De nachtegaal Verhalen voor de jeugd
Chapter 4
"Deze herdersknaap, deze Dirk Snel, deze wagenmakersknecht," antwoordde Koslou, "en de keizerlijk Russische raad, de heer van Koslou, de man, die zoo gelukkig was van u te redden, zijn een en dezelfde persoon. Ik ben Dirk Snel!--Doch thans ben ik geen wagenmakersknecht meer. Ik ben eigenaar van eene fabriek, koopman, geldwisselaar en raad van financiën te Petersburg. Daar ik een riddergoed, Koslou geheeten, heb aangekocht, zoo word ik thans heer van Koslou genoemd."
"Is het mogelijk!" riep August, ten toppunt van verbazing, uit. "Gij zijt Dirk Snel!" Met tranen in de oogen sprong hij op, omarmde zijnen weldoener en riep uit: "waarom zeidet gij mij dit niet dadelijk?"
"Dat kon vroeger bezwaarlijk," antwoordde de heer van Koslou, dien wij bij zijnen nieuwen naam willen blijven noemen. "Het zou ons te lang hebben bezig gehouden, en mijn tijd was toen te zeer beperkt. Mijne zaken waren dringend, ik moest verder; en daarenboven waart gij zelf ook te uitgeput, dan dat gij lang naar mijn verhaal zoudt hebben kunnen luisteren. Daarom bespaarde ik de ontdekking voor eene nadere gelegenheid. In de brieven welke ik u schreef, wilde ik daarvan geene melding maken, naardien ik gaarne ooggetuige van uwe verwondering wilde wezen.--Toen ik u het eerst zag, bespeurde ik wel, dat gij mij niet meer kendet. Doch ook ik zoude u bezwaarlijk herkend hebben, zoo gij niet, in de sneeuw neêrzinkende, den naam Sterreveld haddet uitgesproken, toen gij uwen dienaar opdroegt, wanneer deze in het leven mogt gespaard blijven, aan uwe edele moeder en uwe zusters de groeten van den stervenden zoon en broeder over te brengen, en haar te melden, dat hij, in Gods wil berustende, met haren naam op de lippen ontslapen was. Toen ik u daardoor herkende, kostte het mij alle mogelijke zelfbeheersching, mij in te houden. Hadde ik ooit eene schoonere gelegenheid kunnen wenschen dan deze, om mijnen weldoener te toonen, dat hij zijne goedheid niet aan eenen ondankbare verspild had; eene geschikter omstandigheid dan uw toenmalige toestand, om u de som terug te geven, die uwe lieve moeder mij weleer leende ter bestrijding der kosten, welke ik mij tot het aanschaffen mijner reisbenoodigdheden moest getroosten!--Maar laat ons God danken, die ons zoo wonderdadig in dit vreemde land elkander deed aantreffen, waardoor mij de vurig gewenschte gelegenheid werd geschonken om u mijne innige dankbaarheid te toonen. Ik kan het niet uitdrukken, hoe het mij verblijdt, dat ik in u mijnen weldoener mag begroeten, en in staat ben om u thans ook eenige dienst te bewijzen!"
XIII.
De lotgevallen van den heer van Koslou.
Op herhaald verzoek van August moest zijn gastheer hem zijne lotgevallen mededeelen. Gaarne voldeed deze daaraan. Wij zullen ze thans ook aan onze lezers kortelijk bekend maken.
Dirk Snel had als wagenmakersknecht Weenen, Dresden, Berlijn, Hamburg en Londen doorreisd, en was eindelijk naar Petersburg gekomen. Hij zocht overal de kundigste meesters op. Het was hem minder om hoog loon te doen, dan wel om een regt bekwaam wagenmaker te worden. Hij bezocht tevens slotenmakers, smidsbazen, zadelmakers en andere handwerkslieden, die ieder het hunne moeten leveren om eenen regt fraaijen wagen te maken. Met eenen van de beste zadelmakers en eenen gunstig bekenden smid reisde hij naar Rusland. Spoedig vond hij datgene bewaarheid, wat men hem vroeger te Londen had gezegd, dat, namelijk, de kunst van het wagenmaken te Petersburg lang niet op dezelfde hoogte stond als in andere groote steden. "Ware zulks het geval niet," dacht hij, "dan moest men in deze stad de fraaije koetsen en gemakkelijke reiswagens niet uit Londen laten overkomen. Hier zou een kundig werkman dus zijn brood wel kunnen verdienen!"
