De nachtegaal Verhalen voor de jeugd

Chapter 5

Chapter 53,919 wordsPublic domain

De gravin vouwde de handen en sprak: "o mijn zoon! wat is er niet gebeurd sedert het uur, waarop wij hier den nachtegaal voor den eersten keer hoorden slaan! En dit uur ziet ons thans allen weer op diezelfde plaats vereenigd, en wederom laat de nachtegaal zich hooren! Hoe hadde ik toenmaals bij mogelijkheid kunnen vermoeden, dat God, de Almagtige, in zekeren zin door het gezang van den nachtegaal uwe redding van eenen ijselijken dood in latere tijden zou bewerken. Zoo bestuurt en beschikt de wakende hand der Voorzienigheid al onze aangelegenheden! Aanbidding, lof, prijs en dank zij den liefdevollen Hemelvader toegebragt, die alle vogels onder den uitgestrekten hemel onderhoudt, maar zijne kinderen, de menschen, nog oneindig meer bemint, en alles, wat gebeurt, vol wijsheid en liefde voor hen ten beste schikt. Het gezang van elken vogel, ieder zingende nachtegaal roepe ons derhalve dit toe: lof en prijs en eer zij den Allerhoogste door zijne dankbare kinderen toegebragt!"

OVERDENKING IN DEN SCHOONEN LENTETIJD.

Geen der vier tijdperken, waarin het jaar verdeeld wordt, is zoo schoon, zoo verrukkelijk, als de lente. Wie zou den heeten, brandenden zomer boven haar verkiezen? Wie den winter, welke ten hoogste sledevreugd en ijsvermaak aanbiedt, doch overigens meestal somber, koud of stormachtig is? Ja, zelfs de herfst, die toch ooft, allerlei vruchten en etenswaren brengt, kan met dit aanvallige, bloeiende kind van het jeugdige jaar niet vergeleken worden. Hebt gij immers niet, mijne lieven! den geheelen winter door naar hare verblijdende komst gereikhalsd? Was het niet een geluid, dat u als zoete melodij in het oor klonk, toen de wind, die den dooi voorafging, begon te bulderen? Was het niet een gewenscht schouwspel, toen de sneeuw, die u reeds lang verveeld had, het eerst op de landen begon weg te smelten? Toen immers huppeldet gij elken morgen, zoodra gij het bed had verlaten, naar het venster, om te zien, of het daar buiten er nu minder winterachtig zou uitzien; en als gij u overtuigd hadt, dat zulks werkelijk het geval was, alsdan, niet waar? riept gij elkander hartelijk verblijd en verheugdet u gemeenschappelijk. Juichende ontvingt gij den ooievaar, die u uit verre landen tijding van de lente kwam brengen. Gij sprongt op van vreugde bij de eerste toonen, die de leeuwerik in de heldere lucht deed hooren. Elk groen halmpje, dat gij ontdektet, ieder blaadje, dat sedert den vorigen dag was uitgekomen, bragt u nieuw genoegen. En toen nu de krokussen, toen nu eindelijk de viooltjes voor den dag kwamen, toen kende uwe vreugde paal noch perk, en herhaaldelijk gingt gij elken dag met nieuwe blijdschap naar die eerste kindertjes van het voorjaar kijken, hoewel hunne kleur nog niet die schoonheid bezat, welke hun later zoo doet uitmunten, hoewel hun geur weinig en bijna onmerkbaar was. Spoedig kwamen tallooze andere te voorschijn; zweefde de vlinder door de lucht, veel naar eene gevleugelde bloem gelijkende; vernam men den schellen slag der vinken; ontsproten dagelijks nieuwe halmen, ontloken bloemen, werd het gras in de tuinen en op de weiden meer en meer welig;--en nu werd de hoop op de spoedige komst der lente immer levendiger, van dag tot dag meer gegrond.

