De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626.
Academisch Proefschrift
Ter verkrijging van den graad van Doctor in de Nederlandsche Letteren Aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, Op gezag van den Rector Magnificus Dr. Hugo de Vries,
Hoogleeraar in de Faculteit der Wis- en Natuurkunde,
In het openbaar te verdedigen op Dinsdag 21 Juni 1898, des nam. om half vier In de aula der Universiteit
Door Dirk Abraham Sloos, geboren te Winkel.
Amsterdam.--J. H. De Wit.
1898.
Aan mijne Ouders.
Nu de tijd nadert, waarop ik met dit proefschrift mijn studie-jaren aan de Amsterdamsche Universiteit hoop te besluiten, stel ik er prijs op, mijn dank te betuigen aan allen, die mij met hun kunde en ervaring hielpen den weg der wetenschap te betreden.
In de eerste plaats noem ik u, hooggeachte promotor, prof. H. C. Rogge, wiens colleges en privatissima mij zooveel hebben geleerd niet alleen, maar van wien ik bovendien (ben ik niet te oneerbiedig) als van een ouderen vriend niets dan sympathie en hulp ondervond.
Ook u, hooggeleerde C. M. Kan, ben ik veel verschuldigd. Door uw onderwijs geboeid, kwam ik er toe onder uwe leiding de ontdekkingsgeschiedenis te bestudeeren, wat zeker van grooten invloed op de richting mijner volgende studie is geweest, terwijl verder uwe hulp bij het bepalen van oude plaatsnamen door mij ten zeerste wordt gewaardeerd.
Ten slotte mijn welgemeenden dank aan u, hooggeleerde heeren J. te Winkel, C. C. Uhlenbeck en A. H. G. P. van den Es, voor uw wetenschappelijk onderwijs, zoowel als voor de door u zoovele malen betoonde belangstelling in mij.
Afzonderlijk wensch ik nog een woord van erkentelijkheid te wijden aan u, hooggeleerde Heeres, voor de groote hulpvaardigheid, waarmede mij alle mogelijke gegevens en inlichtingen door u werden verstrekt.
Verder betuig ik allen, die mij nog van eenigen dienst zijn geweest, hier zeer gaarne mijn dankbaarheid.
Eerst was mijn plan voor het gemak van den lezer bij dit werkje een schetskaartje van de Philippijnen te voegen; hiervan ben ik teruggekomen, omdat het kaartje van dien eilandengroep, uitgegeven door de redactie van de "Telegraaf" dit volkomen onnoodig maakt.
INLEIDING.
Zooals overbekend is, waren onze voorouders op het einde der 16e eeuw de vrachtvaarders van Europa. Zij brachten de waren uit het Noorden naar het Zuiden en omgekeerd. Vooral op Portugal en Spanje dreven zij ondanks den oorlog veel handel. Wel werd hun overlast aangedaan en moesten zij veel kwellingen verduren: hier werd beslag gelegd op een schip, daar volk geprest of voor de inquisitie gebracht; maar tot een algemeenen, afdoenden maatregel kwam Philips II niet, daar zijn volk de handelswaren, die de rebellen aanbrachten, te zeer noodig had.
Eerst na den moord op Prins Willem I, in 1585, nam Philips een zeer krassen maatregel, in de hoop dat het volk, hierdoor geheel en al ontmoedigd, Antwerpen te eerder aan Parma zou overgeven. Hij legde nl. onvoorziens beslag op alle Nederlandsche schepen. Onjuist is echter de overlevering, dat deze groote slag onze voorouders met de rechterhand deed grijpen naar het zwaard, met de linker naar den geldbuidel, om op deze wijze desnoods met geweld te bemachtigen, wat hun onmogelijk was gemaakt langs vredelievenden weg te verkrijgen. Niets toch is minder waar. Kort nadat dit nadeel aan de Nederlanders was toegebracht, begon de vaart opnieuw. Wel is waar slechts oogluikend toegestaan en onder vreemde vlag, maar men had de handelswaren noodig en--de Nederlanders werden geduld.
