De nachtegaal Verhalen voor de jeugd

Chapter 3

Chapter 33,894 wordsPublic domain

Zij kwamen op eenen rijweg. Twee huizen stonden aan de beide zijden van den weg! Zij klopten aan de deur van eene dier woningen. De vrouw des huizes zag met hare kinderen uit het venster. Helaas! ook hier waren de vreemde uniformen den inwoners een doorn in het oog. Men opende hun noch de deur, noch werd hun uit het venster een enkel stukje brood toegereikt. De lieden hadden vernomen, welke onbeschrijfelijke ellende de vreemde legers alom door het land hadden verspreid, en dat zij hunne heerlijke hoofdstad geheel hadden afgebrand, gelijk zij stellig geloofden. Beiden smeekten in de roerendste bewoordingen om medelijden en ontferming. Doch daar in die streken enkel de Russische taal gesproken werd, vonden de Duitsche woorden, hoe treffend ook, den weg niet tot de harten dezer menschen, die hen voor halve barbaren bleven aanzien, welke de oorzaken waren van al de rampen, waardoor het land geteisterd was.

De graaf en zijn dienaar wendden zich daarop naar het andere huis, waarvan de deur openstond, welke zij wilden binnentreden. Doch de bewoner stiet hen op eene barsche wijze het huis uit, en sloeg de deur met groote hevigheid achter hen toe. Diep bedroefd gingen zij verder, ten einde het dorp te bereiken, dat naauwelijks een half uur verwijderd scheen. Doch nadat de graaf een paar honderd schreden had afgelegd, bezweken zijne krachten geheel. Hij wilde zich op den stam van eenen ontwortelden boom nederzetten; doch zelfs daartoe ontbrak de kracht hem. Hij zonk onmagtig op de sneeuw neder, en riep uit: "nu dan, het zij! Indien de Alwijze het aldus wil, zal ik mij kalm in mijn lot schikken en hier den dood afwachten!"

Dus sprekende reikte hij George de hand toe, en zeide met tranen in de oogen: "vaarwel, trouwe George, voorbeeldige dienaar! God vergelde u uwe trouwe gehechtheid! Mag het u te beurt vallen, Sterreveld nog eenmaal weder te zien, groet dan mijne moeder en mijne beide zusters. Zeg haar, dat ik hier, in Gods heiligen wil berustende, kalm en met haren naam op de lippen ben ontslapen!"

IX.

De redder.

Juist toen de graaf van Sterreveld dezen droevigen last aan zijnen dienaar opdroeg, reed een aanzienlijk man, groot en statig van gestalte, in een prachtig Russisch gewaad gekleed, dat rijk met pelswerk omzoomd was, in eene Russische slede daar voorbij. Hij zag den vreemden officier in de sneeuw neêrzinken en den jammerenden soldaat naast hem knielen, waarop hij den voerman dadelijk gebood naar hen toe te rijden, en, bij hen gekomen, liet hij stil houden, sprong uit de slede, hoorde de laatste woorden van den graaf, en zeide met eene ongemeene vriendelijkheid, August in de Duitsche taal aansprekende: "God zij met u, mijne vrienden! Gaat aanstonds met mij mede! Mijn huis staat u geheel ter dienste! Alles wat ik heb, wil ik volgaarne met u deelen!"

Hij beval daarop, dat de voerman met de slede zou keeren, om naar het dorp terug te rijden, hielp den graaf in de slede stijgen, zette zich naast dezen neder, terwijl hij aan George eene open plaats naast den voerman aanwees, en zoo reden zij op snellen draf naar zijn huis. Binnen weinige minuten stond de slede voor de deur stil. Echter zag het er geenszins zoo goed uit, als men, op de kleeding en het geheele uiterlijke van den eigenaar afgaande, wel zou verwacht hebben; ja het had zelfs een zoo gering aanzien, dat het voor eenen man van deftigen stand een zeer ongeschikt verblijf scheen. Het beneden vertrek, waarin de onbekende zijne gasten voorloopig binnenleidde, had volkomen het aanzien van eene gemeene, Russische boerenkamer. De gastheer haalde ondertusschen een sierlijk bewerkt, zilveren theeservies voor den dag, zette terstond thee, die van de beste soort bleek te wezen, en sneed daarbij uitmuntend fijn wittebrood. "Drinkt nu van deze thee," zeide hij vriendelijk en gulhartig; "dat zal u verwarmen. Inmiddels wil ik gaan zien wat ik u te eten zal kunnen voortzetten."

