De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 4

Chapter 43,896 wordsPublic domain

"In vroegere tijden kenden de koningen de pleizierreizen, de jacht en andere vermaken. Maar Pyadasi, de geliefde koning der Deva's, tot het tiende jaar zijner regeering gekomen, heeft de volmaakte leer van Boeddha leeren kennen, en zal alleen die wet verspreiden.

In de tiende stelling verklaart hij, dat de eenige roem, dien hij begeert, is zijn volken te zien gehoorzamen aan die wet en alle plichten te zien vervullen, die zij oplegt, en hij voegt erbij: "Het is een moeilijke zaak voor een middelmatig mensch, om de zaligheid deelachtig te worden, zooals ook voor iemand van rang, tenzij hij door buitengewone verdienste alles hebbe opgeofferd; maar voor een vorst is het nog veel moeilijker."

Indien de koning dan al een vurig proselietenmaker is, hij heeft toch eerbied voor het geloof van anderen. Die gedachte drukt hij uit in het twaalfde voorschrift.

"Pyadasi, de geliefde koning der Deva's, heeft eerbied voor elk geloof. Hij eert tevens de bedelaars, door hun aalmoezen te geven. Men moet alleen zijn eigen geloof liefhebben, maar men moet dat van anderen niet beschimpen; dan doet men niemand onrecht. Er zijn zelfs omstandigheden, waarin het geloof van anderen even hoog moet gesteld worden. Door dat te doen, versterkt men zichzelven in het geloof en dient tevens dat van anderen."

Onnoodig, de aanhalingen nog te vermeerderen. Het is die geest van verdraagzaamheid, dien we vooral wilden laten uitkomen, want die geest zou zich door de eeuwen handhaven in het Boeddhisme.

De andere opschriften, die een weinig beschadigd zijn, houden zich bezig met het Soedarsana of mooie meer, waarvan men de sporen in het dal heeft gezocht.

Zooals ik al zei naar aanleiding van de irrigatiewerken in den Uperkot, men hield zich lang bezig met die vragen in Saurasthra. De opschriften leeren, dat het meer het werk was van een onderkoning van Kathiawar, die 300 jaar vóór Christus het aanlegde; dat het onder Asoka verfraaid werd en toen 350 jaar onveranderd bleef. Maar na dien tijd, in 129 na C. veroorzaakten hevige regens overstroomingen in het Girnargebied; een orkaan wierp boomen omver, deed rotsen schudden, rukte deuren uit hun voegen en vernielde de woningen. De wateren braken de dijken en sleurden alles mee. Het scheen een onherstelbare ramp, en de raadgevers van den koning deden er niets aan. Maar het volk vroeg luide naar zijn "schoon meer" en koning Rudra Daman, die toen over Goedsjerat regeerde, en die geen belastingen hief en geen heerendiensten vergde, maar alles uit eigen fondsen betaalde, stond zijn onderkoning toe, het meer te herstellen. Het opschrift zegt, dat die herstelling door middel van een dam werd bewerkstelligd.

En er verliepen 310 jaren, toen in 449 op een nacht ten gevolge van hevige regens de dam bezweek tot grooten schrik der bevolking. Zeven jaren later slaagde de onderkoning erin, in twee maanden een dam te bouwen van 150 voet lang, en 102 voet breed en 35 voet hoog. Hoe lang hield het nieuwe werk stand en waardoor werd het vernield? Op welk tijdstip nam de plantengroei weer de plaats in van die watervlakte, die zich uitstrekte aan den voet van den Girnar? Wanneer trad de liefelijke rivier Sonarekh binnen haar bedding terug? Geen enkele overlevering maakt er melding van, en men weet zelfs niet, waar het Soedarsana gelegen was! Een pandit heeft de plaats vastgesteld op driekwart mijl van de stad naar het Oosten op weg naar den Girnar; vondsten van metselwerk, hier en daar teruggevonden, hadden hem tot die veronderstelling gebracht; maar in dat geval zou de weg naar den Girnar afgesloten zijn geworden en de bedevaartplaatsen, zooals Damodar Kund, zouden overstroomd zijn geworden en zouden ontoegankelijk zijn. Naar de muurresten te oordeelen in de bedding der Sonarekh en naar sommige golvingen van het terrein aan den linkeroever, denkt men eerder de omstreken van den Uperkot als de plaats van het meer te moeten aanwijzen.