Nieuwe grieven voegden zich echter bij de oude, nieuwe zandbanken deden onze koopvaarders averij beloopen of stranden. Niet alleen van Spaansche zijde werden deze wederom voor ons opgeworpen, ook onzerzijds legde men den Nederlandschen kooplieden vele belemmeringen in den weg. Van 1586 tot 1600 werden er niet minder dan een tiental plakkaten uitgevaardigd, waarbij men den toevoer van leeftocht en oorlogsbehoeften naar de vijandelijke havens verbood.
Bedenkt men nu dat het Nederlandsche volk slechts bestond door den handel, dat het was een volk in opkomst, een volk dat getoond had door druk te groeien, dan is het ons duidelijk, dat het gretig luisterde naar de zeevaartkundige lessen van een Plancius, naar de verhalen van een Linschoten, om hiermede zijn voordeel doende, zelf den steven te wenden naar het Oosten. De eerste scheepstocht naar de gewesten, waarvan wij later het grootste deel in ons bezit zouden krijgen en waaraan de naam van Cornelis de Houtman onafscheidelijk verbonden is, had in 1595 plaats [2]. Na eene afwezigheid van 2 1/2 jaar kwamen in 1598 drie van de vier schepen in het vaderland terug. Reeds spoedig werden deze gevolgd door een tweede vloot, waarna vele andere dezelfde gevaarvolle reis ondernamen. Soms waren dus de Nederlanders in staat een vrij aanzienlijke macht in de Indische wateren te verzamelen, om afbreuk te doen aan hun aartsvijanden de Portugeezen en Spanjaarden.
Met opzet spreek ik van de Portugeezen en Spanjaarden beiden, omdat, hoewel Spanje en Portugal na 1580 vereenigd waren, het bestuur over de respectievelijke bezittingen gescheiden bleef, ja het meermalen is voorgekomen, dat de onzen voordeel behaalden, sterkten behielden door de afgunst en naijver, waarmee de beide naties van hetzelfde schiereiland elkander vervolgden. In de vele vijandelijke ontmoetingen, waaruit wij zoo dikwijls zegevierend te voorschijn traden, hadden wij bijna altijd te strijden met eene afzonderlijke vloot van een van beiden, zelden met een gecombineerde. Deze afgunst is dan ook zeker een factor geweest, waardoor onze macht en invloed zoo snel kon toenemen, zoo spoedig is aangegroeid.
Maar er was meer. Linschoten [3] schreef reeds, op de Portugeezen doelende, in zijn eigenaardige taal: "Vroeger streed men hier om prijs en eere te verwerven en een goeden naam achter te laten maar nu ter tijt sijnse al om rapen uyt". Portugal was in Indië schijnbaar nog zeer machtig. Het bezat verscheidene sterkten op de Oostkust van Afrika, beheerschte den handel langs den tweeden zeeweg naar Indië door het bezit van de groote handelsplaatsen Ormoes en Maskate aan den ingang van de Perzische golf, had Goa tot hoofdzetel van zijn gezag, was na de verovering van Malakka oppermachtig in Achter-Indië, had sterkten op Tidore, Ambon en Macao, om van den uitgebreiden handel op China en Japan nog niet eens te spreken [4]. Deze zoo uitgebreide macht was uitwendig een krachtige boom met gezonde twijgen en groene bladeren, inwendig vermolmd en uitgekankerd. Eenige krachtige bijlslagen en hij zou schudden en wankelen, waardoor het geloof aan zijne onuitroeibaarheid zou verloren gaan. Bovendien ontdekten de Hollanders reeds op hun eersten tocht, dat zij zich de Portugeesche macht nog grooter hadden gedacht dan zij was, want op Java bleek het hun al spoedig, dat de Portugeezen daar niet veel meer vermochten dan ons zwart te maken bij de inboorlingen en hen tegen ons op te zetten; verder ging hun invloed niet. Door de tweedracht tusschen Portugeezen en Spanjaarden werd het ons dus gemakkelijker gemaakt om voordeel te behalen. Vooral bleek dit bij de krijgsverrichtingen, die hebben plaats gehad in de Molukken. Maar behalve dáár, hebben de Hollanders herhaaldelijk meer of minder hevige gevechten geleverd tegen de Spanjaarden in de buurt van de Philippijnen.