Hij verliet het vertrek met deze woorden; doch spoedig daarop trad hij weder binnen en zeide: "gij zult het voor lief moeten nemen! Ik vind niets anders dan een stuk wildbraad, dat evenwel reeds opgesneden is en heden voor de tweede keer op mijne tafel zal verschijnen. Doch het is heerlijk van smaak! Gij moet weten, dat ik zelf het middagmaal reeds gebruikt heb, en natuurlijk niet kon denken, dat ik nog zulke aangename gasten bij mij zou zien!"

Eenige oogenblikken later bragt een bediende het gebraad binnen, en zette nog een paar flesschen, met heerlijken portwijn gevuld, benevens drie geslepen glazen van fraai kristal op de tafel. De half uitgehongerde gasten aten met buitengewone graagte; en het was duidelijk, dat dit gezigt den gullen gastheer regt behaagde. Ook wilde hij hen, gedurende den maaltijd, niet met vragen lastig vallen. Hij vroeg dus enkel hoe zij heetten, welk hun geboorteland was, en tot welke legerafdeeling zij behoorden. Daarop onderhield hij zich met zijnen bediende in de Russische taal, gaf dezen, naar het scheen, onderscheidene bevelen, verliet daarop het vertrek met merkbare overhaasting, kwam eerst eenen geruimen tijd later weêr binnen, vulde toen de glazen, klonk met zijne gasten en riep uit: "het welzijn van alle dappere krijgslieden!" Daarop zeide hij: "ik verzeker u, dat mij, hoewel ik een Rus ben, het treurige lot van de vreemde krijgslieden in dit land, vooral van de Duitschers, zeer ter harte gaat. Ik weet, dat zij onze vijanden niet zijn; wij hebben maar éénen vijand--dien stoutmoedigen man, op wiens bevel, waaraan niemand ongehoorzaam durft wezen, al die honderdduizenden in ons land zijn gedrongen."

Eensklaps sprong hij op, ging andermaal haastig de kamer uit, en aan zijn heen en weêr loopen, zijne luide en gebiedende woorden konden August en George bemerken, hoewel hij Russisch sprak, dat hij in huis allerlei bevelen gaf en onderscheidene schikkingen maakte. De slede, die hij nog niet had laten uitspannen, stond intusschen nog altijd voor het venster stil, en de paarden schudden ongeduldig de bellen, die op het tuig bevestigd waren, en sloegen met de hoeven tegen den grond. Toen de Rus weêr binnentrad, hadden zijne gasten in dien tusschentijd naar genoegen gegeten en gedronken.

