De nachtegaal Verhalen voor de jeugd
Chapter 2
Weldadigheid is in het algemeen zeer te prijzen, doch ook hierin moet men bedachtzaam te werk gaan; opdat wij niet soms onwaardigen helpen, terwijl anderen, die het wezenlijk verdienen, daarvoor achter moeten staan.
Dit bedacht de gravin, weshalve zij haren zoon nu ernstig afvroeg, of de knaap het ook _verdiende_? "Want," zeide zij, "ik moet eerst stellig weten, of onze gaven goed en nuttig zullen gebruikt worden."
"Wij kunnen ons geld onmogelijk beter besteden!" riep de jonge graaf levendig uit. Hij deelde daarop aan zijne moeder het gesprek mede dat hij met den wagenmaker gevoerd had, die het wiel op dien avond had gemaakt. "Dan," voegde hij daarbij, "ik wilde nog zekerder gaan, en schreef daarom aan den predikant van het dorp waar de knaap woont, en won bij dezen narigt over hem in. Ik had een van onze bedienden met den brief gezonden, en ik ontving dadelijk antwoord. Vergun mij, dat ik u dien brief voorleze, daar ik hem bij mij heb. Hij luidt aldus:
"In antwoord op uw schrijven haast ik mij, u het volgende te antwoorden.
"Gij kunt onmogelijk een grooter werk van barmhartigheid verrigten, dan door den armen Dirk Snel in staat te stellen tot het leeren van een ambacht. Hij is een knaap van bijzonderen aanleg, en daarenboven heeft hij een uitmuntend hart en leidt eene onberispelijke leefwijze. Zoolang ik mij herinner, heeft niemand onze dorpsschool bezocht, die hem overtrof. Ik zoude zelfs gaarne gezien hebben, dat hij zich uitsluitend op eenig vak van studie had toegelegd; doch zijn vader is een arm man, en mijne middelen waren te beperkt, dan dat ik hem daartoe in de gelegenheid had kunnen stellen. Hij leest, schrijft en rekent zoo goed als de schoolmeester zelf. Ook heeft hij dit niet enkel geleerd, maar hij schept veel behagen daarin. Toch kan ik niet ontkennen, dat hij voor eigenlijke studie, waarmede ik meer diepe en onafgebroken studie bedoel, geen lust gevoelt. Zoo lang stil te zitten, zegt hij, kan mij maar in het geheel niet bevallen! Hij heeft daarom meer zin in eenig handwerk, waarbij men zijn verstand wel moet gebruiken, maar waarbij de handen en het ligchaam tevens in beweging blijven. Van de ambachten, voor zoover die hem bekend zijn, vindt hij dat van den wagenmaker het aangenaamst. Ik zelf geloof, dat dit voor hem het best zou wezen. In het voorbijgaan wil ik de vrijheid nemen u den wagenmaker van ons dorp als eenen ijverigen en kundigen werkman, en tevens als een zeer braaf mensch, te noemen.--Gij kondt welligt voor den armen Dirk Snel iets willen doen.--Mogt zulks het geval zijn, en wildet gij mijnen raad inwinnen, dan zou ik u verzoeken, hem in staat te stellen om bij den genoemden wagenmaker als leerling geplaatst te worden. Dit zou eene wezenlijke weldaad, een godgevallig werk wezen.
"Vergun mij u, ten slotte, de woorden van onzen Heiland te mogen herinneren: _wie zulk een kind aanneemt in mijnen naam, die neemt mij aan_!"
"Zoo luidt het schrijven van den predikant," eindigde de jonge graaf, "en daarom houd ik mij overtuigd, dat wij het geld onmogelijk beter kunnen besteden."
"Welaan dan!" sprak nu de gravin, "ik wil thans bij de vijftig gulden, welke gij gegeven hebt, nog vijftig andere voegen. Dan heeft de knaap zijne honderd gulden voltallig, en kan, bij zijne tehuiskomst, zijnen vader met deze blijde tijding verrassen. Deze kan echter niet aangenamer verrast worden, dan ik door het onverwachte gezang van den nachtegaal, door uwe mij daaruit blijkende liefde, en vooral door uwe edele weldadigheid en goedheid van hart!"