Op deze eilanden, zelfs tijdens Philips II nog genoemd Islas de Poniente, waarvan Magelhaens in 1521 de eerste ontdekte, hebben de Spanjaarden zich in 1571 voor goed gevestigd, nadat door Legazpi aan de baai van Manila de hoofdstad der Philippijnen was gesticht [5]. De reden, waarom de Nederlanders zich zoo herhaaldelijk voor Manila vertoonden, was niet zoozeer, omdat zij hoopten den Spanjaarden hun hoofdzetel te zullen ontrukken, doch, daar de Philippijnen steeds eene bedreiging waren voor het rustig bezit van de Molukken, trachtten de onzen de Spanjaarden aldaar zooveel mogelijk afbreuk te doen, hun macht en aanzien te verminderen. En hoe kon dit beter, dan door schade toe te brengen aan den uitgebreiden handel, dien Manila met de Chineezen en Japanners onderhield? Vooral de eerstgenoemden hadden een levendig verkeer met Manila. Jaarlijks kwam een groote handelsvloot aldaar ankeren in de baai van Manila, waar de Chineezen hun waren, voornamelijk zijde, aan den man brachten en daarvoor in de plaats het bij hen zoo geliefde zilver ontvingen, waarvan een steeds grootere hoeveelheid noodig was. Elk jaar werd het geregeld met de zoogenaamde zilverschepen uit Amerika aangevoerd. Hoe enorm groot deze aanvoer was en hoeveel de handel in Manila dus beteekende, bewijst wel het feit, dat de handel van Amerika op Spanje er zoozeer onder leed, dat men in Spanje genoodzaakt werd den zilveruitvoer te beperken tot 500,000 duros (dollars) [6]. Elke belemmering en schade, die wij nu dezen handel toebrachten door het wegnemen der Chineesche jonken of zoo mogelijk door het vermeesteren van een zilverschip, schonk ons niet alleen een rijken buit, maar deed ook bij ons de hoop ontstaan, dat de Chineezen dezen handel, als te gevaarlijk, op zouden geven en hem verplaatsen naar Batavia [7].
Van hetgeen de Nederlanders in de 17e eeuw tegen de Spanjaarden op de Philippijnen hebben uitgericht, vindt men bij F. Valentijn [8] slechts enkele malen gewag gemaakt. Meer bijzonderheden heeft P. A. Tiele in zijn "Europeërs in den Maleischen archipel" meegedeeld, althans tot het jaar 1623. Deze komen echter uit den aard der zaak in zijn studie zeer verspreid voor. Ook Van Dijk heeft op het een en ander reeds gewezen, ofschoon de titel van zijn boek dit niet zou doen verwachten [9]. Wel is waar heeft Blumentritt het onderwerp vrij uitvoerig behandeld, maar daar deze geleerde slechts Spaansche bronnen heeft gebruikt, is hij altijd eenzijdig en dikwijls oppervlakkig [10].
Afzonderlijk is verder het onderwerp niet behandeld; daarom wenschte ik door dit mijn proefschrift die verrichtingen der Hollanders, hun krijgs- zoowel als handelsoperaties aan de vergetelheid te ontrukken met behulp van Hollandsche bescheiden.
HOOFDSTUK I.
Zooals wij gezien hebben werkten allerlei invloeden samen om de Nederlanders in 1595 een scheepstocht te doen ondernemen naar de Oost. De tweede vloot, die zij met dit doel hadden uitgerust, vertrok in 1598 en stond onder de bevelen van Van Neck en Warwijck. In Indië aangekomen, gelukte het hun reeds zeer spoedig te Bantam voor vier schepen eene volle lading te bekomen, waarmee Van Neck besloot huiswaarts te keeren, aan Van Warwijck en Jacob van Heemskerk opdragende met de vier andere schepen den tocht voort te zetten, en handelsverbindingen aan te knoopen met de bewoners van de aan specerijen zoo rijke Molukken. Ofschoon den Portugeezen hierdoor slechts onmiddellijk gevaar dreigde, maakte de gouverneur der Philippijnen, Don Francisco Tello de Guzman, zich toch bevreesd, dat de Hollanders den steven ook zouden wenden naar Manila, om daar onverhoeds de Spanjaarden te overvallen. Ten einde dit te voorkomen besloot Guzman alle meer geïsoleerde posten op te heffen om hiermee Manila te versterken [11].