"En thans, heer ridmeester," sprak de onbekende, zich tot August wendende, "thans zal ik u uw kleine slaapvertrek aanwijzen, daar gij in de eerste plaats rust noodig hebt." Hij geleidde den graaf vervolgens in eene soort van schuur, wees op eene ladder, die daar stond, en zeide: "nu moet gij zoo vriendelijk zijn, langs deze ladder naar boven te klimmen!" Dit ging juist niet zeer gemakkelijk; doch August klom gelukkig naar boven, en bevond zich toen in eenen smallen gang, die er regt armoedig uitzag. De vriendelijke gastheer, die hem gevolgd was, schoof een paar bruine, ongeschaafde planken ter zijde, opende eene deur, die kunstig achter die ruwe planken verborgen was, en door die deur kwam de graaf--in een uitmuntend fraai en prachtvol gemeubeleerd kabinet. De muren waren smaakvol met groen damast behangen. Het behangsel prijkte daarenboven met fijne Engelsche platen in rijk vergulde lijsten. Tegen eenen anderen muur stond eene schrijftafel van mahoniehout, met een boekenrek van hetzelfde hout, waarop prachtig ingebonden boekwerken prijkten. In eene nis of alkove, waarvoor gordijnen van groen damast hingen, stond een zoo fraai en kostbaar ledekant, als men maar ergens in een vorstelijk verblijf zou kunnen verwachten. De graaf zette groote oogen op, en zag met zigtbare verwondering in het rond; toen hij echter zijne oogen in eenen grooten spiegel sloeg, die tusschen de twee vensters van dit kabinet hing, vergat hij bijna al het andere, zoo pijnlijk trof hem het zien van zijne eigene vermagerde gedaante en bleeke ingevallen kaken. En inderdaad, die jonge man, met zijn vervallen voorkomen en zijne versleten kleeding, paste weinig bij dit smaakvolle en prachtige vertrek! De gastheer scheen te raden wat er bij August omging; medelijden teekende zich althans op zijn gelaat, en met onmiskenbare deelneming sprak hij: "niet waar, dit vertrekje is regt aardig? Mij dunkt, dat gij dit in mijn huis niet verwacht hadt. Welnu, deze kamer bied ik u voorloopig tot uw verblijf aan, waarin gij u langzamerhand van de doorgestane vermoeienissen en de onbeschrijfelijke moeijelijkheden kunt herstellen. Tot mijn innig leedwezen moet ik dadelijk weêr vertrekken. Mijne bezigheden zijn bijzonder dringend. Ondertusschen zal ik mijnen kamerdienaar hier laten tot uwe bediening. Hij spreekt wel is waar geen Duitsch, doch hij weet zich tamelijk wel in de Fransche taal uit te drukken. Alles in dit huis staat u ter dienste. Beschouw het geheel als uw eigendom, en handel naar verkiezing. De boeken, die gij hier vindt, kunnen u den tijd korten. De jagt in deze streken levert veel op. Wanneer gij daartoe lust mogt bespeuren, dan kan mijn kamerdienaar u vergezellen. Deze wakkere Rus is een uitstekend jager."

De graaf opperde eenige bezwaren. Hij vroeg zijnen gastheer ronduit, of hij hier veilig was, ingeval er Russische troepen mogten komen. August vreesde zeer, en die vrees was waarlijk niet ongegrond! dat hij gevangen genomen en naar Siberië opgezonden zou worden.

"Mijne hand daarop," antwoordde de onbekende, "dat gij hier even veilig zijt, als de keizer in zijn paleis! Doch geef mij uw woord van eer, dat gij hier zult blijven totdat ik terugkom. Ik zal dan zorg dragen, dat gij ongedeerd in uw vaderland terugkeert.--Doch vaarwel! Ik moet weg! Mijne zaken zijn dringend." Met deze woorden ijlde hij de deur uit, en liet August staan, die nog altijd verwonderd was over deze plotselinge verandering van zijn lot.

Het spreekt van zelf, dat de graaf ten hoogste verbaasd stond over de vriendelijkheid en goedwilligheid van dezen hem geheel onbekenden man.

"Waarlijk," dacht hij, "deze vreemdeling verscheen mij even onverwacht en welkom als een engel uit den hemel, en even snel is hij nu wederom verdwenen! Alles komt mij als een droom voor! Zoo opeens word ik van die akelige, verstijvende sneeuwvlakten in een zoo sierlijk en goed verwarmd vertrek verplaatst! Het grenst aan een wonder! Doch hoe ik daarover ook nadenk, het is en blijft mij geheel onbegrijpelijk!"