Ons bezoek aan den Asokasteen was zeer interessant geweest, en op den terugtocht wierpen we slechts even een blik op de mooie natuur. Aangekomen bij het Lal Bagh, maakten we toebereidselen voor de bedevaart naar den Girnar, die den volgenden dag zou plaats hebben. Van de meest aangrijpende herinneringen van het Boeddhisme zouden we overgaan tot de moderne werkelijkheid van een ermee wedijverende secte, de Dsjaïna's.

Het ideaal van een heilig leven, door Asoka gedroomd, zou niet tot Indië beperkt blijven. De leer van dat leven ging over de grenzen, en de geest van het proselietisme, die het wezen van het Boeddhisme is, zond zendelingen naar de verste landen, waar ze zielen wonnen. Er zijn thans meer dan 500 millioen Boeddhisten in de wereld; in Indië en Birma drie millioen. Het Brahmaïsme, dat tijdelijk achteruitging, maar nooit verdelgd was, herkreeg zijn bloei in de achtste en negende eeuw, en in de elfde joegen de Mohammedanen beslist het Boeddhisme uit Kaschmir en Orissa, die alleen getrouw gebleven waren. De leerstellingen van Boeddha waren echter niet verloren gegaan; zij voegden zich bij de nieuwe elementen, met behulp waarvan het Hindoeïsme ontstond. Indië wierp diegenen uit, die er niet pasten en behield wat bij zijn aard en wezen paste. Het Boeddhisme liet echter op indischen grond, zooals ik reeds zeide, een secte achter, die het overleven zou.

Het Dsjaïnisme heeft zijn oorsprong te danken aan Swami Mahavira, metgezel van Boeddha, misschien wel zijn leermeester, als men de teksten van de Dsjaïna's mag gelooven. Evenals de Boeddhisten verwerpen de Dsjaïna's de Veda, als dat boek in strijd is met hun leer, alsook de autoriteit der Brahmanen; ze houden geen rekening met de offeranden en leven in strikte zedelijkheid. Zij gelooven, dat hun verleden en hun toekomst van hun eigen handelingen afhangen en niet van den wil van God, en ze hebben een grooten eerbied voor het leven van menschen en dieren. Ze verdeelen den tijd in opeenvolgende era's en kennen aan elke era vier-en-twintig Dsjina's of rechtvaardigen toe, mannen, die volmaakt zijn geworden, door de menschelijke hartstochten te overwinnen.

Er zijn er 24 geweest in het verleden; er bestaan in het tegenwoordige ook 24, en er zullen 24 in de toekomst wezen. Ze plaatsen in hun tempels kolossale marmeren beelden voor die Dsjina's.

De Dsjaïna's worden in twee groote secten verdeeld, de Digambara's, in ruimte gekleed, en zoo genoemd, omdat de monniken van die secte de gewoonte hadden, geen kleederen te dragen. In Indië is namelijk de volkomen naaktheid aan zijn wijzen veroorloofd. De tweede secte is die der Swetambara's, wier monniken witte kleederen dragen. Deze bedienen zich steeds van een waaier en houden een lap voor den mond, om niet te dooden, want kleine levende wezens konden in hun mond komen en den dood vinden. Zij mogen een bedelschaal in de hand houden, om voedsel in ontvangst te nemen, dat de geloovigen hun geven, wat de Digambara's niet mogen doen. Dezen mogen de giften alleen in het holle van de hand aannemen. De monniken wonen niet samen in kloosters; ze reizen en trekken, leven van aalmoezen, en als ze behoefte hebben aan rust, trekken ze zich terug in rusthuizen, die vermogende Dsjaïna's voor hen hebben gebouwd. Vroeger waren ze verdeeld in talrijke broederschappen, waarvan nu nog vier of vijf over zijn.

De leeken of Sjrawaks dragen noch heilig lint, noch teeken op het voorhoofd, noch houten halsband. Ze onderwerpen zich aan bepaalde reinigingen en hebben Brahmanen als dienstdoende geestelijken, al vereeren ze de monniken hoog. Hun godsdienstplichten zijn niet te vergelijken met die der Brahmanen, wier leven een onderwerping is aan nietigheden van den dienst; de gebeden van de Dsjaïna's zijn noch lang, noch ingewikkeld. De monniken worden aan geen enkelen regel gebonden, en de leeken zijn enkel gehouden aan een bezoek aan de tempels, waar ze driemaal moeten loopen om het beeld van hun heilige en buigen voor de andere kleine beelden, onder het aanbieden van een offer en het uitspreken van enkele formules.

