De nachtegaal Verhalen voor de jeugd

Chapter 6

Chapter 63,368 wordsPublic domain

Zij, aan wie alles vrolijk denkt, Zij nadert thans met spoed. Ja, zij, die ons dat alles schenkt, Wordt dankbaar dra begroet!

De beste, schoonste tijd van 't jaar Komt nu met rassche schreên. De lucht is zacht, de zon schijnt klaar, 't Is lieflijk om ons heen.

De dauw versterkt de plant, nog zwak, Nog krachteloos, nog teêr; De vogel zingt in 't looverdak; Het vischje springt in 't meer.

Vóór korten tijd was alles koud, Was alles dor en kaal; Het frissche groen siert thans het woud, De weiden kleurenpraal!

De bijen gonzen ook al rond; De leeuwrik keert terug; De zwaluw vliegt, dàn bij den grond, Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.

De nachtegaal lispt zijnen klank Betoovrend ons in 't oor; Hij zingt den Heer der Heeren dank, En gaat ons daarin voor.

Wij volgen; zien naar bloem en kruid, Zien dan naar boven weêr; En roepen nu aanbiddend uit: Heb dank, o Hemelheer!

En zeggen voorts uit 's harten grond: O God, wat zijt Gij goed! Slaat allen met mij 't oog in 't rond, Ziet, wat de Vader doet!

Wèl is de meester prijzenswaard, Die alles heeft gebouwd, En deze overschoone aard Zoo liefdrijk onderhoudt!

Maar wat maakt nu eigenlijk de lente zoo schoon? Is het de menigte van verschillende kleuren, waarin zij zich aan ons voordoet? Zijn het de vrolijke toonen, waarmede zij tot ons spreekt? Brengt de blaauwe hemel dit misschien te weeg, die zich met zijne zon, alsof deze ons vriendelijk wilde toelagchen, boven de groene, bloeijende aarde uitbreidt? Of is de zachte lucht, die ons het toeven op elke plaats zoo aangenaam maakt, daarvan de oorzaak?

Neen, mijne lieven! Dit alles is op zich zelf wel schoon en heerlijk, maar desniettegenstaande geloof ik vast, dat alleen _het voorgevoel van hoogeren, eeuwigen bloesem en van eene altijddurende lente_ ons deze zoo onbeschrijfelijk schoon maakt. Wat toch zouden alle lentetijden op deze aarde beteekenen, indien wij, na haar verlaten te hebben, aan de andere zijde van het graf niet eene nieuwe, eene eeuwige mogten verwachten? Wij zouden ons, wel is waar, nog altijd verheugen, maar toch niet zóó, als in het laatste geval, als wanneer wij ons te gelijk met den geest, met ons hart en met de zinnen zouden verblijden. In het eerste, daarentegen, zouden wij dikwijls, zoo niet in droefheid, dan toch in stille weemoedigheid wegzinken, wanneer wij ons, bij voorbeeld, de vlugtigheid van dit lieve jaargetijde regt levendig voorstelden, of dachten, dat deze lente wel de laatste zou kunnen wezen, die voor ons bloeide. Doch door aan te nemen, dat na dit leven eene hemelsche lente op ons wacht, houden wij ons overtuigd, dat wij door den zomer, den herfst en den winter die voortdurende lente te gemoet gaan; en dan wordt daardoor de aardsche zóó schoon voor ons, omdat wij haar als een voorteeken, of beeld, hoewel dit dan ook zwak is, van de andere aanzien.

Zeker denkt de vrome mensch, wanneer hij zoo over de bloeijende velden wandelt, wanneer zijn rondstarend oog overal betooverend schoone voorwerpen ontwaart, alom vreugdeliederen in zijn oor weergalmen,--stellig denkt hij dan: naardien deze aarde bereids zoo wonder schoon, met zoo tallooze bekoorlijkheden versierd is, en ons hart zoo vrolijk en opgeruimd doet kloppen,--hoe fraai en verrukkelijk zal het dan wel bij U in den hemel zijn, o goede God! en hoe groot de vreugde, die daar onzen boezem zal doortintelen!