"De natuur is voor ons onuitputtelijk rijk aan schuldelooze genoegens," vervolgde zij, terwijl zij zelve op dat oogenblik een levend bewijs was voor de waarachtigheid harer woorden. "Al onze zinnen worden hier op deze plek even aangenaam bezig gehouden. De heldere glans van het maanlicht, dat door de schaduw der boomen nog meer uitkomt; het heerlijke gezang van den vogel, ons door de plegtige stilte van den nacht nog meer bekoorende; de liefelijke geur der bloemen, die ons omringen; de thans zoo aangenaam afgekoelde lucht, welke ons na eenen zoo warmen dag nog meer schijnt te verkwikken: deze room, deze aardbeziën--o, geen kunstvol schilderstuk, geen vuurwerk, geene prachtige verlichting, geen concert, geen geur van reukwerken, geen vorstelijke maaltijd kan mij zooveel genoegen verschaffen, als ik hier nu smaak!"
"En dubbel schoon," zoo eindigde de edele vrouw, "dubbel schoon wordt voor mij toch nog al het genot, dat ik bij dezen onzen landelijken maaltijd smaak, wanneer ik bedenk, dat ik het, door Gods vaderlijke goedheid, aan de liefde mijner kinderen te danken heb. De vreugde welke de schoone natuur ons aanbiedt, moet nog veel meer verheven, nog oneindig meer hartverheffend voor ons worden, wanneer wij daarbij het bewustzijn omdragen van wel gedaan te hebben; wanneer wij weten, dat sommigen onzer medemenschen bij ons troost en hulp en opbeuring vonden!--En nog oneindig hooger wordt zij dan, als wij weten en dankbaar erkennen, dat een Vader daarboven, een Vader van alle menschen, zijnen kinderen met een hart vol liefde al die heerlijke vreugde bereidt; en wanneer wij zóó leven, dat wij met grond mogen denken: die goede God, die gemeenschappelijke Vader ziet met welgevallen op ons neêr!"
Dus sprekende sloeg zij hare oogen vroom ten hemel. "Daarboven," zeide zij toen diep bewogen, "daar, in Zijnen hemel, is het nog oneindig schooner en zaliger, dan hier op aarde. Daar, bij den Hemelvader, verbeidt mij, zoo als ik hoop en vast vertrouw, mijn onvergetelijke echtgenoot, uw brave vader, dien wij zoo spoedig moesten missen. Ach, van het uur af, waarop de Alwijze hem tot zich nam, zijt gij, lieve kinderen, mijne eenige, mijne grootste vreugde op aarde! O, blijft mijne grootste vreugde! Daarom bid ik den goeden God elken dag, dat hij u leide en sterke, opdat gij altijd vroom en braaf moogt blijven, zoodat wij allen eenmaal in den hemel, in zalige vreugde, voor eeuwig mogen vereenigd worden!"
VI.
Dirk ziet zijnen wensch vervuld.
Den volgenden dag liet de gravin Dirk bij zich komen, ten einde hem de honderd gulden ter hand te stellen. Onbeschrijfelijk verblijd ijlde de goede jongen met dit geld naar huis.
Toen hij de hut bereikt had, bemerkte hij, dat zijn vader op dat oogenblik niet in het kleine woonvertrek was. Haastig, doch zoo stil mogelijk, legde hij de honderd gulden op de tafel uit. Naauwelijks was hij gereed, of zijn vader, die het middageten bereid had, trad binnen.
De eerlijke man ontstelde zigtbaar, toen hij al dat geld ontwaarde.
"Jongen!" riep hij uit, en zijne stem beefde, "gij hebt dat geld toch niet gestolen?"