Doch MAART bragt meestendeels donkere, regenachtige dagen; sneeuwbuien, min of meer sterk, bedekten herhaalde keeren den grond, hoewel dan ook voor korten tijd, en eerst later begon de zon zacht en groeizaam te schijnen, waardoor de sneeuw overal verdween, en de aarde aan haar zomergewaad begon te denken, waarmede zij zich op enkele plaatsen reeds getooid had.

Ook de maand APRIL had hare oude gewoonte niet afgelegd; zij zond bij afwisseling sneeuwvlokken, hagelsteenen, regen en zonneschijn; en dikwijls overviel u spoedig eene sneeuwbui, terwijl gij bij zonneschijn en eenen helderen hemel waart uitgegaan. Middelerwijl zijn de zwaluw en ook de nachtegaal aangekomen, en hebt gij op dat gezigt verblijd uitgeroepen: "nu, nu is de lente zoo goed als begonnen! want deze beide vogeltjes zijn de laatste voorboden van de zachtaardige en lieflijke vorstin, die haren troon, in tegenoverstelling van den grijzen winterkoning, wijd en zijd, vrolijk en lustig opslaat. De lucht is ook alreeds oneindig zachter geworden, de zware, sombere regenwolken trekken weg, de zon breekt door en schijnt bij het ondergaan ons eenen nog veel schooneren dag voor morgen te beloven!"

Zoo riept gij vrolijk uit; en gij zijt in uwe verwachting niet teleurgesteld geworden. Met haar is de lente in al hare praal en heerlijkheid verrezen. Nu trekt de geheele aarde haar lentekleed aan; duizendtallen van zangers begroeten de aangekomene met vrolijke liederen; de vloed roept haar ruischend het welkom toe; en hoog in de lucht ziet de arend met zijne scherpe blikken naar de aarde neder, hoe daar millioenen knoppen en bladeren heinde en ver ontluiken, als ware het, om hunne geuren als een offer van innig gevoelde dankbaarheid op het altaar der Lente uit te storten. Laat ons ook haar alzoo begroeten met een van vreugde kloppend hart, en dat zij ons hartelijk welkom moge wezen op onze aarde, die zij zoo overheerlijk met frisch groen, bloemen en bloesems van ontelbare soorten versiert; en wanneer zij ons wederom verlaat, laat ons dan zorg dragen, dat wij eenen vollen, geurigen ruiker, dien wij tijdens haar verblijf plukten, tot een aandenken aan de welkome bezoekster in de hand houden, welke ook dan nog bloeit en geur verspreidt, wanneer alle aardsche lenten ons reeds voorbijgevlogen zijn!

Het zal, geloof ik, niet onaardig zijn, indien wij de lente in hare drie onderscheidene tijdperken beschouwen; namelijk in hare _wording_ of _komst_, in haren _bloei_, en in haar _verwelken_ of haar _vertrek_.

In elk van deze drie tijdperken heeft zij hare eigenaardigheden, en spreekt op eene andere wijze tot onzen geest, ons gemoed en onze zinnen.

I.

De _wording_ of _komst_ der lente is geheimzinnig. Wel kennen wij de hand, die haar in het aanzijn roept, maar wij zien die niet. Het is dezelfde hand, die eens hemel en aarde met alles wat daarin is en zich daarop bevindt, vormde; te weten, de hand van den almagtigen, alwijzen en algoeden God. Jaar aan jaar herhaalt de groote God de schepping in het klein, wanneer Hij der aarde op eene voor ons onbegrijpelijke wijze een nieuw leven schenkt, wanneer Hij uit den oogenschijnlijk dooden schoot der aarde de lente, vol levenskracht en in alles een nieuw leven stortende te voorschijn roept. Maar hoe het komt, dat alles aldus wordt, zoo als wij het later aantreffen, en welke de oorzaken zijn, waardoor deze schepping, zoo rijk aan schakeeringen, op dezelfde wijze voortgaat,--dat kan het verstand van eenen mensch, ware hij ook de wijste van de geheele wereld, niet doorgronden, ja, niet eens eenigzins verklaren.