* * * * *

Het tweede wat de lente zoo schoon en dierbaar voor ons maakt, zal wel de frissche _levenskracht_ zijn, die zich overal aan ons vertoont. Levensgeest werd over alles uitgegoten, is overal werkzaam, waarheen onze blik zich ook keere. Geen enkel plaatsje kunt gij vinden, waar die zich niet kenbaar maakt. Waar ook een halm, een twijgje beschadigd of gebroken werd, binnen korten tijd is die schade hersteld.

Doch het geldt insgelijks van het menschelijke geslacht. Ook wij schijnen eenen nieuwen levensgeest of frissche levenskrachten ontvangen te hebben, die zich werkzaam in ons openbaren. Het winterachtige, matte, ziekelijke, dat in ons was, verdwijnt bij den adem der lente, die ons doordringt; men voelt zich als nieuwgeboren, voelt zijne krachten vermeerderd, versterkt en daarom vermogender; men denkt helderder, onze gewaarwordingen zijn levendiger, en wij zwemmen moedig voort in den grooten levensstroom, die in kronkelende bogten verrukkelijke landschappen doorloopt. Dit gevoel van leven en kracht is zoo weldadig; en wij moeten het aan dit gevoel hoofdzakelijk toeschrijven, dat de lente zulke alleraangenaamste gewaarwordingen in ons opwekt. Al wat wij ondernemen gaat ons daardoor gemakkelijker en vlugger van de hand, kost ons maar weinig inspanning, en heeft desniettemin eenen zekeren graad van volkomenheid bereikt. Zelfs de grijsaard, die zich, zoolang de winter duurde, zwak en mat gevoelde, zelfs hij bespeurt, wanneer de _Bloeimaand_ daar is, iets in zich, dat hem zijne vroegere rapheid, vlugheid van geest en buigzaamheid van ledematen herinnert, en zuigt met lange teugen als het ware een nieuw leven in.

En wat u betreft, mijne lieven, gij zoudt wel den geheelen dag in de vrije natuur willen doorbrengen, zoozeer lokt zij u aan, en uwe ouders en onderwijzers staan u gaarne de meestmogelijke vrijheid toe, want zij weten wel, dat de Meimaand slechts eens in het jaar bloeit, en de jeugd, dat eenige tijdperk van ongestoord genot! dat deze, zeg ik, nimmer weder bloeit.

* * * * *

Ook de _verscheidenheid_, die der lente eigen is, maakt haar voor ons schoon en dierbaar.

Werkelijk, die afwisseling is onbegrijpelijk groot en niet ligt te overzien. Hoevele kleuren, om maar iets te noemen, biedt de bloemenwereld ons aan! Welke afwisseling onder de rozen, geraniums, tulpen! Hier bloeit eene plant met roode, daar met blaauwe, op deze met witte, op gene met gele kleur, en hoe vaak mengen zich verschillende kleuren tot eene nieuwe, geheel eigenaardige, maar daarom niet minder schoone kleur, voor welke men somtijds niet eens eene passende benaming kan uitdenken. Hoe verschillend en veelsoortig zijn verder de planten, wanneer men hare vorming of natuur nagaat. De eene schiet hoog op, zoo als de lelie, eene andere, bij voorbeeld het viooltje, schijnt zich voor het zonlicht te willen verbergen en blijft laag bij den grond. Sommigen strengelen zich om boomstammen en klimmen op deze wijze hoog op; anderen kronkelen zich langs den grond of strengelen de twijgen in elkander.

Nog grooter verschil merken wij op bij de bladeren en bloesems, hetgeen gij zelven ligtelijk kunt nagaan, als gij maar eens een uurtje wilt doorbrengen met de verschillende bladeren en bloesems van onderscheidene plantsoorten naauwkeurig gade te slaan. Gij ziet dan getakte of tandvormige, ronde, langwerpige, smalle, breede, platte, gebogene, en op nog tallooze andere wijzen gevormde bladeren, waarvan het eene minder of meer op het andere gelijkt, maar elk toch in zijne soort schoon en uwe belangstelling overwaardig is.