August was buitendien ook te veel vermoeid, dan dat hij lang over het gebeurde zou hebben kunnen peinzen. Hij begaf zich te bed; en aangezien hij geruimen tijd enkel op stroo, op eenen hard bevroren grond, of zelfs wel in de sneeuw had geslapen, zoo verschafte het hem een onuitsprekelijk genot, toen hij zich in een zoo zacht bed kon neêrvleijen. Hij sliep genoegzaam dadelijk in en rustte tot laat in den avond. Toen hij ontwaakte was het geheel donker; weshalve hij opstond, en zich zoo verkwikt en versterkt gevoelde, als in langen tijd het geval niet was geweest.

X.

August verneemt het een en ander aangaande zijnen gastheer.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.

De kamerdienaar had reeds eenige keeren aan de deur geluisterd, of de heer ridmeester nog niet opstond. Zoodra hij derhalve in de kamer beweging hoorde, klom hij de ladder op, trad in het vertrek, en sprak, zich eerbiedig buigende: "heer ridmeester, hebt gij wel geslapen onder het vreemde dak?" "Ik heb zoo goed geslapen," antwoordde de graaf, "als ooit vroeger in mijn leven!" "Nu, dat te hooren, verheugt mij!" hernam Oskinski, gelijk hij heette. "Doch ga thans met mij mede! In het benedenvertrek heb ik een avondeten laten gereed maken, dat zoo goed is, als ik het door de overhaasting maar kon klaar maken. Daar wacht uw bediende u aan tafel."

Toen August beneden was gekomen trof hij zijnen George aan, en tevens bemerkte hij, dat de tafel voor twee personen was gedekt. Toen hij, zich aan tafel willende nederzetten, George daarom de eene plaats aanwees, wilde deze echter niet gaan zitten, maar verkoos zijnen meester over tafel te bedienen.

"Dat zal evenwel niet gebeuren!" riep August levendig uit. "Gij waart tot nog toe mijn trouwe lotgenoot; daarom moet gij ook thans mijn medgezel blijven, nu mijne omstandigheden zich schijnen verbeterd te hebben, en ook aan dezen aangenamen maaltijd deelnemen, gelijk onze edele gastheer ook schijnt bedoeld te hebben. Wij menschen moeten immers, als broeders en zusters, leed en vreugde met elkander deelen!--En gij, mijnheer Oskinski," vervolgde hij, zich tot den kamerdienaar wendende, "gij moet nog een couvert op tafel laten zetten, en met ons medeëten!" De eerlijke Rus opperde tegen dit voorstel oneindig minder bezwaren, dan George. Hij liet het couvert brengen en nam bij de Duitschers plaats. Vervolgens werd wildbraad, gevogelte, visch, en wat Rusland nog meer oplevert, opgedragen, waarbij de gasten daarenboven nog op eenige flesschen lekkeren wijn onthaald werden. De Rus vermaakte zich bovenal met het laatste artikel, en van lieverlede, toen hij, zoo als men het gewoonlijk noemt, een stevig glaasje wijn had gedronken, werd hij regt vrolijk en spraakzaam.

"Maar zeg mij nu toch eens," zoo vroeg August hem, "wie is nu eigenlijk uw goede heer, die voor ons zoo onuitsprekelijk goed, gul en gastvrij is?"