De eerste Hollander, wien het gelukte de straat van Magelhaens door te varen en de aarde om te zeilen, was tevens de eerste Hollander, die zich in de baai van Manila vertoonde en daarmede de reeks van tochten opende, welke de onzen naar de Philippijnen hebben ondernomen. Olivier van Noort toch kwam 15 September 1600 met nog twee van de vier schepen, nl. de Mauritius en het jacht De Hoop (later de Eendracht gedoopt) bij de Ladronen aan, om kort hierop koers te zetten naar de Philippijnen. Na eenige moeite vond hij weldra de straat Bernardino of straat van Manila, stevende die door en wierp het anker uit voor het daarvoor gelegen eilandje Capoel, waar hij, door bemiddeling van twee op de Amerikaansche kust gevangen genomen inwoners van dat eiland, ververschingen hoopte te bekomen [12]. Maar dit gelukte hem niet, want, waar hij aan land ging, vluchtten de inwoners het binnenland in, waarna Van Noort de verlaten en leege huizen uit wraak in vlammen deed opgaan. Wetende, dat men te Manila het zilverschip uit Acapulco verwachtte en hopende eenige Chineesche jonken buit te maken, besloot Van Noort naar Manila te zeilen, en dit te eerder, omdat hij van de opvarenden van een veroverde Chineesche jonk, die soldaten naar Ceboe had gebracht en met rijst naar Manila terugkeerde, had vernomen, dat het grootste gedeelte van de Spaansche zeemacht naar de zuidelijke Philippijnen was vertrokken om de inwoners daar te tuchtigen. Nauwelijks vertoonden zich de Hollanders den 24en November in de baai van Manila, of de Spanjaarden spanden alle krachten in om twee galjoenen in gereedheid te brengen en daarmede hunne vijanden aan te tasten. Reeds zeer spoedig waren deze in staat zee te kiezen en den 14en December ontmoetten de vier schepen elkander.
Bevelhebber over de beide Spaansche schepen was Dr. Antonio de Morga, oudste van het hoog gerechtshof en schrijver van "Sucesos de las Islas Philipinas" [13]. Morga opende direct het vuur op de Mauritius. Van Noort, die nauwelijks tijd had gehad om het geschut gereed te maken en zijn ankers had moeten kappen, bracht met zijn goed gerichte schoten eene groote slachting te weeg op de dicht op een gedrongen Spanjaarden van het admiraalschip. Niet lang zou dit echter duren, want de Spanjaard enterde weldra het schip van Van Noort en raakte met zijn boegspriet in het boevennet van de Mauritius verward. Of nu de Hollanders zich zelf van deze nauwe aanraking hebben losgevochten, tot wanhoop gebracht door de bedreiging van Van Noort, dat hij de lont in 't kruit zou steken [14], of dat de Spanjaarden op bevel van Morga zich zelf bevrijdden van het in brand geraakte Hollandsche admiraalschip [15], de uitslag blijft hetzelfde: zoodra het Spaansche schip vrij was, zonk het geheel doornageld in de diepte, waardoor Van Noort gelegenheid kreeg om den brand op zijn schip te blusschen en koers te zetten naar Borneo, waar hij 26 Dec. 1600 verscheen [16]. De Spanjaarden waren er wel is waar in geslaagd den vijand te verdrijven, maar ten koste van zware offers. 109 Spanjaarden en 150 Indiërs en negers waren verdronken of gesneuveld, het admiraalschip was met geschut en ammunitie een prooi der golven geworden [17]. Onder de geredden behoorde ook Morga. Intusschen was het Hollandsche jacht de Eendracht door het andere Spaansche schip, waarop Alcega zich als commandant bevond, aangevallen en veroverd, waarna de Spanjaard nog juist bijtijds terugkeerde om de reddende hand te kunnen bieden aan zijn krijgsmakkers, die deels in een boot, deels zwemmende, het land trachtten te bereiken. Biesman, de bevelhebber van de Eendracht, en het grootste deel van de bemanning werd gedood, de overigen in een klooster opgenomen [18].
Ofschoon men dus hier volstrekt niet van een nederlaag der Hollanders mag spreken, kan deze ontmoeting met de Spanjaarden evenmin voordeelig genoemd worden.
HOOFDSTUK II.