En dan de bloemen in hare rijke verscheidenheid! De lelie, het vergeet-mij-nietje, de roos, het viooltje, de resida, de aster, de tulp--hoe onnoemelijk verschilt de eene van de andere in kleur, vorm en geur; bij elke is de bloem op eene andere wijze, geheel eigenaardig gevormd. Ja, wij gaan nog verder! Zelfs bij een en hetzelfde geslacht treffen wij groote verscheidenheid aan, ten bewijze waarvan wij u enkel de verschillende soorten van rozen willen herinneren. Vergelijkt eene honderdbladige roos en eene mosroos bij elkander, en het groote verschil zal u bij den eersten oogopslag duidelijk blijken. En wezenlijk het is ook een verbazend onderscheid! Niettemin zijn beide toch kinderen uit hetzelfde geslacht, zijn beide onmiskenbaar _rozen_. Welnu, daarop afgaande, hoe groot moet dan het onderscheid tusschen verschillende soorten wel wezen! De verscheidenheid der lente bepaalt zich evenwel nog niet eens bij de bloemenwereld, zij strekt zich tot alle planten in de groote schepping uit, tot het grootste en tot het kleinste, en blijft overal even bewonderingwaardig. Wij ontdekken haar in de boomen van het woud en in de grassoorten, in de bloemen en in de heesters, in de planten waarmede wij ons voeden, en in het onkruid, en wij moeten ten slotte verbaasd en opgetogen uitroepen: God, hoe groot zijn Uwe werken, hoe ver gaat Uwe magt, hoe diep dringt Uwe wijsheid door, hoe vertoont gij U in elk voortbrengsel als onzen liefderijken Hemelvader!

* * * * *

O, mijne lieven, laat ons de goedheid en wijsheid van den grooten God aanbiddend prijzen, wanneer wij des morgens of in eenen avondstond Zijne natuur in de Bloeimaand doorwandelen, wanneer het gezang van den leeuwerik uit de helderblaauwe lucht, het lied van den nachtegaal, die op een bloeijend takje kwinkeleert, ons door het oor in het hart dringen. De geur, die rondom ons als uitgegoten is en bij het ademen onze reukzenuwen zoo aangenaam prikkelt, is de rook, die van de altaren opstijgt, welke de geheele natuur voor haren Schepper heeft ontstoken. Die geur stijgt opwaarts naar den hemel, gelijk het gebed dat uwe lippen stamelen, terwijl uw hart zich als oplost in een diep gevoel van dankbaarheid; en geen gebed is den Allerhoogste welgevalliger, dan dit!

Prijst Hem, wanneer gij voor uwen vader of uwe moeder eenen ruiker plukt, een kransje vlecht, en gij op nieuw verbaasd staat over de schoonheid, die gij overal in de tuinen en op de velden ontwaart,--prijst Hem, dankt Hem, want Zijne hand heeft dat alles zoo fraai geschapen. Hij heeft de kleurenpracht aan die millioenen voorwerpen gegeven, Hij den geur over dit alles uitgestort!

Prijst Hem, zoo dikwijls gij langs een zaaiveld wandelt, dat reeds met slanke halmen overdekt is; Hij toch doet het brood uit de aarde voor ons groeijen, Hij zorgt even vaderlijk voor onze andere behoeften, opdat geen enkel Zijner schepselen gebrek zou lijden.

Maar slaat vooral den blik gedurig hemelwaarts, want al die heerlijkheid zou dood voor ons zijn, zoo wij niet wisten wie het aldus geschapen heeft, en als wij Hem, die het elk jaar tot een nieuw, jeugdig leven opwekt, niet met den naam van Vader mogten aanspreken.

Prijst Hem bij het opkomen, prijst Hem met den ondergang der zon! Want ook deze is een zinnebeeld van Zijne liefde en Zijne vaderlijke gezindheid, vermits zij alles koestert en verblijdt. Prijst Hem onder den met sterren bezaaiden hemel! Want de sterren zijn de oogen der Voorzienigheid, die waken, wanneer alles op de aarde rust en slaapt. Prijst, o, prijst Hem bij de aardsche lente, weest dankbaar, en houdt, om dit te betoonen, Zijne geboden, opdat gij eenmaal de onvergankelijke, de hemelsche lente deelachtig moogt worden!

