren; de wint woey starck N.O. de baeij wt; tegen avont quamen weder ten ancker, hadden geen mijl met laveren gewonnen. Int setten quam Oranje de Fortuijn voor den bouch ende brack 't jachts bouchspriet in drie stucken; den raet quam aen boort ende resolveerde, alsoo wij ballast ende Fortuijn een bouchspriet mosten hebben, dat Oranje syn best zoude doen om voor wt innewaert aen te peuren om, soot doenlyck was, des vijants macht te ontdecken; oock dat schipper Carel mede met Oranje soude opvaren.
8 ditto smorgens ginck Orange seijl ende metten dach lichten wy altsamen mede ons anckers, maer door de harde wint conste geen ofte weijnich voordeel doen; dies quamen des avonts onder Mariavelle wederom ten ancker op 26 vaedem; behalve Orange bleef aen de suijt syde van de baey leggen om mette lant wint bequamelyck op te commen.
9 ditto weder onder seyl gegaen; die wint woeij hart N. Oost die bay wt; wij vorderde weijnich; oock mede cost den Haen niet langer voort, liep voor de wint wederom naer Mariavelle, daer wy iegens avont mette Fortuijn bij hem quamen ende settent op 18 vadem; wy vraechden den Haen watter schort; wisten ons anders geen antwoort te geven als dattet jachts ongebaniertheijt schult was; costen qualyck voorde wint ofte by de wint; 't is voorwaer oock een sober schip, om op dusdanighe tocht te gebruijcken; N. Hollant ende Orange waren een groot stuck de bay opwaerts aen.
10 ditto gingen weder onder seyl, maer jegens avont de scheepen N. Hollandt ende Orange, wederom afcomende, liepen gelijckelyck aen de N.W. syde van Mariavelle in een valleij ten ancker op 30 vadem moddergront, behalve N. Hollant, diet by de wint hielt ende liep van d'ander syde vant eijlant; dorst dees syde, dewijl daer onbekent ende het doncker was, niet aendoen. Den oppercoopman ende schipper van Orange mitsgaders onse schipper Carel Lievensen quamen aen boort ende rapporteerden dat sij soo naer de stadt Manilla ende fort Cavijte waeren geweest, dat sy met een gotelinge schoot het fort conde beschieten ende de menschen perfectelijck bekenden, ende dat onder ditto fort laegen 4 soo groot als gemene gallioenen, een tamelyck schip, een jacht met een galleij, alle t'samen reddeloos, behalven 't jacht ende galley, sulcx dat wy die in d'eerste maent niet hadden te verwachten.
11 ditto quam N. Hollandt mede by ons op de reede ende de vrunden aldaer rapporteerden ons mede van des vijants macht in Manilla gelyck die van Orange gedaen hadden.
12 ditto resolveerden met 100 man ondert gebiet van Jan Pietersen Reus met alle de schippers aen landt te vaeren om 't velt t' ontdekken; oock mede om ballast, hout ende water voor de scheepen te besorgen.
13, 14, 15 ende 16 ditto waren doende om hout tot masten ende bouchsprieten, ballast ende water te halen, dat op dit genouch te bekommen is. 't Was alle daegen lieffelyck schoon weder; wy meenden Noort-hollandt ende den Haen aen d'ander syde vant eijlant te senden, om den vyant, soo hij met cleyn vaertuijch daer verscheen, het landen te beletten, maer alsoo 't gehouwen hout, bijsonder de mast voor Orange, seer wormgeten, swack ende onbequaem naert hacken bevonden worde, ende men vreesde aldaer ontrent geen beeter soo datelijck souden connen vinden, soo worde goet gevonden, naer dat de oude mast by Jan Pietersen Reus ende d' ander schippers was gevisenteert ende geoordeelt worde dat die het noch soo wel een wijltijts soude houden, jae een torn wtstaen, dat wij den 18 deser des morgens soude t' seyl gaen naer Witters eylant ende soo naer de caep Bolinao em te cruijsen, sulcx dat de voornoemde scheepen Noorthollant ende Haen aen d' ander syde vant eylant niet syn gaen leggen.