Goedsjerat is het uitverkoren land van die rijke en belangrijke secte; het aantal Dsjaïna's bedraagt in 't geheel nauwelijks een millioen.

Als men het Dsjaïnisme zou willen omschrijven, kan men niet beter zeggen dan dat het een Boeddhisme is, voorzien van een mythologie niet van goden maar van heiligen. Inderdaad is het ideaal van een Dsjaïna een tempel te bouwen, waar hij het beeld van een zijner Dsjina's plaatsen kan, het steenen gebed, zooals ze zeggen en wat ook Fergusson heeft beweerd. Het gebed vindt dan zijn geloofsuitdrukking in de schoonheid der architectonische vormen en de pracht van het geheel.

Zoo verklaart het zich, dat men zooveel prachtige Dsjaïna-tempels door geheel Indië vindt, bij voorbeeld bij de Aravalli, op den berg Aboe, in Bengalen te Parasnath; in Kathiawar op den heiligen berg Satrunjaya, eindelijk tegenover ons op het plateau van den Girnar, waar wij morgen den 22sten Dsjina gaan huldigen.

Het bergmassief van den Girnar bestaat uit vijf toppen, den Amba Mata, bekroond met den tempel van de godin der primitieve tijden, Uma of Parvati; dan den Gorathnath, den hoogsten van alle, 3600 voet boven de zee; den Oghad Sikhara; den Datatreya en den Kalika.

De Girnar was waarschijnlijk al een bedevaartplaats vóór den tijd van Asoka, te oordeelen naar de sporen van cellen van boeddhistische monniken, die men er nog vindt. Zijn wonderbare geschiedenis wordt verteld door Brahmanen zoowel als door Dsjaïna's; dertig hoofdstukken van de godsdienstige jaarboeken vieren zijn heiligheid in verhalen, die door de Brahmanen werden bedacht en gelegd in den mond van Siva, hun geliefden god. Elke bedevaartplaats heeft zoo haar boek, waarin zijn verzameld haar overleveringen, de godsdienstige gebruiken van de plek, de herstellingen, die in de heiligdommen worden aangebracht, de genealogie der heiligen, der weldoeners en der personen, die bedevaarten er heen hebben ondernomen.

Volgens de Dsjaïna's hoorde Indra, toen hij aan Mahavira vroeg naar de namen der 25 heilige toppen, dat de vijfde was de groote berg Raivata, dat is de Girnar, die de vijfde wetenschap geeft, het eeuwig heil. De giften en gaven, die men er brengt, gelden voor verdiensten in deze wereld en in de andere, verdiensten, die alle zonden uitdelgen, begaan gedurende vele zielsverhuizingen. De wijzen hebben er geen materiëele zorgen meer; gelijk aan goden, brengen ze hun dagen door met het beoefenen van vrome werken en met de aanbidding van Nemi. De seizoenen zijn er betrouwbaar; de waterleidingen vloeien over van een nectar, door de goden geschonken; en eindelijk brengt de herinnering aan Raivata geluk. Het aanschouwen van den berg geneest ziekten, en als men er is geweest, worden al onze wenschen vervuld.

Het landschap van den Girnar past bij zijn heiligheid. Het is er rustig en de eenzaamheid is er nu nog even gemakkelijk te vinden, als toen de berg bewoond werd door de monniken, die wijzen van de Veda's, aan wie Indië goddelijke vermogens toeschrijft. De lachende dalen, besproeid door heldere beken, de grotten, uitgehold in kloven in de rotsen, hebben nog hetzelfde aanzien. Zoo als ten tijde der pelgrimstochten de dichte menigte den top Amba Mata opgaat, in gewone tijden wonen alleen de dienstdoende priesters bij de heiligdommen, waar ze in het warme jaargetijde de aanwezigheid dulden van enkele bewoners van Junagadh, die de koelte komen zoeken; maar priesters, pelgrims, vreemdelingen, alle zonder onderscheid moeten zich onderwerpen aan de reglementen, die o.a. verbieden dierlijk voedsel te nuttigen op den heiligen berg; ook is alle handel er verboden, en kudden en herders moeten in de verte op de vlakte blijven. De Girnar is een plaats van rust voor vermoeide zielen, waar de Hindoe nieuwe kracht komt garen, bovennatuurlijke kracht, naar hij meent, en waar hij die verdiensten erlangt, die hem nieuwe beproevingen zullen besparen in nieuwe zielsverhuizingen.