Hoe was het intusschen den Nederlanders in de Molukken gegaan? De meeste dezer eilanden behoorden onder de heerschappij van den Sultan van Ternate nl. Sahid, zoon van Baab, van wien gezegd werd, dat hij heerschte over 72 eilanden. Deze Sahid was in voortdurenden strijd met Mamoli, Sultan van Tidore. Daar nu de Portugeezen een fort hadden op Tidore en van daar uit den Tidoreezen steeds hulp verleenden tegen Ternate, lag het voor de hand, dat bij de komst der Nederlanders in de Molukken Sahid alles in het werk stelde om deze vreemdelingen voor zich te winnen. Reeds bij het eerste bezoek stond hij aan Van Warwijck toe er een handelskantoor te vestigen en werd Frank van der Does daar als koopman achtergelaten. Toen de Nederlanders voor de tweede maal Ternate bezochten, deden zij zich aan Sahid kennen als dappere soldaten, die zeer goed tegen de Portugeezen waren opgewassen. Deze toch hielden niet op de Nederlanders bij Sahid zwart te maken en hem wantrouwen tegen ons in te boezemen. Om ze hiervoor eens te tuchtigen, vroeg en verkreeg Van Neck na eenige aarzeling vergunning van Sahid en tastte hij met twee schepen de vier Portugeesche vaartuigen aan. Wel bleef het gevecht onbeslist maar--lafaards waren we niet! hiervan had Sahid de duidelijke bewijzen gezien. Reeds meermalen had de kapitein van het Portugeesche fort op Tidore een bode naar Manila afgevaardigd om hulp te verzoeken aan Francisco Tello. In 1601 had Mamoli zelfs zijn broer Kaitjil (prins) Kota naar de Philippijnen gezonden. Veel vermocht Tello echter niet te helpen, maar toch zond hij ammunitie en eenige manschappen, die reeds dadelijk tegen Van Neck goede diensten konden bewijzen. Tello beloofde een grootere macht te zullen zenden in 1602, welke macht zich dan voegen zou bij de vloot, die de Portugeezen te Goa hadden uitgerust om zich zelf daarmede in de Molukken te nestelen en de Hollanders er uit te weren. Deze vloot verliet Goa den 8en Mei 1601 onder bevel van André Furtado de Mendoza en werd door Wolfert Harmensz voor Bantam verdreven, waarna Furtado de reis naar de Molukken voortzette. Den 10en Februari 1602 kwam hij voor Ambon aan en vestigde daar zijn gezag. Te Bantam en hierna op en om Ambon had hij reeds zoovelen zijner soldaten verloren, dat hij zich in Mei gedrongen gevoelde om bij Acuña, den opvolger van Tello de Guzman, op de beloofde hulp aan te dringen.
Acuña, hoewel hier zeer toe geneigd, was onmogelijk in staat Manila van veel troepen te ontblooten, omdat de verhouding met Japan op dit oogenblik zeer gespannen was, en de zeeroovers van Mindanao en Soeloe steeds brutaler optraden. Toch werd, terwijl door Furtado op Makjan een fort was gebouwd en daarna de haven Talangami op Ternate geblokkeerd werd, in de Audiencia [19] besloten kapitein Gallinato met eene flinke macht aan de Portugeezen ter hulp te zenden. Wel trachtten nu, na aankomst van Gallinato, de vereenigde Portugeezen en Spanjaarden Ternate te nemen, maar gebrek aan samenwerking, het uitblijven van Tidoreesche hulp en het gedeeltelijk overloopen der Amboneezen, deed de verovering mislukken. Furtado gaf 23 Maart 1603 bevel de troepen in te schepen [20], slechtte het fort op Makjan weer en keerde naar Ambon en kort daarop naar Malakka terug. Niet lang zou het echter duren of de Molukken zouden opnieuw de kampplaats worden tusschen de Portugeezen en Hollanders, ten koste van de ongelukkige bewoners. Op 21 Febr. vertoonde de Hollandsche vlootvoogd Van der Hagen zich voor Ambon en reeds den 23en gaven de Portugeezen het fort bij verdrag over. Zij mochten ongehinderd met hun geweer vertrekken; de gehuwden, die blijven wilden, moesten natuurlijk den eed van trouw aan de Staten afleggen; van den voorraad nagelen zou de helft aan de Compagnie worden afgestaan, de helft tegen marktprijs worden overgenomen [21]. De "kapitein Hitoe" sloot namens de Hitoeezen met hem een contract, waarbij men beloofde, elkaar wederkeerig, wat het geloof betreft, geen overlast aan te doen [22]. Hierop vertrok Van der Hagen naar Banda, liet Frederik de Houtman in de vesting op Ambon achter en gaf zijn onderbevelhebber Cornelis Bastiaensz last om met vijf schepen naar Ternate te zeilen en van daar uit zoo mogelijk het fort op Tidore op de Portugeezen te veroveren. Van der Hagen sloot met de Bandaneezen een contract op denzelfden voet als vroeger reeds door Wolfert Harmensz was tot stand gebracht en keerde daarna onverwijld naar Ambon terug, waar hij de bewoners weder tot kalmte bracht, die in opgewonden toestand verkeerden door het gedrag van de bezetting van het fort. Deze had nl. de huizen vernield en de inwoners "getravailleerd", terwijl Frederik de Houtman, in strijd met het verdrag, uit vrees voor verraad, de Portugeezen had gedwongen te vertrekken deels naar Malakka, deels naar Manila.