Want Gods plannen onderkent de mensch enkel uit Zijne werken, maar de gronden en beginselen kan hij niet doorzien. Daarom staat hij verstomd over de magt, bewondert de onbegrijpelijke wijsheid, bidt de in alles doorstralende liefde aan. Verder evenwel kan hij niet gaan. Of kan iemand van mijne jeugdige lezers en lezeressen mij zeggen, hoe het komt, dat uit dien kleinen, onoogelijken bol, welken ik in den grond heb gezet, nu eene zoo fraai gekleurde bloem opgroeit, gelijk de tulp is, of welke andere gij ook wilt? Wiens hand heeft de prachtige kleuren zoo kunstig daarop gelegd, de eene vlak bij de andere plaatsende, zonder dat zij toch ergens in elkander vloeijen, maar iedere op zich zelve staat, en het geheel u daardoor evenzeer bekoort als verrukt? Wiens hand deed dit?

De _hand des Scheppers_, de hand van Dengene, die in het verborgen Zijne grootsche plannen ten uitvoer brengt en alles ten fraaiste rangschikt en daarstelt! Dezelfde hand heeft mede in den grond, die gedurende den winter bevrozen en verstijfd lag, even als een lijk, nieuwe levenskracht gegoten, het vermogen tot het op nieuw vormen en doen groeijen in denzelven gelegd, zoodat de oppervlakte zich nu overal met frisch groen, met jong gras en nieuwe bloemen versiert, zoodat het kale dorre woud nu wederom eene rijke menigte van frissche, groene bladeren heeft gekregen. En gelijk alles wat geheimzinnig is, den mensch altijd aantrekt en zijne opmerkzaamheid boeit, zoo doet de ondoorgrondelijke wording der lente dit ook in groote mate. Wij zouden zoo gaarne dien donkeren sluijer optillen en zien, wat er onder ligt; wij spannen daartoe al onze krachten in,--en vinden juist in dat streven een duurzaam genot, hetwelk onbekend blijft aan dengene, wiens zin en geest geene opmerkzaamheid, geene onophoudelijke belangstelling aan de verschijnselen der natuur schenken.

In meer dan een opzigt is de wording der lente _leerrijk_ voor ons.--Wij merken bij haar eenen trapswijzen voortgang op. Eerst smelt de sneeuw in de dalen en de laag gelegen gronden, later op hoogere plaatsen en bergen. Alsdan ontwaart men overal bijkans niets anders dan een treurig geel op weiden en akkers. Doch zoodra de vorst en koude eenige dagen zijn geweken, wanneer de zon ons vriendelijk toelacht, hare stralen meerdere kracht bekomen en een zachte regen gevallen is,--dan schieten overal groene halmen op, dan ontwaken boomen en struiken en heggen, dan ontvouwt de sneeuwbloem haar wit kroontje van bloesem, dat dikwijls zelfs te midden der sneeuw ontloken is, wanneer deze in eenig jaar langer dan gewoonlijk is blijven liggen. Gaat men eenige dagen daarna op nieuw uit, dan wordt men overal grooten vooruitgang gewaar. Op zonnige plekken is de grond dan alreeds met jong groen bedekt, hetwelk met magt opschiet, als wilde het van de kleine hoogte, waarop het staat, naar de anderen uitzien, opdat het zich minder eenzaam zoude voelen. De knoppen ontwikkelen zich van dag tot dag, de bosschen nemen eene eigenaardige, bruine kleur aan, en schijnen gedurig digter en digter te worden. Aan de heggen bespeurt het oog reeds menig blaadje, dat moedig uit het omkleedsel naar buiten kijkt, en zich thans aan de frissche lucht en het lieve zonlicht eens regt verkwikt. Uit verre streken komen gedurig meerdere boden aan, die vrolijk de spoedige komst der lente boodschappen. De vink, wiens keel gedurende den langen winter scheen toegevroren te zijn, laat zich wederom hooren en slaat zoo krachtig, dat het ver door het bosch heenklinkt. Ziet, na den regen, die in den afgeloopen nacht is gevallen, heeft gindsche struik, welke op den vorigen dag nog geheel kaal was, zich nu met eene menigte groene blaadjes versierd, en schijnt zich nu eens regt te verheugen, dat zij eindelijk weêr een nieuw en zoo schoon kleed heeft bekomen, naar hetwelk zij, zoolang de barre winter duurde, zoo vurig wenschte.