"Ja," antwoordde de Rus, "gij moogt hem wel goed, gul en gastvrij noemen! Mijn meester is een goed heer, vriendelijk en hulpvaardig! Hij is heer van Koslou, keizerlijk Russische raad, en heeft met de leveranciën voor het leger drukke bezigheden. Eigenlijk woont hij niet hier, maar te Petersburg. Dit huis heeft hij enkel gekocht, om als hij langs dezen weg reist hier altijd een weinig te kunnen uitrusten. Gij moet weten, dat zijn weg hem veelvuldig door deze streken voert. Hij zou dit huis wel nieuw hebben laten opbouwen; doch dat heeft hij wijselijk wegens den oorlogstijd, waarin wij leven, gelaten. Het huis had het overigens wel noodig! Doch, zoo als ik zeide, hij heeft het wegens den oorlog gelaten, en enkel de kamer, waarin gij heden geslapen hebt, voor zijn gebruik in orde laten brengen. Den ingang tot het vertrek heeft hij echter verborgen gehouden. En hij had groot gelijk! Hij zeide ook: "dit is noodzakelijk! want het zou anders ligt kunnen gebeuren, dat anderen, wanneer ik hier aankwam, er zich reeds hadden ingekwartierd."--Maar, om u eerlijk de waarheid te zeggen, het verwondert mij grootelijks, dat hij het u tot uw gebruik heeft afgestaan, al had hij het juist in deze dagen zelf niet noodig. Nog meer bevreemdde het mij, dat hij, om u gezelschap te houden, zijne reis wel een uur langer heeft uitgesteld, dan zijn voornemen was. En--ik zeg dat, omdat wij toch toevallig over dit alles aan het spreken kwamen--het allermeest ben ik verbaasd, dat hij mij tot uwe bediening achterliet! Hij was juist op weg naar het leger. Nu moet gij weten, dat mijn meester geheel aan mijne bediening gewend is, en mijn gemis hem dus moeijelijk moet vallen. En toch beval hij mij, toen hij dezen middag zoo lang met mij in het Russisch sprak, dat ik u geheel als mijnen heer moest aanzien, en u met dezelfde oplettendheid moest bedienen, als waart gij mijn heer zelf. Hij droeg mij nog allerlei dingen op; ja, in persoon ging hij nazien of alles wel aanwezig en in goede orde was, wat u maar genoegen zou kunnen doen, of u dit verblijf gemakkelijk zou maken. Hij beval mij regt nadrukkelijk, niet het allergeringste te verzuimen, wanneer ik u bediende. Hij zou, verzekerde hij mij, bij u naauwkeurig uitvorschen of ik hem stipt gehoorzaamd had. Nu, ik hoop, heer ridmeester, dat gij over mij tevreden zult wezen, en, als de heer van Koslou terugkomt, eene gunstige getuigenis van mij zult afleggen. Dan, vergeef mij, ik moet nog het een en ander in orde brengen!"

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Toen hij eenen geruimen tijd later weder binnen kwam, bespeurde hij, dat zijne gasten, die van hunne vermoeijenissen nog niet geheel bekomen waren, slaperig begonnen te worden. "O zoo!" zeide hij dienstvaardig, "ik zie, dat gij u gaarne te bed zoudt willen begeven. Zeer wel! Alles is daartoe gereed."

Hij nam twee zilveren blakers van eene tafel, die ter zijde stond, stak de waskaarsen aan, en lichtte den graaf, in zijne eene hand de twee blakers houdende, de ladder op. In de alkove lagen, op een daartoe bestemd meubelstuk, hemden, dassen, zakdoeken en kousen. Over eenen stoel hing een slaaprok van het fijnste katoen en met flanel gevoerd. "Daar ligt schoon linnen en toebehooren," zeide Oskinski, "en deze slaaprok is nog geheel nieuw. Wanneer gij hem morgen wildet aanhouden, zou ik zorgen dat uwe uniform, zoo goed men het hier kan, versteld werd. Uw bediende slaapt, op bevel van mijnen heer, vlak bij u; namelijk in het kleine zijvertrek, waar ik anders plagt te rusten. Wanneer gij toevallig het een of ander mogt noodig hebben, wees dan zoo goed, even met de zilveren bel te schellen, die ik op uw nachttafeltje gezet heb. Ik zal dan oogenblikkelijk verschijnen."

XI.

August en George blijven nog altijd in het huis van den heer van Koslou.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.

Den volgenden morgen, zoodra de graaf was opgestaan, den slaaprok had aangetrokken en eenige keeren in het fraaije vertrek had op en neêr geloopen, verscheen Oskinski, die de koffij kwam binnen brengen.