Onze excursie naar de tempels van den Girnar had op 12 Februari plaats. De heer C. Ch. Dhru wilde ons wel de noodige inlichtingen geven en voegde bij al zijn goedheden die van ons te vergezellen.

Wij vertrokken tegen zeven uur in den morgen bij heerlijk weêr. Wij zouden dezelfde etappen nemen als de pelgrims. Toen we de Wagheswaripoort uit waren gegaan, volgden we den weg naar den Asokasteen, dien we rechts lieten liggen. Nadat men de brug over is gegaan over de Sonarekh, gaat men door een aardig dal, dat boschrijk is en naar den Damodar Kund leidt, zoo genoemd naar Krisjna of Damodar en een meer vormend van het water der Sonarekh. Er voert een brug over de Damodar Kund, die gebouwd is op bevel van den diwan Haridas. Het al te bescheiden opschrift vermeldt niet den naam van den edelmoedigen schenker; er is slechts sprake van een zoon, die hoopt, dat de zegeningen der pelgrims zijn ziel ten goede zullen komen, en dat de verdiensten van het werk in aanmerking zullen worden genomen naast die van zijn hoogvereerde moeder. Er wordt aan het water van de Kund een vreemde werking toegeschreven, die namelijk van menschelijke beenderen op te lossen, en daarom hebben de Hindoes een crematorium in de buurt gebouwd of eigenlijk een verbrandingsterrein. Toen wij over de brug gingen, steeg een lichte rookwolk boven de Burning Ghat omhoog, een donkere en sombere vlek, die een weemoedige tint werpt over het zonnige land. Wat heb ik nu al veel van die brandstapels gezien, voor het meerendeel van arme menschen, zoo maar opgericht aan den oever der rivier of aan een of ander zandig strand, opdat des avonds, als de vloed opkomt, deze den doode, die misschien maar half verbrand is, meevoere naar zee!

Aan den voet van den berg, te Chadani Vav, begon de eigenlijke bergbestijging, en daar veranderde ons vervoermiddel.

De vier doli's en de zestien dragers, die besteld waren, wachtten ons op. De doli is een soort van armstoel zonder pooten, gelijkend, naar men zegt, op een romeinsch zadel, gedragen op vier lange stokken, die rusten op de schouders van vier sterke koelies. Ik zal nooit toestemmen, dat het een aangename manier van reizen is. Ik ben geen liefhebster van den draagstoel, al had ik er in reisbeschrijvingen soms vol geestdrift van hooren spreken.

Nu kan ik bijna niet onder woorden brengen, wat ik heb uitgestaan, toen ik voor de eerste maal van dat vervoermiddel gebruik maakte. Het was te Udvada; op den weg naar den Vuurtempel, dus vele mijlen ver, liggend in dat smalle bed van antieken vorm en beschut door een klein zeil, hoorde ik steeds de gejaagde ademhaling van mijn dragers; ik zag het zweet vloeien langs hun bruine lijven. "Arme broeders," zei ik tot mijzelve, "vergeeft het mij, dat ik den moed niet heb, uw diensten te weigeren!" En dat was een eenvoudig ritje over een vlakken weg, die goed onderhouden was, terwijl nu een bestijging van meer dan 2000 voet moest plaats hebben. Toch was dat gevoel bij mij wel wat overdreven; in den tijd der bedevaarten volvoeren de pelgrims soms meermalen per dag den tocht omhoog en ze blijven er gezond bij. Zij houden van hun vak, worden goed betaald en klagen niet.

Dus moest ik mij er wel in schikken; mijn staat van herstellende zieke legt mij den plicht op, volgzaam te zijn, en mijn waardigheid van gast van den diwan is mede een reden, om gehoorzaam de doli te bestijgen.

Stapje voor stapje, of eigenlijk trap voor trap, ging de bestijging. Vroeger moesten de bedevaartgangers zich, zoo goed en zoo kwaad als het ging, een weg banen te midden der rotsblokken en van het rotspuin en op enkele plaatsen waren dan uitgesleten trappen, terwijl vijf herbergen aan den weg hem onderdak of een verfrissching boden. Maar nu hebben granieten trappen, die breed en gemakkelijk zijn, maar nog al eens glad en vuil, en die om de rots heen loopen, den ouden weg vervangen.