"God beware mij!" antwoordde Dirk. "Een vogeltje heeft mij daaraan geholpen; of liever, God heeft het mij door middel van een vogeltje geschonken."
"Wat zal dat beteekenen?" vraagde zijn vader hem, terwijl hij het voorhoofd fronsde.
De knaap verhaalde hem daarop de geheele geschiedenis; en toen eerst riep zijn vader vrolijk uit: "groote en goede God, hoe wonderbaar zorgt Gij vaak voor ons menschen!"
Dadelijk ging de brave man zorgen, dat zijn Dirk net in de kleederen werd gestoken. Dirk haastte, van zijnen kant, den kleedermaker, schoenmaker enz. niet weinig.
Toen hij voor het eerst van top tot teen in het nieuw gekleed was, bragt zijn vader hem naar den wagenmaker, met verzoek, dat deze zijnen zoon als leerling wilde aannemen.
Gaarne voldeed de wagenmaker aan dit verlangen.
Geene drie jaren verliepen er, of Dirk was reeds een uitmuntend wagenmaker, niets minder dan zijn meester.
Alvorens hij, zooals het gebruik medebragt, eene reis door het buitenland ging doen, bezocht hij de grafelijke familie op Sterreveld nog eerst. Hij wilde bewijzen, dat hij verdiende wat men voor hem had gedaan. Het eerst bezocht hij zijnen ouden vriend den tuinman.
Deze begroette hem regt hartelijk, en meldde vervolgens zijne komst aan de familie.
De wakkere jongeling werd dadelijk toegelaten, en allen waren even vriendelijk jegens hem, en prezen zijn gedrag om het zeerst.
De jonge graaf sprak hem aldus toe: "Dirk, gij hebt aan alle kanten verdiend, dat wij ons uwe belangen aantrokken. Daarom willen wij ook thans van u hooren--want wij weten dat gij op reis gaat--hoe het met de benoodigdheden staat? Spreek vrij, als wij u ergens mede kunnen helpen. Gij zult ons allen daartoe volgaarne bereid vinden!"
Hoewel Dirk van nature te veel kiesch gevoel had om dadelijk maar op te noemen wat hem nog ontbrak, toch vond de gravin, door allerlei vragen, het middel om zulks van hem te vernemen, zonder dat hij zelf wist dat hij iets opnoemde. "Welnu," zeide zij ten slotte "mijn brave jongen, gij mist nog het een en ander. Vergun ons, dat wij u deze som mogen ter hand stellen, om daarin te voorzien. Zoo het lot u gunstig is, kunt gij ons die later wel teruggeven!"
Dit laatste zeide de gravin, gelijk mijne lezers wel zullen begrepen hebben, ten einde Dirk het onaangename gevoel te besparen van te denken, dat hij, hoewel nu iemand die in zijn ambacht baas kon wezen, toch nog altijd met geld ondersteund moest worden. Op deze wijze geleek het meer naar eene kleine vriendschapsdienst dan naar eene gift.
En zoo moesten wij allen eene weldaad bewijzen! Want het enkele geven is niet genoeg; wij moeten helpen zonder iemands gevoel te beleedigen. Wij moeten weldaden aldus verrigten, dat het schijnt, alsof wij niet gaven, maar ontvingen.
En Dirk voelde zeer goed het lieve, dat in de handelwijze der gravin en van hare kinderen doorstraalde. Toen hij kort daarop, in een nieuw en uiterst fatsoenlijk reisgewaad, afscheid van dit gezin kwam nemen, bij welke gelegenheid de gravin hem nog eenige woorden toevoegde, die voor zijn welzijn zeer bevordelijk konden worden, als hij er naar luisterde;--toen brak hij in tranen los en kon slechts stamelend deze woorden uiten: "o, ik dank u, dank u voor alles, wat gij voor mij, armen en u vreemden knaap, gedaan hebt!"
VII.
De jonge graaf van Sterreveld treedt in krijgsdienst.