De koffijkan, de kopjes en de suikerpot waren van het fijnste porselein. Het suikertangetje en de lepeltjes waren van verguld zilver vervaardigd. Oskinski vroeg nu nog, wat de heer ridmeester overigens te bevelen had, rooktabak, ham, boter, honig, of wat dan ook? De graaf bedankte evenwel voor alles.

Zoo ging het elken dag. De graaf leefde hier zeer tevreden, en hij en George dankten God elken dag, dat Zijne goedheid hen hier zoo onverwachts eene zoo aangename schuilplaats had doen vinden. August las veel in de boeken van den heer van Koslou. Het waren voor het grootste gedeelte geschriften, die eene godsdienstige strekking hadden; ook vond hij vele reisbeschrijvingen en andere leerzame werken, in de Engelsche, Fransche en Duitsche talen geschreven. Ook was daarvoor zorg gedragen, dat hij wekelijks eenmaal de nieuwsbladen ontving. Ook George begon van lieverlede veel vermaak in het lezen te scheppen, daar zijn heer veel las en hij toch met niemand in het huis kon praten, aangezien hij noch Russisch, noch Fransch verstond, en niemand de Duitsche taal kon spreken.

Vaak gingen beiden op de jagt; bij welke gelegenheid Oskinski hen begeleidde. De menschen die zij op den weg ontmoetten, groetten den graaf dan zeer vriendelijk, omdat men hem als den vriend des heeren van Koslou kende. De kinderen lachten hem vriendelijk toe, de mannen namen dadelijk de mutsen af, de vrouwen groetten hem met achting. Hoe waren dus allen te zijnen opzigte veranderd, die hem kort te voren barsch van hunne woningen verjoegen!

De heer van Koslou schreef een paar malen aan August, onder adres van zijnen kamerdienaar; doch altijd slechts weinige regels. Hij vroeg met belangstelling naar de gezondheid van den ridmeester, onderzocht of deze volkomen met de bediening tevreden was, en verzocht hem, nog eenigen tijd geduld te willen hebben.

Zoo verliepen de lente en de zomer. Wel is waar begon de graaf--en vooral was dit met George het geval--zich langzamerhand te vervelen. Doch als George zulks aan zijnen heer zeide, dan antwoordde deze: "welnu, wat zouden wij veel anders hebben kunnen verrigten? Beiden hebben wij hier eerst regt gevoeld, hoeveel wij door de bezwaren van den oorlog, door koude en honger geleden hadden. Onze krachten waren immers geheel weg! Ik ten minste zou tot hiertoe geene groote reis hebben kunnen ondernemen, noch andermaal in krijgsdienst kunnen getreden zijn. Laat ons derhalve geduld hebben! De goede God, die tot dus ver zoo genadig voor ons heeft gezorgd, zal wel verder zorgen!"

De graaf sprak dankbaar en verstandig. Overigens deden de stilte en de rust in dit eenzame verblijf, waarbij de zorgvuldige behandeling kwam, die hij daar genoot, hem zóó goed, dat zijn gelaat weder even gezond en bloeijend werd als vroeger; terwijl ook George zijne vorige, sterke gezondheid geheel terugbekwam.

XII.

De heer van Koslou komt terug en maakt zich aan August bekend.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.