Die antieke trap was al gebouwd in 1166 en 1167 op kosten van een zekeren Amba, zoon van Raning, van de kaste der Sjromali's; ze werd hersteld in 1627 door een genootschap van pelgrims en eindelijk, in 1899, door de zorgen van de Girnar lottery, die meer dan 500,000 francs uitgaf om de trap in den tegenwoordigen staat te brengen en om bruggen te laten slaan op de gevaarlijke punten tusschen Ambaji en Jorakhnath. Wij bepaalden de volgorde van den tocht. Vóór mij mijn moeder, goed beschut door haar zonnepet en stevig gezeten in den stoel op de schouders van haar dragers, dezelfde als van lord Curzon naar het schijnt; haar trouwe François naast haar. Dan kom ik en dan mijn secretaris, die in zijn hoedanigheid van gegradueerde van de universiteit van Bombay, in diepe gedachten verzonken is, waarvan het resultaat, zooals hij mij heeft verteld, een artikel zal zijn in een der dagbladen van Surate.

Ik kan mij dus ongehinderd overgeven aan de overpeinzingen, waartoe de plaats en de herinneringen uitnoodigen; maar weldra worden ze op den achtergrond gedrongen door de bekoorlijkheid van het landschap; ik zie alleen nog met mijn physieke oogen de bewonderenswaardige tooneelen, die zich ontrollen en die winnen in grootschheid naarmate we hooger komen.

Aan onze voeten liggen Junagadh, de Uperkot en de vlakten van Kathiawar en rondom hebben wij de boschrijke hoogten van den Girnar. Het is een verrukkelijk panorama.

De ernstige stilte wordt alleen verbroken door zachte geluiden in de boomen; kleine, onschuldige aapjes spelen en doen den voorbijganger geen hinder. Bij de eerste halt stegen we uit aan den eenzamen weg, die sinds het woeden van de pest en den hongersnood verlaten is. De bedevaarten worden niet meer gehouden, want ieder gaat op eigen gelegenheid. Enkele pelgrims rusten in de herbergen uit; andere klimmen naar de hoogten, en er zijn er ook, die met hun stokken al hebben geraakt aan den heiligen grond van de toppen van Dattar en Gorakhnath. Allen komen van ver. Als men rustig met hen kon praten, wat zou men dan een goede voorstelling van de Hindoeziel krijgen, en als men ergens de geheimen van die ziel mocht onderzoeken, dan zou het zeker aan den Girnar zijn.

Jonge vrouwen, in haar kleurige gewaden, komen met neergeslagen oogen van den Amba Mata, en de jonggehuwden brengen aan de godin cocosnoten en andere geschenken, opdat ze hun zegen schenke.

Er waren veel asceten, die met verwarde haren en het lichaam met asch bedekt, in lompen gehuld rondliepen; een van hen was in een grot gehuisvest, waar we hem een bezoek brachten.

In de oogen van den Europeaan zijn die waardelooze wezens in een goed georganiseerde maatschappij tot niets nut; maar voor den Indiër heeft de godsdienstige bedelaar zijn reden van bestaan, als de vertegenwoordiger van het oude ideaal van ascetisme en armoede. Is in Manoe niet het ascetisme de laatste etappe van het menschenleven? Volgens Boeddha is immers armoede de ware rijkdom. De asceten van tegenwoordig worden in veel klassen verdeeld; op den top van de ladder staat de Sanyasi, gewoonlijk Brahmaan van afkomst; daarna, veel lager, volgen de Yogi's, de Bawa's, de Sadhoes en de Gosains, die tot de lagere kasten behooren.

Die laatsten leven in groepen, bedelen van huis tot huis, doen aan veel bijgeloovige gebruiken, en leggen zichzelven lichaamskwellingen op. In groepen staande om de heiligdommen, maken ze deel uit van de pelgrimages en komen ten laatste in de kloosters van hun secte terecht. Soms komen ze aan den weg om, maar al zou men hen in Frankrijk vagebond noemen, in Indië zijn het heiligen!