En nu, daar het Paaschfeest, hetwelk ons menschen de opstanding, het overgaan tot een nieuw leven herinnert, dat ons daarvan een heilig voorbeeld vermeldt, nu dat, zeggen wij, gekomen is, wil de natuur ook het feest van hare herleving vieren, en alles zal tot een nieuw leven terugkeeren, hetgeen de ijzeren hand van den winter in eenen toestand verplaatste, die veel overeenkomst heeft met den dood. Thans zal alles zich verjeugdigd voordoen, en, in het groene gewaad van de hoop gekleed, een vrolijk beeld van het leven worden. Maar nu wil geen enkel plekje in den tuin langer die gele kleur behouden; het wordt iederen dag meer en meer groen geverwd, en de knoppen aan de boomen springen open, en willen zich als bloesem aan ons oog vertoonen.

Hieruit zien wij dan nu, dat de natuur trapsgewijze haar lenteachtig voorkomen aanneemt.

Maar hoe of waarom kan die trapsgewijze wording van de lente leerrijk voor ons menschen zijn?

Ik zal trachten u dit duidelijk te maken.

Daar zijn menschen, en hun getal is alles behalve gering, die alles,--slechts geen geduld, geene bestendigheid hebben. Dit gebrek treft men voornamelijk bij kinderen aan. Zoo, bij voorbeeld, wordt de kleine Karel naar de school gezonden, om spellen, lezen en schrijven te leeren. Hij zelf gevoelt grooten lust om dit te leeren, wil zulks regt gaarne kennen; maar--het moest niet weken en maanden duren, neen! hij moest het binnen een paar dagen kunnen leeren. Daar dit evenwel niet geschieden kan, zoo wordt hij moedeloos, verliest al zijn geduld, en zelfs, hetgeen nog het ergste is, zijnen lust en ijver. Waarop zal dat nu uitloopen? O, mijn lieve Karel, gij handelt regt dwaas! en dat dit wezenlijk waar is, dat kan de natuur u zeggen. Is de lente, die thans rondom u staat te pronken, is deze eensklaps zoo geworden, of van lieverlede? Zie, eerst vertoonde zich een halmpje, den volgenden dag een tweede en derde, alstoen kwamen er dagelijks meerdere te voorschijn, totdat alles daarvan zoo rijkelijk voorzien is, gelijk het zich heden, in de maand Mei, aan u voordoet. Nu, hoe zoude het zijn, indien gij de handelwijze der natuur tot voorbeeld naamt, en heden eene, morgen nog eene, of wel twee, dan drie, vier, vervolgens nog meer letters leerdet, totdat het geheele alphabet u goed bekend was. Dan kondt gij overgaan tot het spellen, en, na weinige weken, reeds tot het lezen, wanneer gij ten minste ijverig en vlijtig waart en het noodige geduld wist te gebruiken. Dat zou ook eene soort van lente voor u zijn, want uit de letters kan men zich eene zeer groote wereld bouwen, op welke eene lente bloeit, die nog schooner en vooral veel bestendiger is dan de aardsche.

En gelijk Karel hier een voorbeeld tot navolging vindt, zoo vinden ook anderen, zij mogen dan Karel, Frits of Hendrik heeten, voor gevallen van eenen anderen aard voorbeelden, welke even toepasselijk zijn, niet alleen nuttig voor hunnen jeugdigen leeftijd, maar voor hun geheele leven tot aan het graf.