Op zekeren avond--zij waren toen in den herfst--kwam de heer van Koslou geheel onverwachts terug. Met een gelaat waarop de vreugde te lezen stond, trad hij het vertrek van den graaf binnen, en riep vrolijk uit: "ik kom u uwe verlossing uit uwe langdurige gevangenschap aankondigen! De beide vijandelijke legers staan nu op Duitsch grondgebied aan de Elbe tegenover elkander. Ik heb de zorg voor het leger aan de Duitschers overgelaten. Ik heb alle hoop, dat het vijandelijke leger weldra over den Rijn zal teruggedrongen worden. Thans kan en mag ik u geheel ter dienste staan, en ben bereid, alles te doen, opdat gij ten spoedigste in uw vaderland moogt terugkeeren. Ook wil ik u nog iets voorslaan. Reist gij met mij naar Petersburg? Uit Petersburg kunt gij te water ligt naar Hamburg oversteken, en dan van daar over land naar uwe geboorteplaats reizen. Behalve deze, heb ik nog eene andere reden, waarom ik gaarne zag dat gij mij naar Petersburg vergezeldet. Ik wilde mijne vrouw en mijne kindertjes aan u voorstellen. Bovendien kan ik u toch ook niet als een dolend ridder van mij laten gaan! Gij hebt alles bij dien ongelukkigen veldtogt verloren. Daarom beschouw ik het als mijn pligt, u met reiskleederen, zooals uwen stand betamen, met eenen goed gevulden koffer en met paarden en rijtuig te voorzien. Dat alles kan evenwel hier niet gebeuren, maar daartoe moeten wij ons naar Petersburg begeven. Het doet mij leed, dat ik u niet dan met het armzalige rijtuig, hetwelk mij herwaarts bragt, naar Petersburg kan geleiden; maar hier te lande komt men, wegens de slechte wegen, met eenen beteren en grooteren reiswagen niet voort. Zulks moet gij derhalve maar voor lief nemen!"

"Edele, grootmoedige man!" riep de graaf vol dankbaarheid uit, "uwe alles overtreffende menschlievendheid moet zelfs de stoutste verwachting te boven gaan! Ik kan mij maar niet begrijpen, waardoor ik al die goedheid verdien! In ernst, uw edel gedrag, hoezeer ik het bewonder, is en blijft mij onbegrijpelijk!"

"Kom, kom!" gaf de heer van Koslou ten antwoord, "ik kan in alles wat ik doe, geen enkel spoor van buitengewone menschlievendheid zien, noch van eene zoo groote goedheid! Het is enkel mijn pligt, het is alleen _dankbaarheid_!"

"_Dankbaarheid?_" vroeg August, thans nog meer verwonderd; "_dankbaarheid?_ Maar nu begrijp ik het nog minder! Zou ik u dan bij mogelijkheid ooit eene dienst hebben kunnen bewijzen, die u eenige verpligting te mijnen aanzien oplegde, u, dien ik vroeger nooit gezien heb?"

"Hoe!" riep Koslou uit, "gij zoudt mij vroeger nooit gezien hebben? Nu, zet u dan eens bij mij neder en luister. Mijn geheele vermogen, dat waarlijk niet gering is, heb ik u te danken! Aan u ben ik al mijn geluk verschuldigd!"

Verbaasd staarde August den spreker aan, terwijl hij ongeloovig met het hoofd schudde. Het kwam hem langzamerhand voor den geest, of hier welligt eenig misverstand hadde plaats gevonden!

Nu vroeg de heer van Koslou: "hebt gij niet eens honderd gulden aan eenen armen, bedelenden jongen geschonken!"

"Neen!" antwoordde August; "ten minste herinner ik mij niet, ooit eene zoo aanzienlijke aalmoes gegeven te hebben."

"Niet?" herhaalde Koslou. "Nu, dan hoop ik, dat gij u nog wel eenen nachtegaal zult herinneren, die op het geboortefeest van uwe moeder zoo fraai zong. Een arme herdersknaap--is het niet zoo?--had een nestje met de beide oude nachtegaals in uw park overgebragt."

"O ja!" gaf August ten antwoord, "dien knaap herinner ik mij nog zeer goed! Hij was een arme, maar een zeer beminnenswaardige en hoopvolle jongen. Zijn naam was Dirk Snel. Hij ging als wagenmakersknecht naar het buitenland.--Doch, vergeef mijne vraag! hoe kunt gij deze bijzonderheden zoo goed weten?"