De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 5
Een lage deur voerde ons in een duister vertrek, waar we werden verzocht om af te dalen of liever ons te laten zakken in een lagere zaal. Daar troont in eenzame majesteit, in eeuwig zwijgen, het beroemde beeld van Parasnath. Toen ik in zijn tegenwoordigheid werd toegelaten, kon ik niet nalaten een stap achteruit te doen. Het type is dat van de andere Dsjaïna-beelden, met de handen gekruist over de zilveren voeten, die ook gekruist zijn, het gelaat verlicht door groote, amandelvormige oogen, aangeduid door schitterende plekken, en den fijnen mond, die glimlacht, terwijl de lange oorlellen op de schouders afhangen. De vlam speelde op die zonderlinge figuur met felle licht- en schaduwplekken, en de indruk was niet aangenaam, zoo onaangenaam zelfs, dat ik geen aandacht had voor een der andere beelden, o.a. dat van Neminath aan mijn rechterhand, en dat ik gauw mijn plaats afstond aan mijn moeder en de anderen. Dit beeld wordt in hooge eere gehouden door de leden der secte en door de priesters. Wat de legende betreft van den fameusen waterdruppel, die uit zijn oor vloeit en een gat boort in den schouder, daar zal ik niet bij stil staan. Toch heeft hij aan het beeld den naam van Amyhara bezorgd, dat is druppel nectar.
Met veel genoegen stegen we weer omhoog naar het licht en na het verblijf in die vochtige holen was het zien van het zonlicht een vreugde. Op den Girnar behoeft er geen vrees te bestaan, dat het felle licht den indruk der heiligdommen zal bederven. Het speelt integendeel in het beeldhouwwerk der plafonds, glijdt langs de nissen en om de pilaren en doet nooit die vervallen oudheid zien, die in andere deelen van Indië de monumenten kenmerkt. Het is of de Girnar een eeuwige jeugd geniet.
Nu moesten wij nog een oog slaan op de pleinen, waar geen duimbreed gronds ongebruikt is gelaten. Men heeft er heiligdommen opgericht voor schutsgoden, bij voorbeeld Amba Mata, en kleine monumenten zijn gebouwd boven de voetstappen der hoogepriesters.
Ons links wendend, zonder den eigenlijken tempelkring of Deva Kota te verlaten, vonden we een groep van drie tempels, die van Rishabhdev, Merakvasi en Sangharam Soni. De eerste bevat het kolossale beeld van Rishabhdev, den eersten Dsjina of Tirtankara; het is bedekt met pleister en draagt op elken schouder een staanden persoon in een houding van nadenken. De beide andere munten uit door de schoonheid der zolderingen en de détails van het beeldhouwwerk; het is alles schitterend. Tot aan den tijd van ons bezoek was het onmogelijk gebleken, er een photografie van te nemen door het witte en diffuse licht, dat tot in de verste hoekjes dringt. Misschien is men er later beter in geslaagd. Het heiligdom ligt op het Westen, een omstandigheid, die verklaard wordt door de vroegere bestemming van deze monumenten, die paleizen waren. Woonden in dergelijke woningen de echtgenooten van de Chudasama's? In den tempel van Sangharam Soni herkent men nog het best aan de proporties een koninklijke residentie. Die tempel is gewijd aan Parasnath, wiens modern standbeeld er te zien is.
Buiten de Deva Kota vinden we eerst den tempel van den Rajah Samprati, die zeker de mooiste is door de gratie zijner lijnen, zijn prachtige ligging op de helling van den berg, en zijn plafondschilderingen, waarin de kunstenaars der Dsjaïna's zichzelven hebben overtroffen. Hij is ook de oudste van de groep van den Girnar; een opschrift in het inwendige geeft als tijd van de stichting het jaar 1158 aan.