17 ditto 's Maendachs smorgens is onse boot vrouch naer lant gevaren om de rest van haer water te haelen; de vaten vullende worden door den vijant die aldaer in de ruychte lach, overvallen, schietende geweldich met musquetten naer 't volck, die, hun water verlatende, naer de boot vluchte, 't welck wy inde scheepen vernemende, terstont den vijant met grof geschut daer van dreven, die onse boot doen verlatende, met menichte naer N. Hollants tingal (die een stuck weechs int baytien lach om hout te haelen) toe liepen ende schooten daer menichte van schooten op tot dat eyntelyck ons geschut hun dede het vaertuych verlatende ende namen de wijck aen d'ander syde vant landt. Onse boot quam aen boort; wij misten 5 man, namentlyck vier matroosen ende een Japponder, ende N. Hollant een met drij gequetsten; wy verlooren oock 7 musquetten met haer bandelieren, die 't volck door verbaestheyt int vechten van hun geworpen hadden; hadde den vijant wat meerder patientie gehadt ende sich wat langer bedect gehouden, ongetwijffelt hy soude een groot voordeel op ons hebben connen becomen, alsoo veel volck alreets vande respective scheepen aen lant souden gaen om de rest yder een van syn hout ende water te haelen ende apparent meestal ongewapent (alsoo men nu vast oordeelde daer was geen swaricheyt aen landt te verwachten) maer Godt de Heer heeft ons door dit ongeluck des volcx onachtsaemheyt willen betoonen, wat gebooden ende vermanen men hun doet, datse wel op haer geweer sullen passen ende hun niet bloot begeven ende hunluijder leeren op een andermael sich beeter in ordre ende bij den andre te houden, principaelijck daer perijckel te verwachten is.
Noort Hollant ende de Haen sonden wij terstont om 't eylandt om te sien of geen van des vijants vaertuijch consten vernemen, dat sy ons dat dan met een schoot souden adverteeren, waer naer de boots aen lant voeren vol volcx, al waer commende vonden 2 dooden sonder hoofden, die sy de lichaemen begroeven, sulcx dat 4 van ons volck gevangen met hebben gevoert, waer wt ten deele onse gelegentheyt sullen cunnen verstaen.
Ons volck vonden oock alle hun lege watervaten noch heel, ende 't gehact hout onbeschadicht op 't strant leggen, die sij gevult mettet hout aen boort brachten; apparent isser vrees in hun geweest, daerom oock alle haest gemaeckt hebben.
Jegens avont quamen N. Hollandt ende den Haen wederom by ons ende rapporteerde Jan Pietersen, dat hun docht 2 seyltiens buijten gesien te hebben, maer van des vyants vaertuych hadden niets van cunnen ontdecken ofte vernemen, waerom wij resolveerden des nachts seijl te gaen.
18 ditto Dijnsdachs smorgens lichten wij onse anckers ende gingen t' seyl. Metten dach sagen wy een seijltgen ondert lant van de Limbonis, daer wij al t' samen naer toe liepen; 't woeij een stijve coelte wtten O.N. Oosten; de Fortuijn, wel een vande harste beseijlste wesende, dede het seyltien strycken ende sont het ons aen boort; 't was een cleijn Chinees jonckien met 5 Chineesen, geladen met hout; wilden naer Manilla. Wij lostent hout ende deeldent tot gerieff vande vloot ende namen de Chineesen over, hacten het jonckien in de gront alsoot nergens toe bequaem was.
19 ontbreekt.
20 ditto ontrent middach quamen onder Witters eylant ten ancker op 30 vadem vuijle gront.
21, 22 ditto hebben Orange sijn fockemast, die op Mariavelle gehact hadde, noch ingeset alsoo die beeter bevonden worde als d' oude gebroocken, ende dewijl alhier geen ander te becomen is, hebben ons met die moeten behelpen.
23 ditto des avonts syn wy gelijckelyck van Witters eylandt t' seyl gegaen naer de caep om d' aenstaende maent van Maert aldaer te cruijsen; 't was dagelijcx schoon, lieffelijck ende heet weder.
26 ditto hadden een moije coelte wtte lande, seijlden boven Witters eylandt. Wy vernamen een seyl commende wtte wal; daer by commende was tot ons groot vernougen 't jacht Victoria, dat alhier ende ontrent de caep tot voor de bay van Manilla altoos alleen hadde geswormen; de joncken, seiden hij, hadden op de cust van Formosa, in een gat daer verneken saten, gevonden, ende alsoo die sonder te lossen niet wt conden comen, was hy genootsaeckt die te verlaeten ende naerde vloot te comen, hun belastende te volgen, ende soo ons volgende hadden ons gemist ende tot nu als vooren hier ontrent aff ende aen gelaveert.
27 ditto smorgens vernamen 2 seijlen; waren 2 van onse joncken, die met ons gedestineert waren; hadden het mede altoos hier ontrent gehouden; hun oversten Equan quam aen boort ende rapporteerde had hij ses dagen naert vertreck vant jacht Victoria eerst wt gecomen was met sijn drien, maer dat de derde jonck, niet willende seijlen, by hun verlaten was; vermoet die wederom naer Tayouan toegelopen is. 't Was lieffelyck heet weder, redelycke coelte.
28 ditto smorgens conden wy de joncken niet sien; ons oordeels salt hun seer swaerlyck syn ons te voegen. Equan hielt mij gisteren al vooren om des avonts onder de wal ten ancker te comen, soo dat wijt oordeelen onnosele seeluijden te syn.