Daarom dus, mijne lieven! wanneer gij u tot eene betrekking in de maatschappij bekwaam maakt, hetzij tot een ambt, hetzij tot eenige kunst, of wat gij ook moogt gekozen hebben, en het naar uwe meening niet spoedig genoeg vooruitgaat, waardoor gij op het punt staat, uw geduld en daarmede allen lust en ijver te verliezen;--denkt dan maar altijd aan de lente, hoe zij allengs komt en langzaam vooruitgaat, aan het prachtige tooneel dat zij vertoont, nadat zij zich alzoo gedurende eenigen tijd langzaam heeft ontwikkeld; want dan zult gij nieuwen moed scheppen, en datgene door uwen vasten wil en onafgebroken inspanning van krachten verkrijgen en tot stand brengen, wat u vroeger bijna onmogelijk toescheen. Gelooft mij, dit is reeds dikwerf gelukt; en wat den eenen gelukt is, dat kan eenen anderen ook niet mislukken, indien hij het maar verstandig en geduldig aanlegt. Het groote wordt niet opeens daargesteld: het ontwikkelt zich trapswijze uit het kleine, zoo als de forsche, statige eik met zijne vorstelijke kroon van dik loof eerst na verloop van eene eeuw uit den kleinen, oogenschijnlijk nietsbeteekenenden eikel ontstaat.

Het schoone heeft geenen korteren tijd noodig om zich te volmaken. Hoevele maanden toch verloopen er, voordat de roos, de schoonste onder de bloemen, zich gevormd heeft! Eerst omkleedt de doornachtige struik zich met frissche blaadjes, dan botten de knoppen uit, en ten laatste, na eene aanzienlijke tijdruimte, ontvouwt de roos zich in hare betooverende schoonheid, algemeene bewondering wekkende.

Ditzelfde geldt wederom van het goede, het nuttige.

Ook dit behoeft, gelijk het ooft, eenen niet geringen tijd om goed rijp te worden.

En op die wijze treffen wij eene zoodanige trapsgewijze wording, hoedanige in de natuur wordt waargenomen, overal in het leven aan, in de jeugd en in den ouderdom; en het zou daarom eene groote dwaasheid zijn, indien wij van het zaadje, dat zich naauwelijks begint te ontwikkelen, dadelijk reeds bloesem gingen begeeren.

Echter moeten wij niet uit het oog verliezen, dat eene trouwe, zorgvuldige verpleging de ontwikkeling aanmerkelijk bevordert. Deze moeten wij derhalve ook aan het groote, het goede, het schoone nooit onthouden, en vooral niet aan die krachten en den zoodanigen aanleg, welke op deze aarde nimmer tot geheele volmaking kunnen gebragt worden, maar die wij eerst aan gindsche zijde van het graf, bij de zachte koestering eener nieuwe, eeuwigdurende lente, bereiken.

Zoo wij dat doen, dan zal de zegen van den grooten Vader, zonder welken niets kan gedijen, zekerlijk niet uitblijven, en zullen de heerlijkste vruchten ons de moeite en zorg, welke wij aan die verpleging hebben te koste gelegd, ruimschoots beloonen.

II.

De wording of komst der lente vervult eindelijk ons hart ook met _hoop_ en _vreugde_.

Mijne lieven, toen gij de eerste bloemen van het jaar zaagt of pluktet, verrees toen niet voor uwe verbeelding de geheele menigte van al die bontgekleurde bloemen, die na deze zouden ontluiken, in al hare praal en heerlijkheid? Klopte het hart u niet van blijdschap, wanneer gij dacht: het sneeuwbloempje is er nu al; binnen korten tijd komt dus het viooltje, en dan zal ik weldra al die lieve aanvallige, heerlijke bloemen zien, aan welker hoofd de roos als koningin is geplaatst? Ja, zonder eenigen twijfel verheugde dat denkbeeld u uitermate en vervulde u met blijde verwachting. Met dezelfde onbeschrijfelijke vreugde luisterdet gij mede naar het eerste lied dat de leeuwerik deed hooren, omdat gij in uwe verbeelding reeds al die schoone, heldere en vrolijke lentedagen voor u zaagt, die de nachtegaal en de overige kleine, vlugge zangers nog aangenamer zouden maken. Daar dan nu de aankomst van de aardsche lente uw jong hart reeds met zoo grooten lust en eene zoo zoete hoop vervulde, hoe veel te meer moet de komst, of liever het aanwezig zijn van de reine, hemelsche lente zulks te weeg brengen! En zoo is het dan toch ook wezenlijk! Hoe grooteren aanleg tot weligen bloei gij in uwen geest en in uw hart bespeurt, hoe meer gij de kiem zich ziet ontwikkelen, hoe meer de tijd nadert, waarop zij zich als bloesem zal vertoonen, zooveel te grooter wordt uwe vreugde, zooveel te vrolijker wordt uwe hoop. Een enkel voorbeeld zal u dit nog duidelijker maken.