[Illustratie]
Hij trad te Petersburg bij eenen wagenmaker in dienst, dien men algemeen voor den besten hield; en alhoewel deze de Duitsche taal sprak, zoo besteedde hij toch al zijne vrije uren om de Russische grondig te leeren. Spoedig bood hij aan, met behulp van zijne twee vrienden, den zadelmaker en den smid, een staatsierijtuig te vervaardigen, dat even fraai en degelijk bewerkt zou zijn als een uit Londen. Het rijtuig werd hem besteld, en het beviel algemeen.
Hierdoor kreeg zijn baas weldra talrijke bestellingen, waarom het loon van Dirk aanzienlijk verhoogd werd, die tot meesterknecht werd bevorderd. Na verloop van eenigen tijd maakte zijn baas, die hem vast aan zich wilde verbinden, een contract met hem, waarbij aan Dirk de halve winst in alles werd toegezegd. Binnen korten tijd won Dirk zooveel, dat hij de geheele werkplaats van zijnen meester kon overnemen, dien hij daartoe wel geneigd vond, omdat de man reeds hoog bejaard was, geene kinderen had, en zich gaarne van zijne zaken wilde ontdoen, ten einde zijne overige levensdagen in rust te kunnen doorbrengen. Langzamerhand werd de werkplaats tot eene groote fabriek uitgebreid en een uitgestrekt magazijn daarbij getrokken, waarin koetsen en sleden van allerlei soort te koop stonden. Later huwde Dirk de eenige dochter van eenen vermogenden koopman, die, even als zijne vrouw, in Duitschland was geboren. Thans behoefde hij in zijne fabriek niet meer mede te werken. Hij hield enkel het opzigt over zijne knechts, waarbij het hem uitmuntend te stade kwam, dat hij van al hunne werkzaamheden eenige kennis had. Voortaan belastte hij zich ook met de handelszaken van zijnen schoonvader, hetgeen eenen zoo schranderen en ijverigen man niet zwaar viel. Na den dood van dezen kwam hij tot het geheele bezit van diens vermogen, dat meer dan een millioen bedroeg, en bleef de zaken voortzetten, waarbij hij veel geluk had.
Toen de oorlog met Frankrijk was uitgebarsten, nam hij groote leveranciën voor het leger op zich. Men was daarbij even tevreden over zijne stiptheid als over zijne eerlijkheid. Hij ontving den titel van keizerlijk Russisch financieraad, werd tot den adelstand verheven, en droeg den naam van zijne aangekochte bezitting Koslou.
XIV.
Vervolg van het gesprek tusschen den graaf en Koslou.
Graaf August had met groote belangstelling naar dit verhaal geluisterd. Toen Koslou eindigde, sprak hij: "God heeft u waarlijk uitstekende talenten geschonken! Reeds toenmaals, toen het hoeden van geiten uwe eenige bezigheid was, kon een scherpzinnig opmerker in den armen knaap een nuttig en achtingwaardig lid der maatschappij voor de toekomst voorzien. Tijdens ons dat kleine ongeval op onze reis overkwam--toen gij ons zoo snel te hulp ijldet, op alles, wat u gevraagd werd, een voldoend antwoord wist te geven, goeden raad gaaft, zelf vaardig de hand mede aan het werk sloegt, en later den wensch van mijne moeder met zoo veel geschiktheid wist te bevredigen,--werden wij, wel is waar, opmerkzaam op uwen persoon, maar toch vermoedde ik in dien tijd niet, dat Dirk Snel, de arme herdersknaap, zoo grooten aanleg bezat tot het uitvoeren en ondernemen van de uitgestrektste plannen; toch zoude ik het bijna als onmogelijk beschouwd hebben, dat ik Dirk Snel eenmaal als den heer van Koslou zou moeten begroeten! Uit uw voorbeeld blijkt op nieuw, hoe belangrijk het is, dat ouders en opvoeders naauwkeurig trachten uit te vorschen, waartoe het aan hunne zorgen toevertrouwde kind den meesten aanleg en lust heeft.--Nu, gij kunt buitendien van u zelven zeggen, dat gij met de talenten, die God u schonk, gewoekerd hebt. Gij liet nooit, zoo als mij uit uwe levensgeschiedenis gebleken is, eenig gebrek aan onafgebroken opmerkzaamheid, onvermoeide vlijt, onkrenkbare regtschapenheid en brave zedelijke grondbeginsels blijken. Gij begont en eindigdet alles met God. En de Heer, op wien gij te allen tijde bouwdet, wien gij alle uwe belangen steeds hebt aanbevolen, de Heer heeft uwe pogingen mildelijk gezegend."