Cornelis Bastiaensz was intusschen naar Ternate gezeild, overmeesterde de twee Portugeesche vaartuigen, die voor Tidore lagen en tastte daarna de vesting aan. De bevelhebber van het fort, Don Pedro Alvarez de Abreo was echter op zijn hoede, gewaarschuwd door den Engelschen admiraal Middleton, die hem had meegedeeld, wat in Ambon geschied was. Hier ging de verovering dus niet zoo gemakkelijk als op Ambon. Tweemaal liepen de Hollanders, gesteund door de Ternatanen, storm. Tweemaal moesten zij afdeinzen. Het geluk diende ons echter: de kruittoren sprong in de lucht en hierdoor was weldra de vesting ons. Aan Abreo werd met alle Portugeezen vrije aftocht toegestaan "daar het haer geliefde met haer bagage" [23].
Zoo waren dus de Molukken weer in handen der Nederlanders en zij zouden wellicht voor goed aan hen gebleven zijn, indien Bastiaensz door de heeren bewindhebbers in staat was gesteld het veroverde te behouden. Het fort op Tidore werd echter op verzoek van Sultan Sahid van Ternate onbruikbaar gemaakt, terwijl het ons aangeboden fort op Ternate niet voldoende kon versterkt en bemand worden. Het door de Portugeezen verlaten fort op Makjan werd in het geheel niet bezet. Ten gevolge van deze verkeerd begrepen zuinigheidstaktiek der bewindhebbers hadden de Spanjaarden weldra weer licht spel om de Molukken aan de Hollanders te ontrukken.
Terwijl Van der Hagen en Cornelis Bastiaensz zich nog in de Molukken bevonden, waren Acuña uit Spanje en Mexico op zijn herhaald aandringen 1200 man hulptroepen toegezonden onder Juan de Esquivel en uit Malakka twee goed bemande galjooten door Furtado, met dringend verzoek om de Molukken te hulp te komen. Acuña, hiertoe nu op zoo uitnemende wijze in staat gesteld, voldeed om meer dan één reden hier zeer gaarne aan. In de eerste plaats omdat hem met de hulptroepen uit Spanje tevens een koninklijk bevel door den Jezuïet Gomez werd overhandigd, waarbij hem gelast werd zonder hulp van de Portugeezen de Molukken te heroveren, ten einde de nadeelen, voortspruitende uit de nationale ijverzucht der beide volken, te ontgaan, en klaarblijkelijk tevens met het doel om de Molukken direct onder de Spaansche kroon te brengen. In de tweede plaats ging Acuña er gaarne toe over, omdat hij vreesde, dat de Hollanders hunne veroveringen zouden uitstrekken tot de Philippijnen [24]. Den 15en Februari 1606 vertrok Acuña zelf met de vloot van Otong, op de kust van Panay. Juan de Esquivel bevond er zich op als maestro del campo, terwijl over een der drie Portugeesche galjooten bevelhebber was de vroegere kapitein van Tidore, Pedro Alvarez de Abreo.