Met geene andere bedoeling zoekt gij onderwijs te ontvangen, dan om u doelmatig tot dezen of dien stand te vormen, voor te bereiden en bekwaam te maken, om hier bruikbare leden in de maatschappij, en eens, na dit leven, zalige hemelbewoners te worden. Hoe meer gij bemerkt, dat uwe kennis zich uitbreidt, uw inzigt opklaart, uwe ondervinding rijker wordt, in die zelfde mate neemt in uw binnenste ook het zoete gevoel der hoop toe, en in uwe verbeelding bevindt gij u reeds in allerlei levensomstandigheden, waarin latere tijden u zullen verplaatsen, en arbeidt daarin tot uw eigen nut en dat van uwe medemenschen. Deze hoop baart groote vreugde, en de kracht neemt gedurig toe, naarmate men het voorgestelde doel meer nadert; en zoo zij soms ook verslappe, toch zal het denkbeeld daaraan haar dadelijk weder opwakkeren, zoodat men ten laatste altijd zijn doel gelukkig bereikt.

Welnu! diezelfde hoop, gelijke vreugde wekt de wording der hemelsche lente in de menschelijke borst. Reeds in het hart der kinderen ontwikkelt hare kiem zich, en hoe meer voedsel men haar geeft, hoe zorgvuldiger men haar verpleegt, zooveel te ruimer breiden die vreugde en hoop zich uit, zooveel te vroeger ontluiken sommige bloemen en komt de bloesem te voorschijn, totdat zij zich alle tot eene algeheele lente hebben ontwikkeld; welke echter niet hier op aarde, maar eerst later, wanneer wij tot een beter leven ontslapen zijn, voor ons aanbreekt en ons de hoogste zaligheid doet smaken.

III.

Nadat wij dan nu de lente in hare _wording_ beschouwd hebben, willen wij haar thans in haren _bloei_ nagaan, haar in hare meeste schoonheid eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken.

De bloeitijd van de lente valt in de maand Mei. Deze maand is de schoonste van alle, en verdient den naam van _Bloeimaand_ ten volle. Wendt uw oog werwaarts gij wilt, heeft de vreugde niet overal haren troon opgeslagen? Zij bezielt oud en jong. Zelfs de dieren verblijden zich over het vrolijke leven, dat in dezen tijd over het geheele aardrijk is uitgestort. Wijd en zijd is alles schoon, alles vrolijk, alles ijverig werkzaam.

Iedere weide prijkt met het weligste groen, hier en daar met kleine, wel niet bijzonder in het oog vallende, maar desniettegenstaande allerliefste bloempjes doorzaaid. Lustig schiet het zaad over de velden op; in de hooge halmen hoort men de sprinkhanen gonzen, terwijl de leeuwerik zingende hoog in de lucht opstijgt. Millioenen bloemen prijken in tuinen, op weiden, op bergen en in dalen, zoo ver het oog reikt. Zelfs de doornstruik heeft loof en bloesem gekregen, en komt onder de gasten, welke de aarde op haar bruiloftsfeest heeft genoodigd, regt voordeelig uit.