"Ja!" riep Koslou dankbaar uit, "dat heeft Hij! Hem zij lof en dank! Doch het groote vermogen, dat ik mij door Zijne goedheid mogt verwerven, verheugt mij bijna nog meer ter wille van de kinderen van vreemden, dan uit liefde voor mijne eigene. Gedachtig, hoe arm en hulpeloos ik voormaals zelf was, heb ik reeds menig arm kind ondersteund en het tot een kundig handwerksman en gelukkig huisvader opgeleid. En ik heb opgemerkt, dat arme kinderen, die alleen door buitengewone vlijt en onafgebroken werkzaamheid door de wereld moeten komen, meestal het best slagen. Rijke kinderen daarentegen, welke van hunne vroegste jeugd af aan overvloed gewend zijn, ontaarden dikwijls, worden lui en ongeschikt voor bezigheden, en vervallen niet zelden tot de beklagenswaardigste armoede. Meer dan eens heb ik het reeds beleefd, dat groote handelshuizen, die bloeiend door rijke ouders aan hunne kinderen waren achtergelaten, door de dwaze verkwisting en zorgeloosheid van de laatsten te niet waren gegaan, alvorens de kinderen van dezen volwassen waren. Wat de vlijt der grootouders had gewonnen, was derhalve voor de kleinkinderen bereids verloren gegaan. En even dikwijls heb ik het bijgewoond, dat de kinderen van arme ouders door vlijt en schranderheid vooruit kwamen, belangrijke zaken met goed gevolg ondernamen, en daardoor, algemeen geacht, zeer vermogende mannen werden. Doch eer en goud zijn en blijven vergankelijke goederen; men moet ze ten beste van zijne medemenschen besteden, en dan eerst ontvangen zij wezenlijke waarde; want daardoor worden wij Gode welgevallig!"
Dit gezegd hebbende, zweeg Koslou eenige oogenblikken; treurigheid teekende zich op zijn gelaat, en met tranen in de oogen sprak hij: "één ding had ik nog gewenscht--namelijk, dat mijn brave vader in het leven ware gespaard gebleven en met eigen oogen hadde kunnen zien, dat de goede opvoeding, welke hij mij heeft gegeven, niet zonder vrucht is gebleven. Hij was een arm, maar een braaf en godvreezend man. Met even groote ernst als vaderlijke goedheid boezemde hij mij waarachtige vroomheid en heiligen eerbied voor den Allerhoogste in. "Dit is de grondslag van alle deugd," zeide hij vaak; "zonder vroomheid en godvreezendheid is er geen wezenlijk geluk!" Hij zorgde ook, dat ik de school vlijtig bezocht; hoe noodig hem mijne hulp bij zijnen arbeid ook was. "Geld," zeide hij dikwijls tot mij, "kan ik u niet nalaten. Mijn zegen en het in uwe jeugd geleerde is uw eenig erfdeel, uwe eenige bezitting. Maar dit erfdeel is echter geenszins gering, en kan tegen schatten opwegen."--Hij had gelijk! Zijne vermaningen, zijn voorbeeld, zijn vaderlijke zegen waren nuttiger voor mij, dan tonnen gouds zouden geweest zijn.--Dan ik heb hem, helaas! zijne liefde en trouwe vaderlijke zorgen niet kunnen vergelden. Wel heb ik hem uit Londen eens, en uit Petersburg meermalen geld toegezonden; doch wat beteekent dat?--Op zekeren tijd, van Petersburg voor beroepszaken naar Frankrijk reizende, wilde ik den dierbaren man een bezoek gaan brengen. Daar vernam ik eensklaps de tijding van zijn overlijden!--Nu, God zal hem thans vergelden, wat de goede man op aarde voor mij gedaan heeft!"--Ontroerd zweeg Koslou; en blijkbaar kostte het hem moeite, zijne tranen te weerhouden.
XV.
Het verblijf te St. Petersburg.
Den volgenden morgen reisde de heer van Koslou met den graaf naar Petersburg af. Hoe onaanzienlijk hun Russisch rijtuig ook was, zoo moest men toch bekennen, dat het onmogelijk gemakkelijker of steviger bewerkt hadde kunnen zijn. Daarenboven was het zoo ruim, dat ook George, des graven trouwe krijgsmakker, daarin plaats kon nemen. Hunne reis liep zonder eenig ongeval af, en was regt genoegelijk. Voordat hij er aan dacht, was August reeds in Petersburg aangekomen.