IV.

Laat ons eindelijk de lente bij haar _verwelken_ en haar _vertrek_ gadeslaan.

Dit verdwijnen leert ons, dat al het schoone op aarde vergankelijk is en maar korten tijd duurt. Het schoone is op deze wereld een vreemdeling, die zijn vaderland in hoogere spheren moet zoeken. Gelijk de dag, nadat hij zijne grootste lengte bereikt heeft, weder afneemt totdat de kortste andermaal gekomen is, zoo ook viert de plant haren hoogsten levensstaat in den bloeitijd; daarop vermindert zij en begint langzamerhand te kwijnen en te verwelken. Hetzelfde is op de lente van toepassing. Met het uitbloeijen van de rozen trekt zij weg, en het lied van den lentezanger, den nachtegaal, verstomt. Wij worden haar vertrek niet aanstonds gewaar, want zij vertrekt stil en ongemerkt, en heeft aan haren broeder, den zomer, opgedragen, ons nog menige liefelijke bloem te komen brengen, opdat haar gemis ons niet te zeer zou bedroeven. Maar wat heeft zij ons dan nu eigenlijk gebragt? Schonk zij ons niets anders dan bloemen die spoedig verwelken, niets dan vergankelijken bloesem? Liet zij geen enkel aandenken achter, dat ons haar bezoek levendig konde herinneren?

Neen, zij bragt ons iets anders, iets beters! De bloesem, met welken zij het plantenrijk tooide, moet ons niet alleen een fraai schouwspel aanbieden, ons oog bekoren door de pracht die deze uitstortte, maar moet, na die pracht en schoonheid verloren te hebben, iets achterlaten hetgeen ons daarvoor schadeloos kan stellen, te weten _de vruchten_, die zich uit den bloesem ontwikkeld hebben. Ziet eens naar dien kerseboom, die vóór weinige weken in zijn feestgewaad prijkte, hoe rijk hij met vruchten beladen is, hoe deze met elken dag vooruitkomen en bijna met ieder uur meer schijnen te rijpen. Binnen een klein tijdsverloop zullen wij ons aan de vruchten van dienzelfden boom kunnen vergasten, op welks bloesem ons oog vroeger in verrukking bleef staren. Aldus ging de lente ongemerkt voorbij, maar liet ons toch veel achter, waardoor wij ons dankbaar harer herinneren.