Primo Maert, Saterdach des morgens, waren wy weder dicht onder 't landt; wij sagen beyde de joncken, die wij meenden dat op ons aff souden gecomen hebben, maer wij bevonden dat sy liever de wal hielden dan met ons verre in see te loopen; wy sonden 't jacht Fortuijn des afternoens naer hun toe om die onder de vloot te doen comen, maer sy bleven onder de wal.
2 ditto woey het hart wtten Noorden. Des avonts quamen heel dicht onder 't landt ontrent de caep, dat een schoone lantdouwe schijnt te weesen; de Fortuijn met eene jonck quam bij ons, maer soodrae als wij het wederom wenden van de wal t'seewaert, liep de jonck datelijck wederom bij syn macker onder 't landt ten ancker. 't Was heel stil weder, dan de see schoot hart.
3 ditto waren wederom ontrent de wal; wij misten Noort Hollandt, die des afternoens weder by ons quam. Wij sonden 't jacht Fortuijn wederom by de joncken met wat amonitie, als cruijt, musquets, coegels ende lonten, ende lietent hun metten ondercoopman Abraham le Poivre weten, dat sy hun onder onse vlagge souden commen begeven; soo niet, indien hun eenich ongeluck overquam dat wy daer van ontschuldicht wilden sijn.
Des afternoens quam Le Poivre wederom aen boort ende seijde dat de bootschap aen Equan gedaen hadde, daervan ick oock do Le Poivre schriftelycke verclaringe liet teyckenen; een weijnich tijts daer nae quam den Chinees Equan selffs aen ons boort, die ick aendiende volgens de voorige last van Le Poivre, sy mosten hun nevens onse schepen in see begeven ende niet onder de wal houden; soo verre de Spangaerden quamen te vernemen dat sij haer daer onthielden, sy souden groot perijckel loopen van genomen te worden; dat sy daerom gewaerschout souden sijn: wij moesten ofte costen alle avont met onse swaere scheepen soo naer de wal niet commen; ende ick wees hun hoe wij seijlen mosten omde joncken wt China te ontmoeten, daer op my antwoorde 't selve te sullen soo naer comen ende doen (hoe wel groote geneegentheyt toonde om onder de wal te houden, menichmael repeterende "haz mûcho grande mar" [163]) oock dat dat, namentlijck 't opsoucken vande joncken, seer goet was; maer soodrae den quidam wederom in syn jonck was ende dattet ontrent avont worde, liep terstont naer d'ander jonck toe, ende liepen t'samen onder de wal; wij hielen t'see.
4 ditto woey het hart wtten Noorden; lietent leggen dryven om d'ander scheepen in te wachten.
5 ditto wast stille; wij conden alt samen boven de caep Bolinao niet commen.
6 ditto dreven wij boven de caep Bolinao voornompt open gaets vande baij van Pangassivan, een kenningh vant landt.
7 ditto quam den breden raet aen boort ende resolveerde de cust totte Doz Irmanos toe te cruijcen; iterim dat Jan Pietersen mette Fortuijn ende tingal dicht langs de wal soude loopen ende vernemen oft ergens geen bequame reede ende waeterplaetsen waeren, om ons ende andre onse hier naer commende scheepen, des noot synde, daervan te mogen dienen; 't was heel stille ende heet weeder.
Op dato storff d'eerste man van siecte in de vloot opt jacht den Haen.
8, 9 en 10 ditto hadde ons de stroom weer om de Noort geset; wij conden van stilte totte boucht van Pangassivan niet comen, dreven mette seylen gestadich op de mast; ontrent middach cregen een labbercoeltien wtten N.Westen, soo dat wy iegens avont wtte bocht geraeckten. Mette son was de caep Z. ten W. van ons; wij seylden Z.W. ende Z.W. ten Westen.
12 ditto waeren wy ontrent de caep; Jan Pietersen Reus hadde mettet jacht Fortuijn alhier een bequame waterplaets, leggende in een baij, gevonden, maer geene ofte seer onbequame anckergront voorde grooste scheepen; wij sonden alle de boots met 42 musquettiers aen lant om water te haelen; wij ordonneerden 't jacht Victoria soo dicht onder de wal te loopen als de boots bequamelijck soude connen beschermen, ende Jan Pietersen vooruit voer mettet jacht Fortuijn noch wat om de Suijt, om te vernemen oft geen bequame reede voorde scheepen conste vinden.
13 ditto was ick aende waterplaets aen lant; wederom aen boort comende vont Jan Pietersen aldaer, die mij seyde een seer schoone baeij ontrent 1 1/2 mijl van dese baij gevonden te hebben, om voor groote scheepen te anckeren; daerop den raet ontboden ende resolveerden mette vloot daer naer toe te loopen; jegens avont daer comende settent after eene gebrooken, dorren, clippigen houck, een cleen gotelingh schoot vant lant op 9 ende 12 vadem schoone gront.