Het huis, dat de heer van Koslou hier bewoonde, geleek wel een paleis. Koslou stelde den graaf aan zijn gade en zijne kinderen als zijnen grootsten weldoener voor. Aanvankelijk konden de kinderen maar niet gelooven, dat hun vader al zijnen voorspoed aan dezen man zou te danken hebben, die thans, in eene versletene, gelapte uniform voor hen stond. De echtgenoote van Koslou zag ook eenigzins vreemd op. Doch zoodra Koslou zijnen vriend bij diens naam voorstelde, en tot haar zeide: "graaf August van Sterreveld!" riep zij uit: "o, zijt gij het, heer graaf!" en wilde hem, met tranen in de oogen de hand kussen. De heer van Koslou verhaalde daarop, dat de graaf van Sterreveld den oorlog tegen Rusland altijd voor onregtvaardig had gehouden, dien geheel tegen zijnen wil had mede gemaakt, en op dezen rampzaligen veldtogt onbeschrijfelijke ellende had doorgestaan. Met innige deelneming luisterde zijne gade, terwijl de kinderen den graaf met vochtige oogen aanstaarden.
De laatsten werden al spoedig vertrouwelijk jegens hem. De geschiedenis met den nachtegaal was aan allen bekend, en een der kinderen, een levendig knaapje, vroeg nu, of die nachtegaal nog altijd in leven was? Een klein, aanvallig meisje wilde daarop weten, of hij ook toevallig een geheel nest met jonge nachtegaals had medegebragt; en het jongste kind voegde daarbij, toen August de laatste vraag ontkennend had beantwoord: "nu, gij moet ons toch zulk een nest zenden!" De oudste kinderen lachten hartelijk daarom, en zeiden: "ja, dat zou wel regt aardig zijn, indien het maar mogelijk was! Reeds sedert langen tijd zouden wij gaarne eenen nachtegaal gehoord hebben; maar in ons land treft men deze heerlijke vogels niet aan."
De heer van Koslou liet thans fijn linnen en goed voor onderkleederen uit eenen der beste winkels komen, en ontbood tevens eenen kleedermaker, iemand, die epauletten kon vervaardigen, enz., ten einde August zich, volgens zijnen stand als ridmeester, behoorlijk zou kunnen kleeden. "Gij hebt mij ook wel tweemaal nieuw gekleed!" zeide hij tot August. Zijne echtgenoote was spoedig bezig om voor het linnengoed te zorgen. Toen de graaf zich wilde verontschuldigen wegens de moeite, die hij haar maakte, zeide ook zij: "mevrouw uwe moeder en uwe zusters hebben in vroegeren tijd zich voor mijnen echtgenoot diezelfde moeite gegeven!"
Toen de graaf eindelijk, in zijne prachtige uniform, als een ander mensch voor hem stond, hechtte de heer van Koslou hem het ontroofde ordekruis op de borst. "Ziet gij, hoe ver ik het door uwe goedheid gebragt heb!" zeide hij glimlagchende. "Zelfs eene orde (al kan ik u ook niet tot ridder slaan) kan ik u teruggeven!" August was zeer benieuwd om te hooren hoe hij in het bezit van dit kruis mogt gekomen zijn; waarop de heer van Koslou hem het volgende antwoordde: "de Kozakken," dus verhaalde hij, "hadden eene menigte kruizen van het Fransche legioen van eer en van eenige Duitsche orden buit gemaakt, welke zij op hunne mutsen naaiden. Ik heb onderscheidene daarvan opgekocht; en door een gelukkig toeval vond ik daaronder ook het uwe.--Het eereteeken, overigens, kan men wel van onze borst wegrooven; maar het ware eergevoel in ons binnenste, het gevoel voor alles wat edel en heilig is, dat kan ons niemand ontnemen!"
Ook George werd nieuw in de kleederen gestoken, en een valies, dat de heer van Koslou hem schonk, werd door diens gade met linnen en andere benoodigdheden vol gepropt. Dus ook deze had aan alle kanten reden van tevredenheid.
De graaf moest langer te Petersburg verwijlen dan hij gedacht had. De oorlog in Duitschland maakte het nog altijd moeilijk en gevaarvol om zich derwaarts te begeven. Eerst tegen de helft van October verloren de Franschen den vreeselijken slag bij Leipzig, en eerst met het begin van November trokken zij over den Rijn terug. Vele steden hielden zij nog na dien tijd bezet. Ook was de winter te ver heen, dan dat zij nu nog eene groote reis konden ondernemen. Deze werd dus tot het begin der lente verschoven.