Aan de noordzijde, een weinig afgezonderd van de groep, staat de Kumarpal, waarvan het lange portiek door 24 zuilen wordt gedragen. Het gebouw was in de vorige eeuw bijna verwoest; er was nog slechts een enkele zaal over. Toen de Dsjaïna's tot de herstelling besloten, bespeurden ze, dat een sivaïetisch bankier er bezit van had genomen, om er een voor hem heilig beeld te plaatsen. In wanhoop dreigden ze, dat ze, als men hun het eigendom niet teruggaf, tot de plechtigheid van het _dharna_ te zullen overgaan, dat wil zeggen, bij de poort van den tempel te gaan zitten en te vasten tot de dood zou intreden, zoolang ze hun bezit niet terug hadden. De partijen kwamen tot een vergelijk, en volgens het opschrift had de restauratie in 1824 plaats; het heiligdom bevat drie beelden.
Eindelijk is er ten oosten van de Deva Kota, rechts van den weg die naar het heiligdom van Amba Mata leidt, de drievoudige tempel van Vestupal Tejpal. De dsjaïnische kunst ontplooit er al haar pracht in de versiering der zolderingen, der pilaren en der koepels; ongelukkig heeft het beeldhouwwerk veel geleden. Het monument is zeer oud en werd in 1229 opgericht door den minister van een koning van Goedsjerat en zijn broeder.
Het bezoek der tempels, hoe vlug het ook plaats had, was lang en vermoeiend geweest; ik heb er slechts een flauw denkbeeld van kunnen geven, en moet veel karakteristieke détails voorbijgaan; maar daar ik er geen foto's van kon krijgen, zou de beschrijving geen doel treffen.
De heer K. Ch. Dhru noodigde ons op een déjeûner in de voor gasten bestemde zaal; maar in zijn hoedanigheid van Brahmaan mocht hij niet aan onzen maaltijd deelnemen. Aan tafel liep het gesprek over de dingen, waar wij van vervuld waren, vooral over den oorsprong en de ontwikkeling der dsjaïnische kunst.
Het was trouwens slechts de herhaling van de meeningen der groote autoriteiten en van de indrukken der reizigers, in het bijzonder van Tod, wiens levendige beschrijvingen mij lust hadden gegeven, naar Girnar te gaan en mij tot geestdrift hadden gestemd.
Minder begunstigd dan hij, werd het ons niet vergund, den nacht door te brengen op het mooie platform van de Deva Kota, en geen bliksemstraal, die de wolken scheurde, stond ons toe, met een enkelen blik de vlakten van Kathiawar en de verre oevers van Mangrol en Pattan te omvatten. Doch waarom getreurd, de helderheid der atmosfeer, het vriendelijke landschap, de zachtheid der temperatuur passen bij een streek, die de woonplaats der goden is geweest, en dat is de indruk, dien wij wenschen mee te nemen.
Toen het déjeûner was afgeloopen, hervatten we onzen tocht naar den top van den berg; we moesten nog 600 voet stijgen. Links van ons boven de tempels teekende zich op de lucht een groot blok graniet af, de Bairav Jap, Sprong van den Dood, van waar de ongelukkigen, die met de bevrijding van hun kwalen de belooning hoopten te vinden voor hun wanhoopsdaad, zich naar beneden stortten, een belooning, die hen van treurig misdeelden en nederige proletariërs zou maken tot heeren en vorsten in het paradijs van Indra.
Het slachtoffer, gedost in zijn mooiste kleederen, gaat naar den rand van den afgrond; met den voet rustend op een cocosnoot, balanceert hij een oogenblik en glijdt dan in het ledige, waar zijn lichaam op de punten der rotsen te pletter valt. Er werden ons veel voorbeelden genoemd van deze soort van godsdienstigen zelfmoord; maar de engelsche politie verzet zich krachtig tegen de ellendige praktijk. Meestentijds zijn de ongelukkigen van beperkt verstand, door geestdrijvers ingepakt en soms onder den invloed van alcoholische dranken.
Tweehonderd meter boven de Deva Kota moet men niet verzuimen, een blik te werpen op het heiligdom van Mahadav en zijn heilig waterbekken, waar de pelgrims hun wasschingen moeten verrichten.
Wij bestijgen de laatste treden, die naar den tempel van Amba Mata voeren, en terwijl onze beminnelijke gids zijn godsdienstplichten vervult, brengen wij een bezoek aan het inwendige. De priesters haastten zich een armen asceet te verjagen, wiens staat van naaktheid zijn verdwijning achter de rotsen rechtvaardigt.