In de bosschen hoort gij het gebladerte weer ritselen; wanneer al dat nieuwe loof door een windje bewogen wordt, dan komt het ons, wanneer wij op eene hoogte staan en het oog daarover laten dwalen, bijkans voor, alsof wij eene hooge, breede, groene zee aanschouwden, welker golven ligt bewogen worden. Het nieuwe groen wasemt eenen geur uit, die ons regt verkwikt en opwekt, zoodat mensch en dier zich daaraan laaft en sterkt.

Het lustige zangkoor, dat gedeeltelijk den winter in andere landen doorbragt, gedeeltelijk gedurende dien tijd bleef zwijgen, laat thans van den vroegen morgen tot laat in den nacht onafgebroken zijne liederen hooren, en de geheele schepping schijnt zich vrolijk op de maat dier zangen te bewegen. En de denkende en diep gevoelende mensch wandelt door het aardsche paradijs met een van innig genot stralend oog, met dankbaarheid en vreugde in de borst, met een loflied op de tong. Nu, wie zou ook niet gaarne dáár zijnen dank, zijne aanbiddende bewondering willen uiten, waar hem uit elke struik een loflied toeklinkt?

Wien bezingt de leeuwerik?

Heft hij zijn gezang niet aan ter eere van den Schepper, die hem de groene, veilige woonplaats aanwees, ruimschoots voedsel verschafte, en daarbij nog het zachte weder en den helderen hemel schonk? Ja, Hem gonst de bij dank en lof toe, Hem roemt het kleinste insekt, dat overigens niets kan doen dan alleen de kleine vleugeltjes zachtjes in de lucht laten trillen! Naar Hem keert de bloem haar aanvallig gelaat; Hij immers, Hij alleen gaf haar het lieve licht der zon, waarin zij zoo vrolijk en prachtig schittert. Hij zendt haar ook den dauw en den regen op den regten tijd, waardoor zij zich zoo voordeelig kan ontwikkelen en elk oog betooveren!

Maar hoe, mijne lieven, hoe zullen wij nu den liefderijken hemelschen Vader op de beste en waardigste wijze onze vurige dankbaarheid kenbaar maken daarvoor, dat Hij de aarde zoo onuitsprekelijk bekoorlijk heeft gemaakt, dat Hij zoo onnoemelijke vreugde en schoonheid over haar heeft uitgestort?--O, daarop is het antwoord gemakkelijk te vinden!

Door ons regt van harte over Zijne groote gaven te verblijden, door met innige liefde en warme dankbaarheid aan Zijne onuitsprekelijke goedheid te denken en Hem daarvoor ons geheele hart als een wederkeerig geschenk aan te bieden!

_Vrolijk_ en _vroom_ te wezen is eene kostelijke zaak; en beide dingen verdragen zich niet alleen regt goed met elkander, maar zij behooren zelfs te zamen. Maar onze vrolijkheid moet uit den Heer, den Gever van dat alles, voortkomen, niet uit het ijdele genoegen, dat wij daardoor smaken. Het zien van al dat schoone en verblijdende moet ons Hem voor den geest brengen, die tot onze vreugde al die heerlijkheid rondom ons deed ontstaan. Alle morgens en alle avonden klinke dit loflied Hem uit onzen mond toe:

Is niet de meester prijzenswaard, Die alles heeft gebouwd, En ook deez overschoone aard Zoo liefdrijk onderhoudt?

Die alle menschen wijd en zijd Zoo vaderlijk bewaakt, En door het wisslen van den tijd 't Hun zoo genoeglijk maakt!

De winterkou had alles weer Verstijfd, in boei geklemd, Het water was ook dezen keer In zijnen loop gestremd.

En sla _nu_ eens uw oog in 't rond; Ge ontdekt dan bloem bij bloem! Zie, hoe de nieuw ontwaakte grond Vermeldt des Scheppers roem!

De lente, ons zoo lief en waard, De lente, zij genaakt! Zij wekt de sluimerende aard, Die op haar' roep ontwaakt.