Op den dag vóór het vertrek geleidde de heer van Koslou den graaf in zijn groot magazijn van wagens, en schonk hem eene allerfraaiste reiskoets. "Ziet gij," zeide hij, vriendelijk glimlagchende, "alles op deze wereld is toch ergens goed voor! Dikwijls echter kunnen wij dat eerst jaren later inzien. Het gebroken rad aan uwen wagen brengt u nu een geheel nieuw rijtuig op. De paarden," zoo vervolgde hij, "zijn reeds besteld; gij zult die te Hamburg vinden. Het adres aan den koopman ligt ook gereed."
Op den dag der afreis zelven gaf Koslou den graaf nog eene gevulde geldbeurs. De graaf nam haar aan, doch daarbij zeide hij: "ik heb het geld nu voor mijne reis hoog noodig; dan zoodra ik te huis kom, zal mijne eerste zorg wezen, om u eenen wissel ten bedrage van deze som over te maken." Doch de heer van Koslou riep uit: "neen, dat mag niet gebeuren! Ondersteun de armen met dit geld, en vooral behoeftigen, die goeden wil en genoegzame geschiktheid hebben om iets te leeren, maar zulks uit geldgebrek moeten laten. Wat wij den armen geven is een wissel, die in eene betere wereld in betaling wordt aangenomen!"
[Illustratie]
Het geheele gezin begeleidde den graaf tot aan het schip, waarmede deze den overtogt zou doen. Hier omarmde de heer van Koslou zijnen vriend nog eens innig, zijne vrouw nam met tranen in de oogen afscheid van hem, en de kinderen kusten hem snikkend de hand. Nog eenigen tijd, nadat het schip was begonnen te zeilen, wenkte Koslou met zijnen hoed, terwijl zijne echtgenoote met haren zakdoek wuifde, en de kinderen hunne hoeden omhoog wierpen of witte doeken zwaaiden.
XVI.
De terugkomst.
BESLUIT.
Wij zullen den graaf niet gedurende zijne terugreis naar het vaderland vergezellen. Het zij genoeg, dat wij onzen lezers zijne behouden terugkomst aldaar mededeelen. Hij vernam, dat men hem overal voor dood hield; weshalve hij het als zeer noodzakelijk beschouwde, dat de tijding van zijn leven en zijne aankomst aan zijne familie met groote voorzigtigheid werd bekend gemaakt.
Hij wendde zich te dien einde aan den heer Horst, eenen vriend uit zijnen jeugd, die, niet ver van den rijweg, een paar mijlen van Sterreveld, woonde. Het verschafte den heer Horst eene onbeschrijfelijke vreugde, dat hij den doodgewaanden vriend gezond en levend mogt begroeten. Hij gaf August groot gelijk, toen deze hem had medegedeeld, dat hij, voorzigtigheidshalve, zich tot eenen derde had gewend, om de verblijdende tijding aan zijne moeder en zijne zusters bekend te maken. Volgaarne nam hij dezen last op zich.
Beiden kwamen nu overeen, dat mevrouw Horst en hare zuster nog dien eigen dag naar Sterreveld zouden rijden, om de gravin en hare dochters, bij welke zij dikwijls een bezoek gingen afleggen, op het terugkomen van den doodgewaanden zoon en broeder voor te bereiden. Tegen den avond vertrokken August en de heer Horst ook derwaarts. De tijding, dat graaf August van Sterreveld nog in leven was en denzelfden avond verwacht werd, had zich, om zoo te spreken, als een loopend vuurtje door het graafschap verspreid. Toen August met zijnen vriend het slot naderde, zag hij, dat men reeds eene eerepoort van frisch groen voor hem had opgerigt, die met allerlei bloemen was versierd. Eene menigte van landlieden begroetten hem met luide jubeltoonen. Onder aan de poort van het slot stond de gravin met hare dochters. Bijna de geheele adel uit den omtrek had zich bij haar gevoegd. In sprakelooze verrukking klemde de gravin den voor haar als uit het graf verrezenen zoon aan het hart. Zich van haar losmakend, zonk August in de armen zijner zuster. Geen enkel oog bleef bij deze gelegenheid droog!
Ook George werd door het landvolk met groote vreugde en luid gejuich verwelkomd. "Ei, zie eens aan!" riepen eenige jonge boeren, die met hem waren opgegroeid, "daar is hij ook weer!" "Nu, wij danken God, dat gij gezond en wel weer hier zijt!"