14 ditto voer Jan Pietersen met alle de schippers met 100 man aen landt om 't selve te ontdecken, maer vonden geen vars water, maer wel een staende poel brack water, die wy bevonden (hoewel vant geberchte aff compt) doort overloopen vande see int suijer mousson brack te wesen; wij resolveerden, alsoo enige vande vloot water van doen hadden, 't strant door te graven om het staende water in see te loopen ende ons dan daer van te dienen soo wij best soude connen.
15 ditto quam Jan Pietersen wederom aen boort ende verhaelde mij, dat een seer bequaem afflopende vars water hadde gevonden, waerom gesamentlijck met alle de boots aen lant voeren met een pertij musquettiers om water te haelen; aen lant comende vonden van enige inwoonders resistentie, schietende vijff ofte ses seitsen ofte pylen naer ons; doch quetsten Godt loff niemant, maer door onse musquettiers vluchten int geberchte, soodat wij innewaerts van strant aff trocken; vonden daer een tamelijck pleyn, beplant met bannanus bomen, suijcker riet met yets anders, daer dese inwoonders hunne residentie hielden, maer apparent soo wy met de vloot hier quamen de vlucht hebben genomen; wij verbooden wel strengelyck dat niemant niettegenstaende d'inwoonders onse vyantschap getoont hadden, per avontuer niet wetende wat natie, oft Spangaerden oft andre, wij waren, alsoo wy vermoeden dat noijt van onse scheepen hier geweest sijn, enige vrucht bomen ofte aert vruchten souden beschadighen, om te sien oft sy ons by dien middel hier nademaels vreedtsamer ons water souden toestaen te haelen.
Aen landt synde meetten andre om 't volck in ordre te houden, quamen 2 seijltiens vande Suijt op comende laveren, waerom terstont Jan Pietersen Reus mette schipper vande Fortuijn aen boort sonden om mette vrunden advys 't jacht voornt daernaer toe te senden; maer aen boort comende vernamen dattet onse 2 joncken waeren, comende op laveren, om welcke oorsaecke, als mede om dattet stil was, niemant daer naer toe sonden; maer jegens avont liepen die wederom naer de wal sonder bij ons te comen; wij gissen dat sij ons niet gesien hebben ende 't was te stille om by hun te comen.
't Water, dat wij hier vonden, spruijt een half musquet schoot vant strant wtter aerde wt drie aderen, ende maekt soo een loopent beeckien tot in see, wel soo starck als inde Tafel baij; 't water is ook soo schoon ende lieffelijck ende in sulcken overvloet, dat ment nauwelyck soude verwenschen, alleenlijck dattet met laech water wat moeijlijck over enige effe clippen in de boots te brengen is.
Deze baij worde bijden raet op d' approbatie vande Heer Generael den naem gegeven van Muijsers bay; leyt op de hoogte van 16 gra., 15 minuten Noorder breete.
De Weste baij ofte waterplaets, 1 1/2 mijl bijnoorden, worde genaempt op gelijcke approbatie Reusen bay; sijn beyde dese bayen seer kenbaer, want vande caep Bolinao aff tot Reusen baij is 't lant effen oft het geschaeft waere, maer aldaer valt het met een inwijck ofte bay in; wederom van daer 1 1/2 myl suijdelijck tot Muysers bay ist wederom effe; dan ontvalt hem 't lant in Muysers baij in 2 ofte driederley heuvelen ende int midden van de bay siet men een ruijge hoeck van boomen; tusschen dien hoeck ende de voorverhaelde dorre clippen aende noortseyde, dicht onder 't lant, is de reede alles gelyck by der stuerluyden journaelen perfecter is geextendeert ende beschreven.
16 ditto waeren noch doende met water te haelen; de scheepen ondertussen d'een wat crengende, d'ander wat drijvende; Orange sette een nieuwe bouckspriet in, alsoo sijn oude onbequaem ende geheel vergaen was. Worde goetgevonden op morgen aen lant te gaen om de scheepen, principaelijck die naer Maccao sullen gedestineert worden, van brant ende ander hout te versien, ende alsdan gelijckerhant op 18 deser wederom in see sullen loopen.
17 ditto waeren met alle de boots aen lant ende hacten een deel brant ende timmerhout voorde vloot.
18 ditto waeren ons volck doende om 't hout aen boort te brengen; ontrent de middach openbaerde hun wederom 8 à 10 swarten, schietende verscheyden pijlen doch quetsten Godt loff niemant, want vluchten terstont boswaerts in alsoo d'onse naer hun schooten; ende quamen ons volck altsamen met hun hout aen boort.