August, de jeugdige graaf van Sterreveld, die zoo goed, zoo weldadig voor behoeftigen, zoo vol kinderlijke liefde jegens zijne moeder was,--August gloeide ook van warme vaderlandsliefde. Reeds lang had hij heimelijk het verlangen gekoesterd om deel te nemen aan den grooten strijd, welken Duitschland, het land zijner geboorte, tegen Frankrijk streed. Reeds sedert geruimen tijd had hij elke gelegenheid, om zich in de krijgskunde en alle daarop betrekking hebbende wetenschappen te bekwamen, ijverig gebruikt, en het liefst had hij zich altijd met kundige officieren onderhouden, die zich dikwijls over de bekwaamheid van den jongen graaf van Sterreveld verwonderden.
Eindelijk had hij, nadat de dood hem zijnen vader ontnam, dat verlangen aan zijne moeder ontdekt.
Aanvankelijk was de gravin, wel is waar, hevig ongerust bij de gedachte, dat haar zoon aan de bloedige oorlogsgevaren het hoofd zou gaan bieden; wel trachtte zij hem eerst dit plan te doen opgeven;--doch kort slechts duurde de strijd tusschen vaderlandsliefde en moederlijke bezorgdheid voor den eenigen zoon. Spoedig sprak zij tot haren August (en hoewel de tranen haar in de oogen stonden, toch was hare stem vast): "ga mijn zoon, en kamp den edelen strijd voor het vaderland! God zij met u! In Zijne hoede beveel ik u aan; dan zijt gij te allen tijde wel bewaakt! Mogt de Almagtige u eenmaal rein en onbevlekt, het hoofd met lauweren bekroond, in de liefde-armen van uwe moeder terugvoeren!"
En zoo vertrok August.
Hij nam deel aan eenige gevechten tegen de Franschen, en gedroeg zich zoo, dat hij spoedig tot ridmeester werd benoemd.
Doch nu veranderden de omstandigheden.
Het regement waarbij hij stond, moest met het groote Fransche leger naar Rusland trekken. Reeds op den togt naar Moskou verloor het leger, door de geduchte marschen, die het elken dag moest afleggen, duizenden van manschappen, hoewel er nog geen enkel schot was gevallen; want behalve de afmatting, die deze vermoeijende togten te weeg bragten, had het leger buitendien nog gebrek aan levensmiddelen. Na onbeschrijfelijke vermoeijenissen, na vele bloedige schermutselingen, na den schrikkelijken slag, die den naam van Borodino[1] vereeuwigde, naderde het leger eindelijk de groote keizerstad, die met hare talrijke paleizen, hare vergulde koepels op de tempels, hare driehonderd kerktorens, en haar kremlin, dat aloude paleis van Ruslands alleenheerschers, een allerprachtigst schouwspel aanbood.
Hier hoopte de graaf, en alle krijgslieden deelden die hoop met hem--eindelijk te zullen uitrusten van de tallooze vermoeijenissen, hier eenen overvloed te zullen vinden der zoo lang ontbeerde levensmiddelen.
Doch hoe bedroog hij zich!
Bijna alle inwoners hadden, gelijk men weet, de stad verlaten. De straten waren doodsch; de paleizen en de meeste woonhuizen stonden ledig. Tegen middernacht brak die ijselijke brand uit, welke verscheidene dagen woedde, die als het ware tot eene onmetelijke zee van vlammen aangroeide en het grootste gedeelte van Ruslands toenmalige prachtige hoofdstad in de asch legde.
Het leger moest op den terugtogt bedacht zijn. En die terugtogt was het, op welken duizendtallen van dappere krijgslieden, uit verschillende natiën, door sneeuw en ijs, honger en gebrek aan kleeding, zoo jammerlijk omkwamen.