Het volk omringde hem aan alle kanten en ieder beijverde zich om hem de hand te drukken. "Sakkerloot!" riep George ten laatste uit: "drukt mij nu maar niet dood!" Vriendelijk en trouwhartig ging hij den geheelen kring rond, en schudde ieder hartelijk de hand. "Maar," vroegen allen hem thans, "hoe zijt gij toch zoo gelukkig aan het doodvriezen en het verhongeren ontkomen?" "Ei," antwoordde hij, "door de goedheid en hulp van eenen rijken Russischen edelman. Maar," zoo vervolgde hij, "wat zult gij nu wel zeggen, als ik u verhaal, dat deze deftige Russische heer in vroegeren tijd geiten heeft gehoed, en dat wel in deze streken?" "Wat?" riepen allen verbaasd uit, "is het mogelijk!" "Ja, ja," luidde het antwoord van George, "en de meesten van u hebben hem zeer goed gekend! Dirk Snel, de arme herdersknaap, is tegenwoordig een groot heer, een Russisch edelman! Gij ziet, dat een mensch het ver kan brengen, die een braaf hart, een goed verstand en daarbij lust en liefde voor den arbeid heeft. Laat het voorbeeld van Dirk Snel ons allen tot navolging aansporen!"
Toen George deze woorden gesproken had, ontstond en eene groote opschudding onder het volk; want zijne ouders drongen thans door de landlieden heen, om hunnen zoon te bereiken. Zoodra George bij den heer Horst was aangekomen, had hij eenen bode naar zijne ouders gezonden, die hun zijne terugkomst zou bekend maken. Vader en moeder sloten hem beurtelings in de armen, en bragten hem, terwijl hij in hun midden ging, juichende naar hunne woning.
Middelerwijl hadden de gravin, hare zoon, de freules, de tegenwoordig zijnde adel, de ambtenaren en geestelijken zich naar de groote zaal begeven, waar August zijne ontmoetingen uitvoerig moest verhalen. Met groote levendigheid en innige aandoening schilderde hij de dankbaarheid en het edelmoedige gedrag van den heer van Koslou, den voormaligen herdersknaap.
"Waarlijk," merkte de heer Horst aan, "dat is een zeer buitengewoon voorbeeld van dankbaarheid! Echter vrees ik, dat dit geval tot de uitzonderingen behoort. Zulke dankbare armen zal men maar weinig in de wereld aantreffen!"
"Het is mogelijk, dat gij gelijk hebt," antwoordde de gravin. "Zulks moet ons echter nooit beletten, weldadig te zijn. Ook dan, wanneer wij geene dankbaarheid ondervinden, is en blijft weldadigheid een godgevallig werk!"
Mevrouw Horst zeide: "even buitengewoon als, in dit geval, de dankbaarheid van den beweldadigde was, even zoo zeldzaam, edel, verstandig en teergevoelig was de wijze, waarop de familie van Sterreveld hare weldaden bewees. Daarom bragt deze, naar mijn inzien, zulke heerlijke vruchten voort."
Doch de gravin hernam: "wat wij deden, was weinig! In het vervolg willen wij echter zoo weldadig jegens de armen zijn, als onze krachten maar toelaten. Wie rijkelijk zaait, zal altijd, hetzij hier, hetzij aan gindsche zijde van het graf, ook rijkelijk oogsten!"
Toen het talrijke gezelschap langzamerhand vertrokken was, sprak August: "laat ons nu nog eenige oogenblikken naar den tuin gaan, en in uw lievelingsboschje vertoeven! Gij, lieve moeder, waart vroeger althans gewend, nadat gij gezelschap hadt gehad, nog eenen tijd lang in den kleinen kring uwer kinderen het zoet genot der stille, huiselijke vreugde te smaken. Dezen avond kunnen wij zoo regt vrolijk en hartelijk bij elkander zitten! Op die afgrijselijke sneeuwvelden reikhalsde ik vaak naar u en mijne dierbare zusters; en dan verrees vaak het beeld van ons bekoorlijk boschje voor mijnen geest."
[Illustratie]
Zij gingen in den tuin, en doorwandelden onder gesprekken, die van innige liefde getuigden, de lanen van het naburige boschje. Reeds ging de zon onder, en hare stralen kleurden bloesems en bladeren rood. Alles was kalm en stil. Zacht woei het windje; liefelijk geurden de bloemen;--daar begon de nachtegaal te slaan!