Hoe zal het nu zijn, wanneer de lente van uw leven, uwe jeugd, verstreken is? Zullen dan ook rijpe vruchten de plaats van den bloesem vervangen hebben? O, hoe treurig zou het wezen, bijaldien de boom van uw leven enkel _gebloeid_ hadde, en hij in lateren tijd geene _vruchten_ droeg! Wat zou de herfst dan kunnen opleveren? Wat zoudt gij kunnen inoogsten? Wanneer de Heer u ten laatste oproept, om rekening van uw levensgedrag te doen, hoe beschaamd zoudt gij voor Hem moeten staan, indien gij niets hadt overgewonnen en met ledige handen kwaamt? In den tuin van uw leven staat immers geen enkele boom, die geene welige vruchten belooft; elke doornachtige struik bloeide toch alleen daarom, ten einde in den herfst ook zijne vruchten of zijn zaad te kunnen opleveren? En zou dan uwe jeugd vervliegen, zonder gegronde hoop op eenen gezegenden, vruchtbaren herfst aan te bieden; zou zij niets anders, dan een enkele bloeitijd geweest zijn? O, zoo dit het geval wordt, dan zal het zekerlijk geheel en al uwe eigen schuld wezen! Gij hebt dan òf volstrekt geenen bloesem gedragen, òf dien niet met de noodige zorgvuldigheid tegen storm, nachtvorst en nadeeligen dauw beschut. Doch de jeugd _moet_ bloesem dragen, want daartoe is de menschelijke natuur bestemd; en alles, wat schadelijk voor haar is of zou kunnen worden, dat kan men tegengaan, wanneer een krachtige, onwrikbare wil, wanneer een onvermoeide ijver ons aanspoort. En desniettegenstaande verstreek de jeugd van menigeen zonder bloesem. Helaas, de ondervinding leert ons dit nog altijd, hoewel, gelukkig! de gevallen zeldzaam zijn. Maar, zult gij welligt vragen, draagt de menschelijke natuur de schuld daarvan, of moet ik welligt de oorzaak in den Schepper zoeken? O, dat volstrekt niet! Doch wanneer deze beiden geene schuld hieraan hebben, in wien of wat moeten wij die dan zoeken? Helaas! in ons menschen zelven. Daarmede is het aldus gelegen: de geest en het hart van den mensch gelijken naar de aarde, die hij bewoont. Wanneer deze niet vlijtig en zorgvuldig bewerkt, niet bezaaid en onophoudelijk verpleegd wordt, dan blijft zij dor en onvruchtbaar, en brengt niets op dan onkruid, dat, wel is waar, ook vruchten draagt, doch enkel zoodanige, die geene waarde hebben, die men, omdat zij tot niets deugen, laat rotten of als vuilnis wegwerpt. Ook kunt gij geest en hart bij eenen boom vergelijken. Als deze niet verpleegd wordt, als men de overtollige takken niet op den bestemden tijd afsnoeit, als men hem gebrek aan voedsel laat lijden, en de schadelijke insecten, die zich er op neêrzetten, niet tijdig verjaagt,--dan kan het ligt, ja, zal het bijkans immer gebeuren, dat hij geenen bloesem draagt, dat hij van dag tot dag wegkwijnt, verdort, in den herfst ziek is en volstrekt geene vruchten oplevert.

Die zaaigrond, die boom, mijne lieven, zijn de zinnebeelden van uwen geest en van uw hart. Indien gij beide niet vroegtijdig bewerkt en verpleegt, maar den eersten braak laat liggen, voor uw hart de noodige zorg niet draagt; indien gij de zaden, die u aangeboden worden, niet aanneemt en aan den schoot der aarde toevertrouwt; of indien gij in dien tijd, waarop de jonge kiem voor den dag komt, uwe handen in den schoot laat rusten, in plaats van ijverig te begieten, te verwarmen, het daartusschen groeijende onkruid te wieden, en elken morgen, iederen avond vlijtig alles te verrigten wat voor den groei bevorderlijk kan zijn,--als gij dat nalaat, hoe kunt gij dan billijkerwijze op bloesem, op vruchten hopen?

Maar zelfs ingeval gij dat alles gedaan hadt, totdat de bloesem zich nu werkelijk vertoonde en u voor uwe moeite en zorg beloonde,--dan blijft u nog altijd veel te doen overig, en uwe zorgvuldigheid mag volstrekt niet verslappen, uw ijver en vlijt niet verminderen, bijaldien gij later van dien bloesem ook de zoete vruchten wenscht in te oogsten. Iedere komende, iedere vertrekkende lente roepe u die vermaning voor den geest terug; en zoo gij aan die waarschuwende stem het oor leent, dan zult gij later niet vruchteloos op eenen gezegenden herfst hopen, en gij zult in de eeuwige lente rijpe en vele vruchten medebrengen.

* * * * *

Het verwelken van de lente verwekt allezins een _weemoedig_ gevoel in ons hart.

Wanneer men zooveel schoons en heerlijks, dat onze zinnen en ons gemoed even sterk aantrekt en met reine vreugde vervult, ziet verdwijnen, hoe zou het anders kunnen, of een zoodanig verlies moet smartelijke gewaarwordingen bij ons doen oprijzen? Wij reikhalzen immers zoo langen tijd naar de lente, waren zoo regt verblijd, toen zij eindelijk met haren bloesem en liederen tot ons gekomen was, zoodat wij nu wel reden tot droefheid hebben, wanneer zij ons wederom gaat verlaten, dewijl met haar zoo veel lieflijks voor ons verloren gaat, en wij ons tot eenen langen, somberen, kouden winter moeten voorbereiden, alvorens wij haar andermaal mogen begroeten.