Op eenen enkelen nacht verloor het leger meer dan dertig duizend paarden. Ook die, welke tot het regement van August behoorden, kwamen allen om. Door diepe sneeuw, door verstijvende koude en hevigen storm moest hij met zijne dragonders den weg te voet vervolgen. Mijlen ver gingen zij, zonder zelfs eene hut op hunnen togt aan te treffen. En zelfs dan, wanneer zij bij eene menschelijke woning aankwamen en zich innig verheugden bij de gedachte, dat zij nu welligt een gastvrij dak en een weinig voedsel mogten gevonden hebben, was hunne teleurstelling onuitsprekelijk hard, geschikt om zelfs den onversaagste allen moed en lust te ontrooven! Want die woningen waren half vernield, zonder bewoners, zonder levensmiddelen, ja zonder deuren of vensters; zoodat de ijskoude wind verstijvend door het lage gebouw bulderde.
De meeste woningen waren afgebrand. De beklagenswaardige soldaten moesten menigen nacht, hoe uitgeput en verkleumd zij ook waren, op den met sneeuw bedekten grond onder den blooten hemel doorbrengen.
En het gebrek aan levensmiddelen deed zich met elken dag nijpender gevoelen.
August van Sterreveld gaf al het goud dat hij bezat, gaarne voor een stuk droog brood. Niet lang duurde het, of iemand konde, voor al het goud in de wereld, zulks niet eens meer bekomen. Ook hij moest zich toen, gelijk al de anderen, generaals, officieren van hoogeren en lageren rang en gemeene soldaten, met het vleesch van doode paarden voeden. Zij wreven dit vleesch met kruid in en roosterden het, dus toebereid, boven het vuur. Gesmolten sneeuw moest hunnen dorst stillen. De weg, langs welken het grootste gedeelte van het leger reeds was vooruitgetrokken, was als het ware door achtergelaten kanonnen en kruidwagens afgebakend. Ter wederzijde lagen ontelbare lijken van menschen, over welke de sneeuw als het ware een reusachtig lijkkleed had uitgebreid. Velen van de soldaten, die onder het bevel van August stonden, bleven in de sneeuw verstijfd liggen; anderen verstrooiden zich. De algemeene leus werd: wie kan, redde zich!
[1] Namelijk door het gevecht van 5 September 1812.
VIII.
De trouwe bediende.
VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.
Toen August van Sterreveld eenige dagen moedig al deze ongemakken had doorgestaan, voelde hij zich ten laatste zoo uitgeput, dat hij, al wilde hij daartoe ook alle krachten inspannen, weldra niet zou kunnen voortgaan. Reeds vroeger had hij den bediende moeten achterlaten, dien hij uit het ouderlijke huis had medegenomen, en in diens plaats was een jonge soldaat getreden, die uit hetzelfde graafschap was, waar ook hij woonde. Deze man, die volgaarne deze taak op zich had genomen, heette George Risch, en was gewis een van de trouwste en eerlijkste menschen die men vinden kan.
Toen nu de nood ten top was gestegen, sprak August tot hem: "George, tracht u zelven thans ook te redden, gelijk de anderen doen. Ik kan ter naauwernood voortkomen en moet zeer langzaam gaan. Spoedig, ik gevoel het, zal mijn einde daar zijn." Doch George antwoordde terstond: "wat er ook gebeure, nimmer, mijn edele heer, verlaat ik u! Ik wil met u gered worden, met u leven of sterven!"
Naauwelijks waren deze woorden gesproken, of daar kwamen plotseling de Kozakken op hunne kleine, vlugge paarden en met hunne lange lansen aangerend. De graaf en zijn dienaar bevalen, op dit gezigt, hunne zielen aan God, want zij verwachtten niets anders dan eenen zekeren dood. Evenwel ontnamen de ruwe, baardige ruiters den graaf alleenlijk zijnen blaauwen mantel van fijn laken, die hem tot hiertoe nog een weinig tegen de koude had beschut, rukten hem zijn ordekruis van de borst, en galloppeerden toen voort, om elders rijkeren buit op te sporen. Dadelijk bood George aan den graaf zijnen mantel, die wel minder fijn was, maar toch uitstekend verwarmde. August, hoewel zigtbaar ontroerd door deze edele getrouwheid, weigerde dien. Doch dringend sprak George: "ik bid u, neem hem aan; ik kan de koude immers veel beter verdragen!" Dus sprekende sloeg hij den mantel om zijns meesters schouders; deze werd weldra geheel tevreden met deze schikking, daar George eenen anderen bekwam, dien hij eenen doodgevroren soldaat ontnam, welke er zich vruchteloos in had gewikkeld.