De tempel, die tot vrij hooge oudheid opklimt, is van zwart graniet gebouwd; hij was vroeger door een portiek omgeven, maar de bogen zijn dichtgemetseld. In 1889, toen de bliksem het gebouw had beschadigd, werd het hersteld door de Hindoes van Junagadh. Het inwendige is zoo donker, dat men ternauwernood het beeld van Amba Mata kan herkennen, de godin der oude tijden, een der gedaanten van Uma of Parvati.
De zindelijkheid liet veel te wenschen over, en enkele reizigers hebben de weinig vleiende opmerking gemaakt, dat de tempel niet geveegd schijnt te zijn, sinds de Boeddhisten of de Dsjaïna's hem aan de Brahmanen hebben afgestaan. Wij offeren ons penningske, en we gaan het uitzicht bewonderen, want van den Amba Mata kan men het gansche bergstelsel van den Girnar overzien. In het Oosten, vrij dicht bij ons, de Goraknath, gekroond met een tempeltje, gewijd aan den leerling van den een of anderen heilige; wat verder de Dattar, die geen spoor van eenigen plantengroei vertoont op zijn flanken van graniet; op den top staat een gebouwtje, dat de voetstappen van Neminath bedekt, en waar, naar beweerd wordt, de dsjina het Nirvana bereikte; en eindelijk, lager, de Kalika met een tempel voor de godin Kalika. Lagere bergen staan als een gordel om de hooge, en in het Zuiden breidt zich het woudgebied van den Gir uit. Alle dalen van het bergland en der lagere ketenen zijn bosch- en wildrijk.
De Kalika staat in een niet te besten reuk, waardoor de geheele groep van bergen min of meer berucht is. Hij heeft tot in de jongste tijden tot woonplaats gediend aan de Aghori's. Een Aghori is iets verschrikkelijks, oordeelt men in Indië, en niet ten onrechte, zooals wij zullen zien.
Als godsdienstige secte zijn de Aghori's zeer oud en worden in de geschiedenis vermeld als menscheneters. De schrijver van "Dabistan", een werk uit de 17de eeuw, verhaalt, dat hij een Aghori gezien heeft, die een lijkzang zong, zittend op een lijk, dat hij verslond, ofschoon het al tot ontbinding was overgegaan. Deze schepsels aanbidden de godin Aghori Mata, maar van eigenlijken godsdienst kan bij hen geen sprake zijn, evenmin als van eenig wijsgeerig systeem, al beweren zij, dat ze de logische consequenties aanvaarden van de pantheïstische philosofie der Vedanta. Vroeger deden ze aan menschenoffers, en de plechtigheden bij hun inwijding waren iets monsterachtigs, terwijl ze tot op onzen tijd nog zeer weerzinwekkend moeten wezen.
Het is bewezen, dat de leden der secte gedwongen worden, menschenvleesch te eten; om zich te verontschuldigen, beweren zij, dat hun hoofden hen uit de gemeenschap zouden stooten, als ze weigerden, zich aan die afschuwelijke gewoonte te onderwerpen, en dat ten overvloede de smaak van menschenvleesch hun de kennis verschaft van de onzienlijke dingen. Ze komen niet dikwijls te zamen; maar te Benares zijn er nog velen en daar zwerven ze om de kerkhoven rond, om den deelnemers aan begrafenissen geld af te persen.
Ziehier het portret van den Aghori, geteekend door de hand van een kenner. "Zwart, vuil, harig, de oogen met bloed beloopen, de neusgaten wijd uitstaande, lange nagels, een met zweren bedekt lichaam, het haar vol ongedierte, in volkomen naaktheid, zoo is de Aghori. Hij ziet uit de oogen als een krankzinnige, lacht ook als zulk een ongelukkige, laat de tong uit den mond hangen en heeft vuile tanden. Nooit wascht of reinigt hij zich; hij voedt zich met krengen en lescht zijn dorst met rottend water, in de eene hand houdt hij een schedel vast en in de andere een of ander martelwerktuig. Aldus heeft Malabari hem beschreven.