Diezelfde smartelijke gewaarwording, mijne lieven, welke gij gevoelt, wanneer de lente afscheid van u neemt, diezelfde, zeg ik, zult gij ook dan ondervinden, wanneer uwe gelukkige jeugd achter u ligt. Ja, zelfs zal zij nog veel smartelijker zijn! Elk jaar keert de lentetijd terug; maar de lente van ons leven, onze jeugd, eens voorbijgevlogen zijnde, is voor altijd verdwenen. Geniet haar daarom met een vrolijk en onbezorgd hart, geniet haar in volle maat, smaakt al dat genoegen wat zij ons kon verschaffen! Maar geniet haar tevens op eene _verstandige_ wijze, opdat gij later zonder berouw en met onverdeeld genoegen aan haar kunt terugdenken, wanneer gij in latere jaren uw meeste geluk in de herinnering aan vroegere tijden zult moeten zoeken.

* * * * *

Maar de vertrekkende lente verwekt ook eene _vrolijke aandoening_ in het hart van den mensch, wanneer hij ten minste niet al zijne hoop en vrolijke verwachtingen op aardsche belangen heeft gesteld, maar deze hem boven het stof en de nietigheid van de aarde, waarop hij zich als een gast, als een vreemdeling beschouwt, naar zijne blijvende woonplaats opvoeren.

"Moge de eene lente voor, de andere na verwelken en ons verlaten," zoo spreekt de ware Christen, "moge het jeugdige voorkomen van het ligchaam en het leven verdwijnen; wat kan mij dit deren? Ik ken het land, alwaar jeugd en lente eeuwig bloeijen, en weet, dat eene liefderijke hand daar eene plaats voor mij heeft bereid, die niemand mij kan ontrooven, indien ik hier op aarde mijne jeugd zóó besteed heb, als ik haar moest besteden, wilde ik niet dor en onvruchtbaar naar het andere vaderland vertrekken. Daarom mag ik ook niet treuren, vooral den moed niet laten varen, omdat het schoone zoo snel verdwijnt, omdat de wintertijd in de natuur en in mijn leven zoo spoedig aanwezig is!"

Zóó spreekt de Christen, en zoo _moet_ hij spreken; omdat deze aarde, waar alles vergankelijk is, op welke de lente slechts eene snel voorbijgaande verschijning is, hem, zooals hij vast en zeker weet, wel voor eenigen tijd, maar niet voor altijd tot woonplaats is aangewezen.

+------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | | stilzwijgend hersteld. Bladzijde-nummering is verwijderd. | | | | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst | | is in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. | | Het cursief is weergegeven als _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. | | | | De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: | | (NB. regel 1 = 4 witregels voor begin titel): | | | | Plaats Bron Correctie | | Regel 56 gelschap gezelschap | | Regel 74 [Niet in bron] " | | Regel 136 [Niet in bron] " | | Regel 216 [Niet in bron] " | | Regel 334 geboorte dag geboortedag | | Regel 412 [Niet in bron] " | | Regel 435 [Niet in bron] " | | Regel 483 [Niet in bron] " | | Regel 533 [Niet in bron] " | | Regel 593 miet niet | | Regel 695 lielde liefde | | Regel 906 zondt zoudt | | Regel 909 " [Verwijderd] | | Regel 1103 neervleijen neêrvleijen | | Regel 1130 daf dat | | Regel 1136 miju mijn | | Regel 1563 zon zou | | Regel 1708 [Niet in bron] " | | Regel 1709 " [Verwijderd] | | Regel 1772 naahtegaal nachtegaal | | Regel 1890 wijsste wijste | | Regel 2335 bloemen-wereld bloemenwereld | | Regel 2363 honderbladige honderdbladige | | Regel 2371 ondekken ontdekken | | Regel 2495 neerzetten neêrzetten | | | +------------------------------------------------------------+