"Het is ons onmogelijk," sprak thans de graaf, "langs dezen akeligen weg de stad Smolensko nog te bereiken, waar ons lot, zoo als men zegt, dragelijker zal worden. Wij moeten onzen weg zijwaarts, naar den regterkant of ter linkerzijde, nemen. Misschien ontmoeten wij nog goedhartige landlieden, die tot hiertoe van plundering bevrijd zijn gebleven, en die, op het gezigt van ons onbeschrijfelijk lijden, zich over ons zullen ontfermen."
Met dit doel veranderden zij van rigting, en stieten dan ook op eenige hutten, uit welke zij, tot hunne onuitsprekelijke vreugde, den blaauwen rook zagen opstijgen. Doch de inwoners zagen de beide krijgslieden in hunne vreemde uniform voor vijanden aan, en wezen hen daarom barsch af. Alleen een Poolsche Jood naderde hen, en sprak hen met vriendelijke woorden aan. Ongelukkig evenwel verstonden zij de taal niet, welke hij sprak. De Jood, die een ovaalvormig brood onder den arm droeg, terwijl hij een met stroo omwonden fleschje, met brandewijn gevuld, in de hand hield, wees herhaaldelijk naar de horologieketting van den graaf, welke door den Kozak onopgemerkt was gebleven. De graaf toonde hem daarop zijn gouden repetitie-horologie, liet het werk slaan, en beduidde den Jood door teekens, dat deze geld moest toegeven. Doch de laatste schudde het hoofd en wilde verder gaan, of hield zich althans zoo, waarop de graaf hem het horologie liet, en daarvoor de weinige levensmiddelen van den Jood in ruiling aannam.
August zette zich vervolgens op eenen steen neder, sneed het brood en gaf den regtschapen dienaar het eerste stuk. "Dat brood is duur!" zeide hij tot George; "want het horologie heeft mij meer dan twintig dukaten gekost. Doch brood is ons op dit oogenblik noodiger dan goud; weshalve wij, hoe duur het ons vergelijkenderwijze dan ook te staan kwam, God toch wel hartelijk daarvoor mogen danken, dat wij het ons ten minste konden verschaffen!"
Nadat zij met het brood den honger hadden gestild en ook een weinig brandewijn genuttigd hadden, trokken zij verder. Het was een geluk voor hen, dat al de beken, poelen en moerassen hard waren toegevroren, waardoor deze hen nergens in het voortgaan belemmerden. Later kwamen zij bij een digt woud aan, hetwelk hen eenigzins tegen storm en sneeuwjagt beschutte Zij vonden er ook nog een plekje, waar geen sneeuw lag. Hier beproefde George een vuurtje aan te maken; waarin hij echter niet slaagde, omdat hij, alhoewel hij staal, vuursteen en zwam bij zich had, toch niet genoeg drooge takjes kon vinden. Van koude rillende, zaten zij op den hard bevroren grond. Rondom waren de boomen geheel met rijp overdekt. Wijd en zijd hoorde men niets dat de aanwezigheid van menschen verried; alleen ravengekras liet zich hooren. Met een onuitsprekelijk gevoel van hakend verlangen dacht August aan Sterreveld aan zijne lieve familie, en herinnerde zich hoe hij vroeger in de aangename schaduw van dat liefelijke boschje, door bloemengeur omringd en door het lied van den nachtegaal betooverd, zoo regt gelukkig was geweest. "O," sprak hij bij zich zelven, "niemand weet toch wat hem nog boven het hoofd hangt! Wie zou toen hebben kunnen vermoeden, dat ik eenmaal, en dat nog wel binnen zoo korten tijd, in deze afgrijselijke wildernis, waar men enkel sneeuw en ijs, nevel en rijp ziet, zou verplaatst worden." Innig bad hij tot God: "red mij, o Almagtig God! Red Gij mij uit dit land, en leide Uwe onvolprezen goedheid mij gelukkig naar het ouderlijke huis in de armen mijner diep bekommerde moeder terug!"