De Aghori's hebben altijd schrik verspreid, waar ze zich vertoonden, en op het platte land vreesden hen de moeders, omdat men kinderroof van hen kende. Hun voornaamste verblijf was de berg Kalika. Thans zijn ze bijna verdwenen; maar de berg is nog berucht door hun vroegere aanwezigheid.
Toen kwam de tijd, dat wij aan vertrekken moesten denken. Het ging bliksemsnel bergaf. Wat mij betreft, ik was zoo ingenomen met mijn lakensche laarsjes, met goud geborduurd, en ik was er zoo gemakkelijk mee geschoeid, dat ik besloot, te voet naar beneden te gaan in gezelschap van den heer Dhru. Moeder hernam ernstig haar plaats in den draagstoel; maar ik had niet voorzien, wat er met haar en de doli zou gebeuren; pas waren de stokken stevig op de schouders van de koelies geplant, of dezen gingen er in galop van door, sprongen als geiten over de granieten treden, vlogen langs de corniches op geen twee vingers afstands van den afgrond en mijn moeder werd in dien dollen ren meegevoerd! De heer Dhru had met zijn zachtheid en beleefdheid moeite, mij gerust te stellen. Onze bediende François was doodverschrikt en sloeg met zijn armen in de lucht. Nu was het de beurt van mijn secretaris, wiens dragers die van mijn moeder volgden op eenigen afstand; in 45 minuten waren ze allen beneden aangeland.
Toen ik mijn moeder terugvond, was ze heel kalm, hoewel wat verbaasd over den dollen tocht; ze vond het zelfs wel een aardige ervaring, en we hadden er drie dagen later weer plezier van op den rit naar Palitana, waar we niet zoo verschrikt behoefden te zijn over de haast, waarmee we toen daalden.
In het Lal Bagh teruggekeerd, werd ons gezegd, dat de eerste minister terug was en dat hij ons tegen den avond een bezoek zou komen brengen. Het was ons een genoegen, persoonlijk kennis met hem te maken en hem onzen dank te betuigen voor de gastvrijheid, die wij te Junagadh hadden gevonden.
De heer Chunilal Sarabhai heeft een schitterende loopbaan gehad. Hij is uitstekend op de hoogte van den godsdienstigen, financiëelen en staatkundigen toestand van de streek, is minister geweest in verscheiden naburige staten, waar men hem in moeilijke omstandigheden te hulp riep. Hij is Brahmaan van de kaste der Nagars en geboortig uit Ahmedabad; zijn voorvaderen onderscheidden zich in den dienst van de keizers van Delhi, waardoor ze den titel van Hazaret en den post van diwan van Goedsjerat kregen.
Het gesprek liep over de meest verschillende onderwerpen, den hongersnood, de besproeiingswerken, de maatschappelijke hervormingen, en bij dat gesprek gaf ik mij eerst goed rekenschap van de beteekenis, die voor Indië moet worden gehecht aan die mannen, die langen tijd er de zaken hebben bestuurd en bij wie de engelsche regeering hulp zoekt, als ze de reorganisatie van de toestanden ter hand neemt.
Het zou onverstandig wezen, in het zoo teêre raderwerk der inlandsche staten in te laten grijpen door menschen, die alleen een europeesche universitaire opleiding hebben genoten. De groote ministers, zooals de Brahmaan Madhav Rao, die de orde heeft hersteld in de staat Baroda; Salar Jung, die een steun in Nizam is geweest, zij hebben succes gehad daar, waar Engelschen en verengelschte Indiërs schipbreuk hebben geleden.
Den volgenden dag vertrokken wij naar Palitana, om ons bezoek aan de tempels te voltooien met een tocht naar den berg van Sattrunjaya, en na drie dagen, doorgebracht ten huize van Z. H. den takore Masingji, begaven we ons weer terug naar Ahmedabad.
AANTEEKENING
[1] Berg in het Noordwesten van Voor-Indië op het schiereiland Goedsjerat.
End of Project Gutenberg's De monumenten van den Girnar, by D. Menant