Die bedelaars worden er gerekend tot de groote moreele krachten van het land. Zij dwalen zwijgend door de straten, bewegen zich onder de menigte, komen in de tempels en in de gezinnen, en de grootste moderne geesten zien in die ongelukkigen vertegenwoordigers van de onsterfelijke denkers van den godsdienst. Er zijn zelfs ministers geweest, die het hof en hun betrekking verlieten, om hun leven in ascetisme te besluiten. Die minachting voor den rijkdom, die niet zonder grootheid is, vindt men ook terug in de kringen van studenten. Zoo stellen zich de professoren van Fergusson college te Poenah tevreden met een allerminiemst salaris, en het zijn geleerden van den allereersten rang.

Het leven van vrijheid en overpeinzing schijnt wonderlijk goed in dit land te huis te zijn. "Wanneer toch zal ik", zoo vraagt de boeddhistische monnik, "wonen in een grot op de bergen, alleen, zonder metgezellen, met de bewustheid van de wisselvalligheid des levens? Wanneer zal dat heerlijk lot het mijne zijn? Wanneer zal ik wijs wezen en in kleeren van lompen, met niets, dat ik het mijne kan noemen, en zonder begeerten, zonder liefde, haat en dwaling vroolijk op de bergen wonen?"

De trappen, die al steiler worden, leiden naar een plateau, waar de eerste tempels zijn gebouwd, eerste etappe op meer dan 2000 voet hoogte. Men treedt er binnen door een groot portaal, dat tot een ruim gebouw toegang geeft, een zomerpaleis of fort, waarvan de ruïnen nu dienen als woning voor de priesters en hun bedienden.

Aan den ingang is het opschrift, dat een verkorte lijst bevat van de vorsten uit de dynastie der Chudasama's. Vóór we binnengingen, werden we gelaten in een koele, donkere zaal, waar men ons verzocht, onze schoenen uit te trekken, om aardige laarsjes van rood laken ervoor in de plaats te stellen, met goud geborduurd, waarna we waardig zijn de gewijde ruimte te betreden. Er waren in de rotsen zalen uitgehouwen, en zoo vormden de dsjaïna-tempels een soort van forten. Er was een galerij omheen met cellen of nissen, die hetzelfde beeld vertoonen in verschillende grootte.

Deze tempels zijn de mooiste van den Girnar; de andere, die in de buurt verspreid zijn of op de hellingen der bergen, zijn minder rijk of van jonger datum.

De eerste is die van Neminath, aan wien de berg is gewijd; oudtijds was de hoofdingang aan den zuidkant; maar die entrée is verboden en men komt nu binnen door een ingang in het Khengarpaleis. Het gebouw staat op een vierkant plein van 190 bij 130 voet; op een zuil in een der zalen zegt een opschrift, dat het in 1278 werd hersteld, en hieruit kan men den ouderdom wel zoo wat afleiden. Er zijn twee zalen en een heiligdom, waar een zwart marmeren standbeeld staat van Neminath, behangen met versierselen van goud en edelgesteenten.

Rondom liep een gang met marmeren beelden, die oogen hadden van rotskristal. In de tweede zaal bemerkt men twee platforms van fijn gesteente, bedekt met afbeeldingen van voeten in paren, ter herinnering aan de 2452 voeten der eerste leerlingen van Neminath. Natuurlijk kan men nauwelijks een derde ervan terugvinden.

Al die wijde ruimten, overgoten met het heldere morgenlicht, waren aangrijpend van helderheid en witheid. Er waren in de zalen slechts enkele pelgrims en de brahmaansche priesters van den Girnar. Onze tegenwoordigheid wekte in het minst geen onwelwillende nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste betreden van een tempel der Dsjaïna's; ik had nog nooit een dienst bijgewoond, zooals later in Palitana en Calcutta, diensten, die trouwens zeer eenvoudig zijn en hoofdzakelijk bestaan uit het zingen van priesters onder begeleiding van muziek en het branden van wierook voor de beelden.

Ik hoopte, het beeld te zien van Amyhara, dat in een onderaardsch verblijf wordt bewaard en waarvan het heet, dat het zweet.

Om den tempel loopt een gesloten galerij met opengewerkte afsluiting, waarin kleine nissen met de vaak herhaalde beelden van den zittenden Dsjina Parasnath. Aan den zuidkant leidt een doorgang tusschen twee nissen of cellen naar een lage zaal, gesteund door granieten zuilen. Tegenover den ingang stonden twee groote beelden van zwart marmer, met daarbij een liggenden leeuw en een krokodil. Bij het rookende licht van onze fakkels kon men weinig onderscheiden. Deze onderaardsche verblijven maakten deel uit van de vroegere kloosters.