Eindelijk kon de graaf de hevige koude niet langer uitstaan. Zij viel hem nog zwaarder dan de vermoeijenissen, die hij elken dag moest doorstaan.
August sprong, een moedig besluit vattende, snel op en vervolgde haastig zijnen weg, daar hij hoopte, dat eene snelle beweging hem wel eenigzins zou verwarmen. Doch het duurde niet lang, of hij kon geene enkele schrede meer doen. Toen nam de brave George zijnen heer op den rug, en droeg hem twee geheele dagen voort. Doch geen sterveling kan meer doen, dan zijne krachten hem vergunnen. Op den derden dag moest George het, zijns ondanks, opgeven. Zijne laarzen waren geheel stuk geloopen, en zijne voeten waren zoodanig verwond geraakt, dat hij bij elke schrede een bloedig spoor in de sneeuw achterliet. Toen August den toestand van zijn lotgenoot bemerkte, zeide hij: "ik heb thans genoeg gerust, mijn brave George! Door de beide dagen, dat gij mij gedragen hebt, zijn mijne krachten teruggekomen, zoodat ik mij volstrekt niet meer vermoeid gevoel. Daarom is thans de beurt aan mij gekomen. Eergisteren en gisteren waart gij de sterke en droegt mij: heden zijn mijne krachten beter dan de uwe, weshalve ik u thans wil dragen!"
Doch de edeldenkende George wilde zulks volstrekt niet gedoogen. De reden van zijne weigering gaf hij in dezer voege op: "van hier tot het naaste dorp kan het niet ver meer wezen," dus sprak hij; "vermits men hier alreeds den toren ontdekt. Wanneer gij u nu alleen voortspoedt, kunt gij dat dorp ligtelijk bereiken; doch als gij mij daarenboven moet dragen, dan komt geen van ons beiden er immer. Aan mij is zooveel niet gelegen, wanneer ik hier den dood mogt vinden. U evenwel wacht eene teederminnende moeder, verbeiden twee zusters, die haren broeder zoo hartelijk liefhebben! Zoo gij het dus voor u zelven niet doet, spaar uw leven dan om harentwil! Ik bid u, laat mij hier liggen, en tracht zonder mij het dorp te bereiken!"
Doch op vasten toon gaf August ten antwoord: "neen, wakkere George, dat zal nimmer gebeuren! Gij hebt uw leven voor mij gewaagd; en bijaldien gij niet volstrekt met mij hadt willen achterblijven, dan zoudt gij nu reeds lang met het leger eene veilige verblijfplaats gevonden hebben. Weiger daarom niet langer! Het zou u niets baten; want wat gij mij weleer toevoegdet, dat roep ik u nu ook toe: "ik wil met u leven of sterven!""
Doch George bleef nog weigeren. "Ik kan het niet toestemmen! Het is al te goed van u! Ik ben immers niets meer dan uw dienaar! Waarlijk gij zijt al te goed!" en hij, die zelf zoo edel dacht en handelde, snikte van aandoening over de grootmoedigheid van zijnen heer.
Ernstig hernam August: "George, weiger mij niet langer, als wij vrienden zullen blijven!" Door deze bedreiging bragt hij den ander tot stilzwijgen; waarop de heer zijnen dienaar op den rug nam en hem aldus naar het naaste dorp zocht te dragen.
En God sterkte hem; want het gevoel van wel en godgevallig gehandeld te hebben, een gevoel dat altijd bezielend werkt, hield zijne krachten staande.